De diepgewortelde vrees voor populisme

Bang voor de gewone man?

Democratieën zijn beter bestand tegen charismatische strongmen als Orbán, Trump en Bolsonaro dan we denken – of vrezen. Misschien moeten we meer aandacht hebben voor elites die de ontmanteling van de democratie door autoritaire leiders faciliteren.

De wereldwijde opmars van het populisme vormt een van de grootste bedreigingen voor de democratie. Dat is alleszins de stelling van opiniemakers zoals de Duits-Amerikaanse politicoloog Yascha Mounk, die in zijn bestseller The People vs. Democracy beschrijft hoe politici als Donald Trump, Viktor Orbán en Jair Bolsonaro eenvoudige oplossingen aandragen voor complexe problemen, minderheden tot zondebok maken en leugens verspreiden over hun politieke tegenstanders. Zo verleiden ze de goedgelovige kiezers om voor hen te stemmen, om vervolgens de democratie te ontmantelen door hun tegenstanders het zwijgen op te leggen en de rechtsstaat te ondermijnen.

‘Voor een groot deel van de afgelopen eeuw was de liberale democratie het dominante politieke systeem in een goed stuk van de wereld’, besluit Mounk. ‘Dat tijdperk loopt nu mogelijk ten einde.’

Met die waarschuwing plaatst Mounk zich in een lange traditie. Het idee dat de democratie bedreigd wordt door charismatische leiders en hun greep op goedgelovige massa’s heeft de diepe wortels in het westerse politieke denken; je zou zelfs kunnen stellen dat de angst voor het populisme dateert van vóór de komst van de democratie zelf. Tegelijkertijd toont de geschiedenis ook aan dat er redenen zijn om te twijfelen aan het nut van het populisme als frame om de crisis van de democratie te begrijpen. De angst voor het populisme verdoezelt meer dan dat ze onthult over de bedreigingen voor de democratie, zowel in het verleden als vandaag. Bovendien leidt dit onze aandacht af van andere en niet minder problematische politieke ontwikkelingen, zoals groeiende xenofobie en racisme in Europa.

—————

De term ‘populisme’ is van vrij recente datum. Maar de bezorgdheid die met dit concept wordt uitgedrukt, is behoorlijk oud. In de afgelopen 250 jaar hebben politieke denkers onophoudelijk gewaarschuwd voor charismatische leiders die door hun greep op de massa politieke macht naar zichzelf toe trekken. Door de eeuwen heen zijn verschillende woorden gebruikt om dit fenomeen aan te duiden. Politieke denkers hadden het over demagogen, over cesarisme of bonapartisme. Maar de onderliggende analyse bleef min of meer dezelfde: de opkomst van populistische strongmen is een natuurlijke uitkomst van de democratie. Willen we de democratie doen overleven, dan moet die tegen zichzelf beschermd worden. Dat kan enkel door meer macht te geven aan een elite die de volkswil kan kanaliseren en in goede banen kan leiden.

Angst voor populisme werd oorspronkelijk aangewakkerd door verhalen over de ondergang van de Romeinse Republiek en de rol die Julius Caesar daarbij speelde. Caesar kwam uit een patriciërsfamilie, maar hij begon zijn politieke carrière door zich voor te doen als de kampioen van het Romeinse plebs. Hij verzekerde zich van de steun van de armste Romeinen door hun belangen te verdedigen tegen de senaat – het meest elitaire orgaan in de Romeinse politiek – en door uitbundige spelen en festivals te organiseren. Maar uiteindelijk vergaarde hij zoveel macht dat hij de Republiek ten grave kon dragen. Deze gebeurtenissen, in dramatisch detail naverteld door historici als Plutarchus, hadden een enorme impact op de westerse politieke verbeelding. In de zeventiende en achttiende eeuw kregen de beter opgeleide Europeanen en Amerikanen deze verhalen met de paplepel ingegoten. Als gevolg leerden elites zich zorgen te maken over het populisme nog vóór de komst van de democratie zelf.

De pijnlijke geboorteweeën van de moderne democratie vergrootten die angst voor het populisme nog meer. De eerste poging om in Europa een min of meer democratisch politiek systeem in te voeren – de Franse Revolutie van 1789 – eindigde in de militaire dictatuur van Napoleon Bonaparte. De machtsgreep van Napoleon werd natuurlijk in de eerste plaats mogelijk gemaakt door zijn controle over het leger, maar zijn dictatuur kwam ook tot stand met goedkeuring van het Franse volk (of toch alleszins de Franse mannen). In 1800 organiseerde Lucien Bonaparte, Napoleons jongere broer, een plebisciet om de goedkeuring van de bevolking voor het nieuwe regime te vragen – en kreeg een klinkende meerderheid. Toen Napoleons neef, Louis-Napoleon, er enkele decennia later in slaagde om een tweede bonapartistische dictatuur te vestigen, werd voor velen bevestigd dat democratieën bijzonder vatbaar waren voor de populistische verleiding.

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw leidde de opkomst van communistische en fascistische dictaturen tot hernieuwde bezorgdheid over het populisme. Volgens politieke waarnemers moest de opmars van dictators als Mussolini, Stalin en Hitler worden gezien als de natuurlijke uitkomst van de ‘massademocratie’. De Spaanse filosofieprofessor José Ortega y Gasset bijvoorbeeld beschreef de antidemocratische wending van de jaren twintig en dertig als het resultaat van een transitie naar ‘hyperdemocratie’. De massa weigerde nog langer het leiderschap van de ‘intelligente minderheid’ te erkennen, zo stelde Ortega y Gasset in zijn invloedrijke boek De opstand van de massa. De komst van fascisme en communisme was daar het gevolg van. Het regime van Mussolini was ‘de politieke dominantie van de massa’, van de ‘gewone man’.

Volgens Hillary Clinton is populisme het gevolg van een verlangen ‘om verteld te worden wat je moet doen’

De angst voor populisme is dus diep geworteld in de westerse politieke cultuur. Toch laat de geschiedenis tegelijkertijd ook zien dat populisme eerder kan worden beschouwd als een spookbeeld, een fantoom, dan als een nuttig instrument voor politieke analyse. Democratieën, en in het bijzonder geconsolideerde democratieën (dat wil zeggen, democratische regimes die al langer dan 25 jaar bestaan), zijn beter bestand tegen de populistische verleiding dan meestal wordt geargumenteerd. Bovendien suggereert de geschiedenis ook dat het frame vaak misleidend werkt wanneer het wordt gebruikt om episodes te verklaren waarin de democratie wél ten onder ging.

Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk als we kijken naar de geschiedenis van Frankrijk. Van alle Europese landen is Frankrijk het meest vatbaar gebleken voor de populistische verleiding: het had niet één maar twee plebiscitaire dictators: Napoleon Bonaparte en zijn neef Louis-Napoleon. Maar in beide gevallen kwamen deze dictaturen tot stand in de onmiddellijke nasleep van een revolutionaire opstand tegen de monarchie. Zodra de Franse democratie zich stabiliseerde, werd ze veel beter bestand tegen de aantrekkingskracht van populisten. Zo leek eind jaren 1880 bijvoorbeeld een charismatische militaire leider – generaal Georges Boulanger – opnieuw op het punt te staan zijn persoonlijke populariteit te gebruiken om de Franse democratie omver te werpen. Maar toen Boulangers beweging op de vastberaden weerstand van andere partijen stuitte, deemsterde ze weg. Boulanger zelf vluchtte naar Brussel, waar hij uiteindelijk zelfmoord pleegde.

Decennia later, in de jaren vijftig, werd ook Charles de Gaulle ervan verdacht bonapartistische aspiraties te hebben. Maar toen De Gaulle in 1969 een door hemzelf uitgeschreven referendum verloor, trok hij zich eenvoudigweg terug uit het politieke leven.

De opkomst van dictators als Mussolini en Hitler in het interbellum kan niet alleen of zelfs maar primair worden toegeschreven aan hun populariteit bij de massa, in tegenstelling tot wat intellectuelen als Ortega y Gasset beweerden. Historici als Mark Mazower hebben aangetoond dat conservatieve elites een sleutelrol speelden bij de omverwerping van de democratie in de jaren twintig en dertig. Beducht voor een communistische revolutie zochten die hun heil in de armen van extreem-rechts. De fascistische partij van Mussolini, bijvoorbeeld, haalde in 1921 slechts negentien procent van de stemmen – en dat was als onderdeel van een coalitie met andere nationalistische partijen. Mussolini slaagde er niettemin in om de macht over te nemen in 1922, toen hij werd benoemd als eerste minister, dankzij de steun van de conservatieve elite van Italië, waaronder koning Victor Emmanuel III, die bang was voor de steeds sterker wordende communistische beweging. Evenzo speelden conservatieve politici als rijkspresident Paul von Hindenburg een sleutelrol in de vestiging van de nazi-dictatuur in Duitsland.

—————

Dat brengt ons terug bij het heden. Het succes van politici als de Hongaarse leider Viktor Orbán, Donald Trump en Jair Bolsonaro heeft geleid tot een heropleving van de aloude angst dat demagogen een natuurlijk bijproduct zijn van de democratie.

Volgens Hillary Clinton is populisme het gevolg van een wijdverbreid verlangen ‘om verteld te worden wat je moet doen’. Yascha Mounk is het met haar eens: ‘Kiezers houden er niet van te denken dat de wereld ingewikkeld is’, zo stelt hij. ‘Geconfronteerd met politici die steeds minder in staat lijken te zijn om te besturen in een steeds complexere wereld zijn velen in toenemende mate bereid om te stemmen op iedereen die een eenvoudige oplossing belooft.’

Shawn Rosenberg, een Amerikaanse politicoloog, gaat nog een stap verder. Volgens hem legt het populisme ‘een structurele zwakte’ bloot ‘die inherent is aan democratisch bestuur zelf’. Populisme is een noodzakelijk gevolg van het feit dat de meeste individuen niet in staat zijn ‘om te voldoen aan de eisen van burgerschap in hedendaagse, multiculturele democratieën’.

Berlusconi – de godfather van het Europese populisme – was lang aan de macht. Toch werd Italië geen dictatuur

Er zijn goede redenen om die analyse te verwerpen. In Europa zijn populistische politici erin geslaagd de democratie in zowel Hongarije als Polen te ondermijnen. Maar deze landen – die pas relatief recent de wending naar de democratie hadden gemaakt – lijken de uitzondering op de regel te zijn. In Italië bijvoorbeeld was Silvio Berlusconi – de godfather van het Europese populisme – bijna onafgebroken aan de macht van 2001 tot 2011. Niettemin is Italië geen dictatuur geworden. Toen Berlusconi in 2011 niet in staat bleek om Italië uit een schuldencrisis te loodsen, verloor hij zijn parlementaire meerderheid, wat tot zijn ontslag als eerste minister leidde. Hoewel zijn politieke carrière daarmee nog niet ten einde was, liepen Berlusconi’s veelvuldige pogingen om het politieke leiderschap van Italië te herwinnen op niets uit. Ook in Nederland heeft de kortstondige machtsdeelname van de pvv tijdens het eerste kabinet-Rutte weinig tot geen effect gehad op de werking van onze democratische instellingen.

Aan de overkant van de Atlantische Oceaan lijkt de populistische dreiging op het eerste gezicht groter te zijn. In de Verenigde Staten heeft de verkiezing van Donald Trump niet geresulteerd in de dood van de democratie, zoals velen in 2016 vreesden. Toch is het duidelijk dat Trumps presidentschap enorme schade heeft berokkend aan de Amerikaanse democratie – zijn weigering te erkennen dat hij de verkiezingen van 2020 verloor heeft het vertrouwen in de politieke instellingen duidelijk ondermijnd. Een groot deel van zijn kiezers gelooft nog steeds de door Trump verspreide leugen dat hij en niet Joe Biden de echte winnaar was van de verkiezingen.

Maar het geval Trump illustreert ook hoe verkeerd het is om deze crisis van de Amerikaanse democratie in termen van ‘populisme’ te analyseren. Trump verloor zowel in 2016 als in 2020 de ‘popular vote’, en kwam alleen aan de macht dankzij het Electoral College. Dit instituut werd oorspronkelijk geïntroduceerd door de founders van de Amerikaanse constitutie om demagogen buiten de deur te houden door de invloed van gewone kiezers op de presidentsverkiezingen te verminderen. Meer algemeen hebben de Democraten in zeven van de acht laatste presidentsverkiezingen een meerderheid van de stemmen behaald. Om toch aan de macht te blijven, proberen de Republikeinen nu het stemrecht van bepaalde groepen Amerikanen zo veel mogelijk in te perken, zogenaamd om fraude tegen te gaan. Maar het is duidelijk dat zij vooral groepen kiezers viseren waarvan het waarschijnlijk is dat die voor de Democraten stemmen, zoals mensen van kleur. De meeste waarnemers zijn het er daarom over eens dat de democratie in de VS vandaag vooral wordt bedreigd door de elementen ín het politieke systeem die disproportionele macht geven aan een minderheid van veelal rurale kiezers.

In Brazilië kwam Jair Bolsonaro wel degelijk aan de macht met een klinkende verkiezingsoverwinning: hij behaalde 55 procent van de stemmen, tegenover 44,8 procent voor zijn rivaal. Maar dat gebeurde nadat zijn voornaamste politieke tegenstanders uit de weg waren geruimd via een activistische rechterlijke macht. In 2014 raakte Sergio Moro, toen een rechter in Parana, betrokken bij een grootschalig onderzoek naar politieke corruptie, genaamd operatie ‘Lava Jato’, of ‘Car Wash’. De operatie leidde tot de arrestatie van tientallen politici, onder wie ook Lula da Silva, de uiterst populaire voormalige president van Brazilië, die daardoor niet kon meedoen met de verkiezingen van 2018. Ondertussen is duidelijk geworden dat Moro vanaf het begin een politieke agenda had. Na de verkiezing van Bolsonaro trad Moro zelfs aan als diens minister van Justitie – een post die hij ondertussen heeft verlaten uit onvrede met Bolsonaro’s coronapolitiek en dalende populariteit.

—————

Kortom, het idee dat de democratie bedreigd wordt door een wereldwijde opkomst van populistische politici verdoezelt meer dan het onthult. Zowel het verleden als het heden van de democratie suggereert in de eerste plaats dat geconsolideerde democratieën, zoals het Frankrijk van 1969, of het Italië van 2011, beter bestand zijn tegen de verleiding van charismatische leiders dan vaak wordt gedacht. Ten tweede heeft het succes van zogenaamd populistische leiders in veel gevallen evenveel of zelfs meer te maken met strategische steun vanuit de elite – zoals Bolsonaro die kreeg vanuit de rechterlijke macht – dan met hun charismatische greep op de massa. Als we onze democratieën willen verdedigen tegen strongmen moeten we ons met andere woorden misschien minder druk maken over de gevaren van referenda, en meer aandacht hebben voor elites die de ontmanteling van de democratie door autoritaire leiders faciliteren.

Maar het populisme-debat leidt er niet alleen toe dat we de gevaren die onze democratieën bedreigen verkeerd inschatten. Het spookbeeld van het populisme leidt evengoed de aandacht af van andere problematische politieke ontwikkelingen in Europa: de opkomst van xenofobie en racisme. De pvv bijvoorbeeld vormt misschien geen bedreiging voor de Nederlandse democratie – Wilders lijkt geen ambitie te hebben om de nieuwe Orbán te worden. Maar het bestaan van deze partij heeft wel degelijk een grote impact gehad op het beleid, omdat meer traditionele partijen veel van Wilders’ standpunten hebben overgenomen, in het bijzonder waar het gaat om migratie en de EU. Dat werd opnieuw duidelijk toen vvd-leider Mark Rutte zich bij de afgelopen verkiezingen profileerde met zijn harde anti-vluchtelingenpolitiek.

Ook in andere Europese landen heeft de opkomst van partijen als Vlaams Belang en de fpö tot een verschuiving naar rechts geleid op sociaal-culturele thema’s. En dat kost letterlijk mensenlevens. Elke dag sterven er zes vluchtelingen bij een poging om via de zee Europa te bereiken – voor een groot deel ten gevolge van de steeds harder wordende anti-migrantenpolitiek.

Deze ontwikkelingen raken echter ondergesneeuwd. Door te focussen op de vraag of Geert Wilders de nieuwe Mussolini is, doen we onze ogen dicht voor de islamofobie die deze partij salonfähig heeft gemaakt. Sterker nog: door politici zoals Wilders als ‘populisten’ te omschrijven dreigen we hun invloed alleen nog groter te maken. In Nederland bijvoorbeeld, zo blijkt uit onderzoek van Léonie de Jonge, zijn journalisten er sinds de opkomst van Pim Fortuyn van overtuigd dat zij veel te lang opgesloten zaten in hun eigen bastion en daardoor niet genoeg aandacht besteedden aan de angsten en zorgen van ‘het gewone volk’. Als gevolg daarvan zijn de media buitenproportioneel veel spreektijd gaan geven aan radicaal-rechtse partijen, ervan uitgaande dat die partijen meer dan de zogenaamde mainstream de zorgen van ‘gewone mensen’ vertolken. Maar dat idee klopt simpelweg niet. Bij de afgelopen verkiezingen behaalde radicaal-rechts weliswaar een recordaantal zetels – 28, zeven zetels meer dan in 2017 – maar die zetels representeren maar achttien procent van de kiezers, wat dus wil zeggen dat de overweldigende meerderheid van de Nederlandse bevolking niet kiest voor radicaal-rechts.

Uit onderzoek van Pew Research blijkt bovendien dat Europese populistische partijen ‘broadly disliked’ zijn in vergelijking met mainstream-partijen. In Duitsland bijvoorbeeld heeft 83 procent van de kiezers een hekel aan de AfD. Van de Nederlandse kiezers heeft 67 procent een negatief beeld van de pvv.

Tijd dus om het concept ‘populisme’ te begraven. Woorden zijn belangrijk in het politieke bedrijf – zij sturen ons denken en dus ook ons handelen. Maar het begrip populisme brengt ons vooral op een dwaalspoor.