Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

Bang voor Allah en de femme sexuée

Emile Zola beschrijft in Nana (1880) de courtisane als de grootste angst en obsessie van de negentiende-eeuwse Fransman, als de ultieme Ander. Tegelijkertijd laat hij zien dat ‘dé Ik’ en ‘dé Ander’ constructies zijn die ontstaan op het moment dat het verschil tussen het eigene en het andere juist vervaagt of wordt ondermijnd. Dit idee is weer actueel nu Franse schrijvers als Éric Zemmour de ‘zelfmoord’ van de Franse identiteit uitroepen en Michel Houellebecq de mogelijkheden van een islamitische samenleving onderzoekt.

‘Ach-Hadou ane lâ ilâha illa lahou wa ach-hadou anna Mouhamadane rassouloullahi.’ Wat heel precies betekent: ‘Ik getuig dat er geen andere God is dan Allah en ik getuig dat Mohammed de boodschapper van Allah is.’ Door het uitspreken van deze zin bekeert François, de hoofdpersoon van Michel Houellebecqs Soumission, zich aan het eind van de roman tot de islam. Frankrijk heeft dan al een islamitische president, de geslepen en gematigde moslim Mohammed Ben Abbas, en de universiteit waar François werkt – de oudste van Europa, opgericht in 1150 – heet voortaan: de islamitische universiteit Paris-Sorbonne. Het trotse, soevereine Frankrijk dat zich vrijwillig onderwerpt aan een vreemde godsdienst? Is dat mogelijk? Wel in het decadente universum van Houellebecq waarin de hoofdpersoon een academicus is die zich heeft gespecialiseerd in het oeuvre van de laat-negentiende-eeuwse auteur Joris Karl Huysmans. Huysmans, die begon als naturalist met Marthe, histoire d’une fille (1876), zich ontpopte tot decadente symbolist in A Rebours (1884) en die zich uiteindelijk bekeerde tot het katholicisme. De keuze voor een Huysmans-specialist is niet toevallig: hiermee legt Houellebecq een direct verband tussen het Frankrijk van eind negentiende eeuw en het Frankrijk van nu. Net als Huysmans heeft François het gevoel in een decadente en uitgeholde maatschappij te leven, in een lelijke tijd van consumentisme, oppervlakkige interesses en middelmatigheid. En net als aan Huysmans blijkt religie ook hem uiteindelijk een uitweg te bieden.

De Franse samenleving is aan het einde van de negentiende eeuw nog streng katholiek. Toch heeft men het gevoel in een zieke, gecorrumpeerde en gedegenereerde maatschappij te leven. De industrialisatie, de tweede kolonisatiegolf en de wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen hebben veel welvaart en vooruitgang gebracht, maar men begint ook de keerzijde van al die veranderingen te ervaren. Wat betekent het om gelovig te zijn in een maatschappij waarin de waarden van de markt en het kapitaal steeds belangrijker worden? Wat voor gevolgen hebben immorele romans als Flauberts Madame Bovary (1856) en naaktportretten als Courbets L’origine du monde (1866) voor de zeden van het gelovige Frankrijk?

De Fransen vinden een gemakkelijke zondebok in de courtisane. Deze maîtresse van de Franse elite heeft zich van de straat naar het pluche ‘gewerkt’ en roept fascinatie en verwarring op in de puriteinse samenleving. Hoewel ze het niveau van de gewone straatprostituee is ontstegen, onderhoudt ze haar luxueuze levensstijl op dezelfde wijze en dat zorgt voor een ongemakkelijk gevoel. Ze is een symbool van sociale mobiliteit en daarmee van vooruitgang, maar ook een symbool van achteruitgang, aangezien ze de haut monde van Parijs infiltreert en infecteert. Bovendien is ze een publiek sekssymbool, een trofee waar mannen van adel mee pronken in restaurants en theaters, niet een maîtresse die ze verbergen in een appartement in de buurt van de Notre Dame de Lorette. Als schaamteloos en zichtbaar lustobject wordt de courtisane begeerd en gevreesd.

Het is die angst voor besmetting en vernietiging die de rode draad vormt in Emile Zola’s Nana (1880), de negende roman uit de serie Les Rougon-Macquart (1870-1893) die, zoals de ondertitel luidt, de ‘natuurlijke en sociale geschiedenis van een familie uit het Tweede Keizerrijk’ beschrijft in twintig delen. Als pionier van het naturalisme heeft Zola zich tot doel gesteld om verschillende sociaal-maatschappelijke en historische fenomenen uit het Tweede Keizerrijk te verbeelden en daar hoort de courtisane ook bij. De roman begint met de operette De blonde Venus, waarin de beginnende courtisane Nana haar theaterdebuut maakt als de Griekse godin Venus:

‘Een rilling ging door de zaal. Nana was naakt. Ze toonde haar naaktheid met een onverstoorbaar lef, zich bewust van de macht van haar lichaam. Een eenvoudige sluier omhulde haar; haar ronde schouders, haar amazoneborsten waarvan de roze punten rigide omhoog stonden als speren, haar brede heupen die ze wulps heen en weer wiegde (…) Het was alsof Venus uit de golven verrees met slechts haar blonde haar als sluier. Toen Nana haar arm optilde, was de gouden vacht op haar oksels te zien. (…) Uit het vrolijke meisje stond ineens de gevaarlijke vrouw op die een aanval van waanzin inherent aan haar sekse veroorzaakte en die iets onbekends opriep: verlangen. Nana lachte nog altijd, maar het was nu de doordringende glimlach van een mannenverslindster.’

Nana’s minnaars nemen de stereotypen die de alwetende verteller hier introduceert, de amazone, de godin Venus, het dier en de mannenverslindster, in de loop van de roman over en geven hier een eigen invulling aan. Door haar te verdierlijken, te mythologiseren en te demoniseren creëren ze het beeld van Nana als inferieure Ander. Dit beeld stelt hen in staat om hun eigen identiteit als dominante en superieure Ik te bevestigen: wij zijn niet zoals zij. Bovendien hoeven ze zo geen verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen aandeel in de liaison, de schuld ligt geheel bij de courtisane. Zola gaat hier deels in mee: ja, de courtisane is een verderfelijk fenomeen, maar de Parijse elite en de maatschappij van het Tweede Keizerrijk zijn net zo besmettelijk. Daarbij lijkt het verschil tussen Nana en haar minnaars in bepaalde scènes niet zo groot. Hij portretteert haar als hypervrouwelijk en anders, maar soms ook als ‘mannelijk’ en dus hetzelfde. Daarmee laat hij zien dat het eigene in de Ander herkennen nog het meest verontrustend is voor de mannelijke personages. Het creëren van een identiteit vraagt om een duidelijk onderscheid tussen het eigene en het andere en lijkt geen vermenging toe te staan

Die angst voor wederzijdse beïnvloeding beheerst ook het actuele debat in Frankrijk. De Franse identiteit is dood, dan wel stervende, klinkt het uit rechtse hoek. Er zou geen duidelijk verschil meer bestaan tussen de identiteit van de Fransman en die van de immigrant en de moslim. Dat onderscheid hebben de Fransen zelf laten vervagen, en dan in het bijzonder links Frankrijk, dat decennialang de vermenging van rassen, culturen en tradities heeft gestimuleerd, zoals de filosoof en essayist Alain Finkielkraut stelt in L’Identité malheureuse (2013). Een andere identiteitspessimist die Marijn Kruk noemt in het artikel ‘Tussen De Gaulle en Charlie Hebdo – Frankrijk moet een varkensfeest blijven’ is de schrijver Renaud Camus. In zijn pamflet La France: Suicide d’une nation (2014) verwoordt hij de huidige identiteitscrisis als De Grote Deculturatie veroorzaakt door De Grote Vervanging: de autochtone Franse bevolking wordt steeds meer ‘vervangen’ door immigranten uit de voormalige koloniën en uit andere werelddelen. Dat woord ‘suicide’ keert terug in het essay Le suicide français (2014), waarin de populaire polemist Eric Zemmour stelt dat het trotse, soevereine Frankrijk van generaal De Gaulle stervende is. Hij beschuldigt niet alleen de regeringen die immigratie en multiculturalisme hebben gestimuleerd, maar haalt ook uit naar het Franse bedrijfsleven dat de deur opende voor het Angelsaksisch liberalisme, naar de Amerikanen die Frankrijk hebben gedisneyficeerd, naar linkse intellectuelen die hamerden op de gelijkwaardigheid van culturen en naar feministen die van mannen watjes hebben gemaakt. Zemmour zet Frankrijk neer als een land dat altijd heeft gestreden voor culturele, economische en politieke hegemonie en dat nu merkt dat het aan macht en invloed verliest in de global village. Hoewel er vanuit links wel verzet bestaat tegen deze onheilsprofeten vindt de retoriek uit rechts-nationalistische hoek meer gehoor. Dit blijkt alleen al uit de verkoopcijfers van Le suicide français, dat in oktober 2014 verscheen en drie maanden later al vierhonderdduizend keer was verkocht. Kruk eindigt zijn artikel met de opmerking dat ieder debat over ‘dé islam, over “onze” waarden of “de” nationale identiteit uiteindelijk een impasse zal blijken’, omdat er niet zoiets bestaat als één homogene nationale Franse identiteit versus één homogene islamitische identiteit. Het gefixeerde ‘wij’ en het gefixeerde ‘zij’ verwijzen in werkelijkheid naar twee werelden waarin je oneindig veel variaties en mogelijkheden tegenkomt.

In Nana is er sprake van een soortgelijk wij-zij-denken, of liever gezegd een zij-wij-denken, omdat het zelfbeeld van de mannelijke personages is gebaseerd op wie ze niet willen zijn. Het gefixeerde ‘zij’, Nana, verhult een oneindig uitdijend universum van associaties (onder meer amazone, Venus, dieren, ziekte, besmetting, verderf, vernietiging) die voornamelijk zijn gebaseerd op tijdgebonden stereotypen van de prostituee. Sander L. Gilman zegt hierover in Difference and Pathology: Stereotypes of Sexuality, Race, and Madness (1985) dat de prostituee in de negentiende eeuw ‘de belichaming was van seksualiteit en van alles wat met seksualiteit werd geassocieerd, zowel ziekten als passie’. Het bijzondere is dat Zola, als een modern schrijver met derridaïaanse trekken, laat zien dat deze associaties slechts naar elkaar verwijzen en de betekenis van de courtisane daarmee voortdurend uitstellen. Volgens de Franse filosoof Jacques Derrida komt de betekenis van ieder begrip tot stand doordat wordt gekeken naar hoe het verschilt van andere begrippen, waardoor de betekenis continu wordt uitgesteld. Wie een woord opzoekt in het woordenboek vindt immers slechts een ander woord, dat weer verwijst naar een ander woord, dat weer verwijst naar een ander woord. Dit idee vat hij samen in het concept différance, omdat het werkwoord différer in het Frans zowel ‘verschillen’ als ‘uitstellen’ betekent. Woorden verwijzen dus slechts naar elkaar en leiden niet tot een zogenaamde ‘eindbetekenis’. Zola laat in Nana hetzelfde zien: de begrippen waar de mannelijke personages de courtisane mee associëren leiden niet tot één allesomvattende betekenis. Het blijkt niet mogelijk te zijn om ‘de echte courtisane’ te beschrijven, alleen de vooroordelen, de stereotypen en de mythen die haar omringen.

En die associaties spreken elkaar in sommige gevallen ook nog eens tegen. Zo impliceert de mythe van de amazone dat ze helemaal niet zo anders is. Anna Gural Migdal legt in L’Écriture du féminin chez Zola et dans la fiction naturaliste (2003) uit dat dit mythische volk van vrouwelijke strijders bekendstond om zijn onafhankelijkheid en gewelddadigheid: de amazones lieten geen mannen toe in hun samenleving, alleen om zich door hen te laten bevruchten, waarna ze de mannen vaak doodden. Volgens Gural-Migdal roept deze mythische figuur daarom de freudiaanse categorie van het Unheimliche op, in het Frans l’inquiétante étrangeté en in het Nederlands het ‘verontrustende anders-zijn’. Dit concept verwijst naar het gevoel dat je kunt hebben wanneer een vreemde situatie vertrouwd aanvoelt, wanneer je een eigenschap van jezelf in de Ander ziet. Het herkennen van het anders-zijn van de Ander stelt de Ik in staat om een zelfbeeld te creëren. Maar soms ontstaat er een situatie waarin de Ik ineens een eigenschap van zichzelf in de Ander herkent, een overeenkomst die het beeld van de eigen identiteit als strikt gescheiden van die van de Ander ondermijnt. Het verontrustende van het anders-zijn is dan ook het plotseling herkennen van de overeenkomst, niet van het verschil. De amazone is bij uitstek een figuur dat dit verontrustende anders-zijn oproept: ze is een vrouw, maar ze eigent zichzelf eigenschappen toe die traditioneel gezien in de mannelijke gendercategorie vallen. Volgens Gural-Migdal beweegt Nana zich continu heen en weer tussen de mannelijke en vrouwelijke gendercategorieën, waardoor ze entre-genre wordt. Bij haar minnaars roept die onbepaaldheid angst en vertwijfeling op, omdat ze haar niet in één categorie kunnen plaatsen.

Zola laat ook blijken dat de courtisane niet de oorzaak is van een samenleving in verval, maar het effect, een symptoom. Volgens Adrián Bene is de operette De blonde Venus een mise en abyme, in de meest gebruikelijke betekenis een kaderverhaal, waarin de vertelling van Nana is ingebed en dat aankondigt wat er in de rest van de roman gaat gebeuren. Hij beschouwt deze stijlfiguur ook als een voorbeeld van een metalepsis, die weer een variatie is op de metonymie waarin het voorgaande met het volgende wordt verwisseld, de oorzaak met het effect. Met andere woorden: door Nana met een mise en abyme te laten beginnen, attendeert Zola de lezer op het feit dat oorzaak en gevolg ook in de rest van de roman zullen worden verwisseld. De courtisane is dus een symptoom van een decadente samenleving, niet de drijvende kracht daarachter. Zo wordt ze pas een actieve, destructieve kracht in het tweede deel van de roman, op het hoogtepunt van haar roem, als insider van de Parijse aristocratie.

Volgens de alwetende verteller ervaart Nana haar nieuwe leven van luxe en comfort als ‘vervelend en monotoon’. Ze begint trekken te vertonen van een melancholieke en zwaarmoedige gemoedstoestand die ook wel bekendstaat als ‘spleen’, een fenomeen dat voornamelijk voorkwam in gegoede kringen. Ze sterft op het moment dat de guerre de 1870 tegen Duitsland uitbreekt aan de pokken, la petite vérole – een ziekte die qua naam en besmettelijkheid doet denken aan syfilis, la vérole. Een dood door een seksueel overdraagbare aandoening zou het idee van haar vernietigende seksuele kracht bevestigen, een kracht waar ze zelf aan ten onder zou gaan, maar ze sterft aan een virus dat ze volgens de verteller heeft opgelopen in de straatgoten van Parijs. Een vrouw die in staat is om de hele Parijse aristocratie te ruïneren ‘tussen haar dijen van sneeuw’, maar die niet bestand is tegen het pokkenvirus? De ziekte waaraan Nana sterft brengt de mythische courtisane terug tot menselijke proporties en maakt duidelijk dat ze een onderdeel is van een reeds bedorven en even besmettelijke samenleving. De schuld ligt niet alleen bij haar.

Het gefixeerde zij-wij-denken in Nana werpt een interessant licht op de hedendaagse Franse identiteitscrisis, omdat Zola laat zien wat er gebeurt als er geen één Ik en geen één Ander bestaan, maar er toch behoefte is aan twee afgebakende identiteiten die in alle opzichten van elkaar verschillen. In dat geval creëert de meest dominante groep, de Ik, een beeld van de Ander, gebaseerd op een samenraapsel van vooroordelen en stereotypen, waarmee de Ik zijn eigen identiteit op een negatieve manier bevestigt. Dat zien we ook gebeuren in de hedendaagse Franse samenleving. Finkielkraut, Camus en Zemmour verlangen naar een duidelijk onderscheid tussen één autochtoon Frankrijk en één allochtoon Frankrijk, terwijl die twee identiteiten na een aantal decennia van wederzijdse beïnvloeding slechts bestaan als fictionele constructies die, ondanks of juist dankzij hun fictionele karakter, wel de publieke beeldvorming beïnvloeden. Ook nu is de constructie van de Ander gebaseerd op vooroordelen en stereotypen. De moslim zoals Zemmour die beschrijft, is gevaarlijk, gewelddadig, radicaal, leeft in armoedige voorsteden en wil de Fransman onderwerpen aan de dictatuur van de sharia. Het opmerkelijke is dat die stereotypen wel naar reële problemen verwijzen: radicaliserende moslims, verpauperde voorsteden waarvan alleen al de postcodes de kans op een baan verminderen en de frictie tussen het Franse ideaal van de laïcité, de scheiding tussen kerk en staat, en de behoefte van moslims om hun geloof te belijden met alle regels, rituelen en kledingvoorschriften die daarbij horen. Maar in plaats van deze kwesties te erkennen en op te lossen, betrekken polemisten als Zemmour de problemen op zichzelf, op de eigen identiteit die daardoor in gevaar is. Hij beschrijft de kwesties in termen van: wat betekenen die voor Ons? Net als de courtisane zijn de immigrant en de moslim dus een symptoom van een ander probleem, niet de oorzaak. Dat andere probleem is: in het autochtone Frankrijk van Zemmour is alleen plaats voor die denkbeeldige Fransman uit het glorieuze tijdperk van De Gaulle en de Citroën DS. Iedereen die daarvan afwijkt en ook nog eens te dominant dreigt te worden kan rekenen op uitsluiting.

Zola laat Nana eindigen met de dood van de courtisane en de val van het Tweede Keizerrijk, want ook al is ze het gevolg en niet de oorzaak van een samenleving in verval, een nieuwe, ‘gezonde’ maatschappij kan alleen worden opgebouwd als zowel de oorzaak als het symptoom van het kwaad wordt bestreden. Houellebecq gaat in Soumission een heel andere kant op: de islam is als andere godsdienst geen ziekte die leidt tot ‘de dood’ van de Franse identiteit, maar een antwoord op een ontwortelde samenleving die zoekt naar binding en zingeving. De islam als ‘de kans op een tweede leven’, zoals François zegt. Een leven dat helemaal zo gek nog niet is, dat juist veel nieuwe mogelijkheden biedt. Maar wel in de eerste plaats voor de man, die er een vrouw van veertig op na kan houden voor achter het fornuis en een tienermeisje voor in bed. Wat de verplicht thuis zittende vrouwen in verhullende pantalons en wijdvallende blouses vinden van alle veranderingen krijgen we alleen mee via François. Soumission is dan ook misschien vooral een antwoord op het heimelijke verlangen van de Fransman om te kunnen terugkeren naar de tijd waarin de man het voor het zeggen had, naar het tijdperk van vóór de tweede feminiseringsgolf. Of misschien zelfs van vóór de eerste feministische golf, die opmerkelijk genoeg begon ten tijde van de publicatie van Nana. Waar de courtisane als openlijk sekssymbool wordt gevreesd in een puriteinse samenleving die begint open te breken, komt het ongemak in Soumission voort uit precies het tegenovergestelde: de terugkeer van de man als autoriteit en de kuise vrouw als bezit is een vreemde gewaarwording in de gepornoficeerde en gefeminiseerde samenleving van het Westen die zich heeft bevrijd van alle taboes. Die puriteinse omslag roept een gevoel van verontrustend anders-zijn op bij de moderne Françaises, de kleindochters van Nana, die krap anderhalve eeuw hebben gestreden voor de ontsluiering van hun lichaam.

Een van de pleziertjes van Nana is voor de spiegel staan en zich langzaam uitkleden, terwijl ze met verrukking naar haar naakter wordende lichaam kijkt. Haar minnaar, de graaf Muffat, is er tijdens een van die sessies van schaamteloze eigenliefde bij en kijkt haar boos aan, geërgerd door het verlangen dat zij in hem oproept. ‘Wat bezielde hem? Ze deed dit niet voor de anderen, maar voor zichzelf’, denkt Nana. Met dat ene zinnetje in de bijna vijfhonderd pagina’s tellende roman drukt Zola precies op de zere plek: het idee van de courtisane als een femme sexuée, een vrouw die kan genieten van haar eigen lichaam en seksualiteit, die niet alleen een lust opwekkend object is voor haar minnaars, die anderen, maar ook voor zichzelf, en dan waarschijnlijk ook nog op een geheel eigen manier, is ondenkbaar, zelfs onwenselijk. Gaat seks over macht? vraagt Casper Thomas zich in De Groene van deze week af. Ik zou zeggen van wel, maar alleen in een samenleving waarin alles wordt uitgedrukt in termen van machtsverhoudingen: wie geilt op macht, zal ook macht ervaren in geilheid.


De gedeelten uit Nana zijn eigen vertalingen. De passage uit Michel Houellebecqs Soumission komt uit de officiële vertaling van Martin de Haan, Onderworpen, € 19,99, Athenaeum Boekhandel.


Beeld: (1) Willam-Ablett.28 (Petit Palais Gallery / Flickr.com); (2) Courbet, L’origine du monde (Historia del Arte Ilustración y siglo XIX / Flickr.com Theater); (3) Willam-Ablett.17 (Petit Palais Gallery / Flickr.com); (4) Willam-Ablett.23 (Petit Palais Gallery / Flickr.com); (5) Willam-Ablett.10 (Petit Palais Gallery / Flickr.com)