Toneel

BANG VOOR DE EIGEN TIJD

TONEEL De familie Avenier (2)

In deel 2 van De familie Avenier (Maria Goos/het Toneel Speelt, regie: Jaap Spijkers) zijn we gekatapulteerd van 1956 naar 1970. Ontwerper Thomas Rupert laat ons opnieuw door de voorpui van een huis kijken. De ruimte is kaalgeslagen, het wemelt er van de verhuisdozen. In het midden staat een bruin geverniste, open lijkkist, met daarin de kleingrutter en failliet geraakte kruidenier Jan, ernaast zijn weduwe Rita. Jans longen waren niks meer, die laatste jaren. Hij schreef alleen nog maar brieven. Naar zus Pieternel, die in 1956 met zwager Christ naar Australië was geëmigreerd. Naar neef Kleine Janus, die in datzelfde jaar met een club jazzmuzikanten naar Parijs was gevlucht. En hij praatte veel, met zijn duiven vanzelf, en met zijn jongste neef Bert, radicale snotneus met een hoop nieuwe sociale academie-ideeën waar ome Jan gretig naar luisterde.
Deel 2 van De familie Avenier heet De ontdekking van de ziel. Op een naïeve, zondagsschilderige, nostalgische manier is dat eigenlijk wel een heel zachte, zoete titel. In deel 1 was het nog De ontdekking van de wereld, vooral de wereld van ná de Tweede Wereldoorlog, de ontdekking van de rauwe werkelijkheid van de wederopbouw. Nu lijkt iedereen een soort van rijk geworden. Janus’ handel in huishoudelijke apparaten heet nu een ‘witgoedketen’, met de vestigingen Modern 1 en Modern 2 (Modern 3 lijkt in de maak). De voormalige kroeg van Christ draait redelijk onder diens zoon Theo. Christ zelf en zijn vrouw Pieternel zijn na dertien jaar emigratie terug in Nederland en zijn filiaalhouders in de zaak van Janus. Alleen Jan is nu zo dood als een pier. Hij heeft weinig van de nieuwe dingen kunnen profiteren. En hij wilde dat ook eigenlijk helemaal niet.

In vergelijking tot deel 1 slaat Maria Goos in dit tweede deel van haar familiekroniek een rustiger toon aan. De opgetrommelde familie wordt door de opgebaarde Jan aanvankelijk tot matigheid gedwongen. Maar Goos zou Goos niet zijn als ze niet een enerverende stoorzender zou weten te introduceren. Dat is de verloren zoon Henk, broer van Jan, Janus en Pieternel, in 1955 in het Verre Indië veroordeeld wegens seksueel misbruik van een minderjarig inlands meisje, in het eerste deel uitgebreid over de tong gegaan. Henk Avenier keert in deel 2 glorieus terug op het Hollandse nest. Henk wordt gespeeld door dezelfde acteur die in deel 1 kruidenier Jan speelde: Peter Blok. Hij zorgt voor ontploffingen. Enige bescheidenheid zou hem passen – hij liet destijds zijn liefje Toos bungelen. Niks bescheidenheid hier: Henk is een vos die misschien een paar – niet eens zo veel – van zijn haren in Indië heeft gelaten, maar zeker niet zijn streken. Zijn enerverende optreden zorgt (letterlijk) voor veel opwinding en een paar geweldige scènes. Wat schrijver Goos en regisseur Spijkers bewerkstelligen is opnieuw een orkaan van herkenning: afgedwongen verzamelingen familieleden rondom een dooie, dat is vragen om zwaar weer en veel onoplosbare emotionele aberraties. Die worden knap uitgespeeld. Hulde in dit deel voor Marisa van Eyle als de weduwe Rita. Ze zit daar naast die kist en praat tegen haar overleden man, en over hem heen en langs hem heen en tegen anderen – volkomen onverstoorbaar, met zoveel humor en zoveel verdriet dat ik moest denken aan de prachtige aanwijzing van de Russische regisseur Pjotr Sjarov als-ie hier in Nederland Tsjechov regisseerde: Lacht! Aber weint!

Vlak voor het deksel over de kist van Jan wordt geschroefd, houdt zwager Christ (Gijs Scholten van Aschat) een rouwtoespraak. Die kan in de boeken. Een monument voor de onhandigheid van rouwtoespraken. Toen-ie het gesloten deksel met zijn nonchalant om de schouder gehangen theedoek liefdevol afveegde alsof-ie de toog van zijn kroeg schoonmaakte, moest ik heel erg iets wegslikken. Ze hadden het mooiste voor het laatst bewaard. Terwijl zijn kist wordt weggedragen, kletst dooie Oom Jan nog wat met lievelingsneef Bert, een hippie, die net uit Kralingen komt, het Woodstock van de Lage Landen. Bert: ‘Ome Jan? Waarom is er niemand gelukkig hier?’ Jan: ‘Dat komt omdat de mensen altijd bang zijn van de tijd waarin ze leven. En als het dan voorbij is en het is goed gegaan, dan kijken ze er anders naar terug, zonder angst. Dan zeggen ze: toen was het leuk. Maar ze vergeten dat het pas leuk werd achteraf. Toen het een verhaal was.’

In maart 2008 volgen deel 3 en 4.

De familie Avenier 1 en 2_, het Toneel Speelt, tournee tot en met 6 mei; www.hettoneelspeelt.nl_