Suriname gaat naar de stembus

Bang voor de krokodil

Eind mei gaat Suriname naar de stembus. Jagernath Lachmon, de 83-jarige nestor van de Surinaamse politiek, staat pal voor verbroedering. Uit lijfsbehoud.

PARAMARIBO — Jagernath betekent ‘heer der aarde’. Hij heeft grote creoolse opponenten als Ferrier, Pengel, Sedney en Arron overleefd, die of al dood zijn of in de vergetelheid zijn geraakt. Met een beetje geluk overleeft hij politiek ook Bouterse. Hij staat vermeld in het Guinness Book of Records als politicus met de langste zittingsduur in een parlement. Vijftig jaar heeft hij erop zitten als parlementariër en deze week is hij zestig jaar advocaat. ‘Ook dat is nooit ergens ter wereld voorgekomen’, weet zijn vrouw te melden.


Het lichaam wil niet meer zo, maar zijn gepolijste stem verraadt een nog glasheldere geest. Is hij van plan in het harnas te sterven? ‘Ik hoop van wel. Ik sterf liever niet in bed’, antwoordt hij in zijn al decennia niet meer verbouwde advocatenpraktijk, gelegen in een monumentale straat die vernoemd is naar zijn leermeester J.C. de Miranda.


‘Momenteel moet ik knokken om mijn verbroederingspolitiek te redden’, zegt hij onverdroten. Zijn creoolse partners van de NPS en de SPA in het politieke samenwerkingsverband Nieuw-Front moeten ‘koste wat het kost te vriend worden gehouden’. Ondertussen liggen er in zijn eigen VHP ‘een hoop haviken’ op de loer. De 83-jarige nestor van de Surinaamse politiek is zo druk als een spin die poten te kort komt om zijn web heel te houden.


Zijn VHP scheurde in 1996 uiteen, toen ‘jongeren’ overliepen om samen met de NDP van Bouterse een regering te vormen. Dat is symptomatisch voor het proces van politieke verbrokkeling waarin Suriname verkeert. Maar liefst 30 fracties bezetten de 51 parlementszetels. Opmerkelijk is dat het vooral om etnisch getinte splinterpartijen gaat. Suriname neigt naar alles behalve de door Lachmon heilig verklaarde verbroederingspolitiek. Ook het machtige NDP ging verleden week doormidden, toen president Wijdenbosch definitief afstand nam van zijn mannetjesmaker Bouterse. Maar in deze laatste splitsing ziet Lachmon wel een voordeel. ‘Het betekent zeer zeker nog meer versplintering, maar dit keer ten goede van de democratie. Het is goed dat mensen inzien dat de NDP niet op democratische leest geschoeid is.’



JAGERNATH LACHMON werd in het rijstdistrict Nickerie geboren als jongste telg van contractarbeiders uit Brits-Indië, die rond de eeuwwisseling in Suriname aankwamen. Moeder was als orthodox-hindoe niet naar school gegaan, want haar geloof verbood onderwijs voor meisjes. ‘Maar ze was een wijze vrouw. ‘ “Als je in het water leeft”, leerde ze me, “moet je niet in vijandschap staan met de krokodil.” Dat is voor mij altijd een uitgangspunt geweest bij de verbroederingspolitiek.’ Het zegt veel van het onderlinge wantrouwen dat Suriname kenmerkt: geen verbroedering uit ideologische overwegingen, maar uit lijfsbehoud.


Op dertienjarige leeftijd werd hij naar school in Paramaribo gestuurd. Na de mulo ging hij in de leer bij de vooraanstaande creoolse jurist De Miranda. ‘Ik was de eerste hindoestaan die de moed had rechten te gaan studeren. Terwijl anderen mij vanwege mijn afkomst niet wilden opleiden, heeft De Miranda mij als jurist gevormd en groot gemaakt. Ook zijn houding heeft mij menigmaal geïnspireerd bij de verbroederingspolitiek’, klinkt het toch nog enigszins ideologisch.


In Paramaribo vielen de schellen van zijn ogen en zag hij de schrijnende achterstelling van de districtsmensen. In 1943 richtte hij met ‘elitehindoestanen’ de vereniging Djagaran — ontwaakt! — op. ‘De mensen moesten uit hun slaap worden gehaald en inzien dat niet alleen het district Nickerie, maar het totale Suriname van hen is. Ook hún kinderen moesten onderwijzers en doktoren worden en de handel ingaan.’


In 1946, tijdens de aanloop naar autonomie van de kolonie, werd samen met nakomelingen van Javaanse contractarbeiders de Javaans-hindoestaanse Centrale Raad opgericht, als tegenwicht van de Unie Suriname van het creoolse establishment. ‘We wilden aantonen dat we werden uitgesloten. Het was in een tijd dat bevolkingsgroepen zeer verwijderd van elkaar leefden.’


Lachmon was daarom ook een grote voorvechter van het algemeen kiesrecht. ‘Toen koningin Wilhelmina vanuit Londen had verklaard dat de koloniën na de bevrijding autonomie zouden krijgen en Indonesië zichzelf onafhankelijk maakte, klonk hier luid de roep “Baas in eigen huis”. Het betekende niets anders dan dat een nieuwe elitegroep zou opstaan. We waren niet alleen bang voor een onderdrukking van elitecreolen maar ook van elitehindoestanen. Het volk móest dus zeggenschap krijgen, want als iemand eenmaal de macht in handen heeft, geeft hij die moeilijk prijs.’


Geldt dat ook niet voor hemzelf? Lachmon predikt altijd dat jongeren binnen de VHP de ruimte moeten krijgen, maar zijn hoogbejaarde leeftijd en het feit dat hij sedert de oprichting van de VHP op de voorzittersstoel zit, maken van deze bewering een regelrechte leugen. Hier rijst de vraag of dat ook niet de afsplitsing van zijn partij in de hand heeft gewerkt. ‘Nee’, klinkt het stellig en koppig tegelijk. ‘De jongeren die zich hebben afgesplitst, hadden verlangens waaraan ik niet wilde voldoen; en dat was snel rijk worden. Daarvoor laat ik mij niet gebruiken. Ik heb altijd gezegd dat ik bereid ben af te treden, maar als de mensen dat niet willen, dan kan ik niet tegen hun zin weggaan. Zolang er een charismatische figuur is, denkt men niet verder. Een hindoestaans gezegde luidt: “Als de grote boom eenmaal is omgevallen, groeien de kleinere vanzelf.” ’


Meer dan eens zat de Verenigde Hindoestaanse Partij in de coalitie, toch werd Lachmon nooit premier of president. En creoolse bondgenoten droegen de formele verantwoordelijkheid voor de gezamenlijk gemaakte puinhoop. Op dit punt lijkt hij zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Lachmon: ‘Het is geen kwestie van verantwoordelijkheid ontlopen, want mijn achterban neemt het me zelfs kwalijk. Maar ik kon als parlementariër en partijvoorzitter veel meer doen voor de verbroederingspolitiek. Ik heb veel meer aan rust in het land dan op de presidentsstoel te gaan zitten.’


In de naoorlogse periode ontstonden allerlei etnische partijen. Maar toen de VHP werd opgericht, kreeg alleen Lachmon het predikaat ‘racist’ opgeplakt. ‘Maar iedereen was racist op dat moment, laten we elkaar niet voor de gek houden’, zegt hij onomwonden. ‘Ongewild hoor; de samenstelling van de bevolking bracht dat met zich mee.’


Tijdens de campagne van eerste algemene verkiezingen van 30 mei 1949 had de VHP het extra moeilijk. Met ezelkarren, fietsend of te voet ging men de boer op omdat de wegen in de districten onbegaanbaar waren voor auto’s. ‘Bovendien moesten we de mensen leren stemmen, en er waren heel wat ongeletterden.’ De creoolse NPS behaalde onder meer tien zetels in Paramaribo, de VHP zes zetels en de Javaanse KTPI twee. De PSV van de blanke pater Weidmann — nota bena de grondlegger van de vakbeweging — bleef met lege handen: etniciteit ging ook boven geloof.


De creoolse NPS vormde uiteindelijk met dertien van de 21 zetels in haar eentje de allereerste regering, waardoor het College van Algemeen Bestuur (CAB) werd betiteld als het ‘Creoolse Autonome Bestuur’. Pas later vond Lachmon een bondgenoot en een ‘lotgenoot’ in de donkergekleurde Johan — ‘Jopie’ — Pengel die binnen de NPS niet voor vol werd aangezien door de lichtgekleurde elitecreolen. ‘Jopie was een volksjongen en ik een polderjongen, daardoor hadden wij de meeste kiezers achter ons’, verhaalt Lachmon. ‘Samen gaven wij gestalte aan de verbroederingspolitiek. Dat hield in dat onze partijen zelfstandig de verkiezingen ingingen maar na de uitslag brachten we gezamenlijk de mensen aan hun verstand dat ze, hoewel ze etnisch hadden gestemd, toch met elkaar moesten samenleven. Het heeft veel moeite gekost het segmentarische denken weg te krijgen. Het bestaat nog, maar het slijt. Ons uitgangspunt was dat je de mensen niet kon dwingen tot verbroedering, maar dat je gunstige omstandigheden moest scheppen.’



DE POLITIEK VAN verbroedering keerde zich aanvankelijk tegen hen. Pengel werd verweten dat hij de creolen ‘aan de hindoestanen verkocht’ en Lachmon kreeg het verwijt vice versa. Elitecreolen stapten massaal uit de NPS en vormden tijdens de verkiezingen van 1955 met andere partijen het Eenheidsfront. Met succes. De NPS verloor alle zetels in Paramaribo. Wat restte waren slechts twee districtszetels, waardoor zelfs Pengel — vanwege het personenstelsel — het parlement niet haalde. De VHP behield wel haar zes zetels, maar Lachmon speelde hoog spel tegenover zijn achterban en trok een eigen kandidaat terug ten behoeve van Pengel. ‘Ik kon evengoed met die andere heren gaan samenwerken, maar Pengel en ik hadden besloten de verbroederingsstrijd niet op te geven.’ Het betekende evenwel dat voor die zetel opnieuw moest worden gestemd. Hoewel het Eenheidsfront een vooraanstaande hindoe als tegenkandidaat naar voren schoof, won Pengel met overgrote meerderheid. Een overwinningskaravaan van hindoestanen en creolen trok gebroederlijk en feestend naar Paramaribo.


Samen voerden Lachmon en Pengel een ‘pittige’ oppositie en brachten zelfs — met steun van coalitieleden — de regering na drie jaar ten val omtrent een visserijkwestie. De motie van wantrouwen moest een verrassingsaanval worden. Lachmon: ‘Maar Jopie kon het niet geheim houden en heeft de gedenkwaardige woorden gesproken: “Meneer de voorzitter, aleer de haan drie keer heeft gekraaid, zal de meerderheid minderheid zijn geworden en de minderheid meerderheid.” En aldus geschiedde. Toen heeft premier Ferrier gezegd: “Voorzitter, nu ik me niet meer kan beroepen op een meerderheid zal ik morgen mijn mandaat teruggeven.”’


Pas bij de daaropvolgende vervroegde verkiezingen verloor Lachmon twee zetels aan een nieuw opgerichte hindoestaanse partij, want niet iedereen kon het hem vergeven dat hij bij de vorige keer ‘zomaar’ een zuurverdiende zetel aan een creool had weggegeven. Toen was het aan Pengel — die dit keer fors won — het aangezicht van de verbroederingspolitiek te redden: de VHP kreeg in zijn kabinet twee ministeries en het vice-premierschap. ‘Dat was politiek op niveau’, verzucht Lachmon. ‘Nu is het een geharrewar van corruptie en overloperij. In 1996 hadden we de meerderheid maar mijn mensen en die van de NPS zijn omgekocht, waardoor Wijdenbosch in de tweede ronde tot president kon worden gekozen.’ Hij geeft toe dat de corruptie niet tijdig is afgeremd door de ‘oude politiek’, waarvan hij deel uitmaakt. ‘We hebben het wel geprobeerd, maar bepaalde dingen in het leven laten zich moeilijk sturen. Op het ogenblijk speelt vooral de verarming van het volk een rol; men is nu gevoeliger voor omkoperij dan ooit. Het zal veel moeite kosten om weer in het gareel te komen.’ Van ander falen van de oude politiek wil hij echter niet weten. ‘We waren democratisch goed op weg, maar de militairen hebben ons in 1980 onderbroken. Als wij terugkomen in het machtscentrum, zullen we de draad weer oppakken en het volk inspireren om goede intenties in daden om te zetten. Maar als deze heren opnieuw de komende verkiezingen van 25 mei winnen, dan gaat de democratie in Suriname wederom ter ziele.’



LACHMON WAS mordicus tegen de onafhankelijkheid van 1975. Het had er veel van weg dat hij zich liet leiden door moeders ingegeven angst voor de krokodil. ‘Ik was niet om die reden tegen de onafhankelijkheid’, verweert hij zich. ‘Ik vond dat Nederland niet zo happig mocht zijn op de verklaring van Henck Arron in 1973 dat Suriname binnen twee jaar onafhankelijk zou zijn. Terwijl het volk zijn mening niet had gegeven, er geen natievorming was en evenmin economische weerbaarheid. Ik wantrouwde het dat Nederland ons onder die omstandigheden onafhankelijk wilde maken, terwijl andere landen moesten vechten voor hun onafhankelijkheid. Het was gewoon onderdeel van het verkiezingsprogramma van de PvdA, Keerpunt 73, waarin werd gesteld dat de koloniën onafhankelijkheid zouden verkrijgen. De PvdA heeft handig gebruikgemaakt van die kleine onafhankelijkheidsbeweging in Suriname, waaronder de PNR van Arron. Tegen Nederland zei ik: “Houd een referendum; als veertig procent ja zegt, dan heeft u tenminste een basis.” Maar er is niet naar mij geluisterd.’


Toen de verhitte discussie steeds meer trekken kreeg van ‘een strijd tussen creool en hindoestaan’, nam de VHP uiteindelijk genoegen met het indienen van amendementen voor de Grondwet. Zo mocht het leger ‘niet uit één ras’ bestaan. Zijn ‘vrees voor broedermoorden’ is toch uitgekomen, zij het op andere wijze. Na de coup van 1980 waren de mensen blij, maar de militairen zijn zelf gaan besturen, waardoor de totale economie teniet werd gedaan en de samenleving kapotgemaakt. We zijn in dialoog getreden met de militairen om verder bloedvergieten te voorkomen. Er is gezamenlijk een grondwet gemaakt en in 1987 heeft het volk de militairen massaal weggestemd.’


De inderhaast in elkaar geflanste grondwet — die geit en kool moest sparen — rammelt nu aan alle kanten, en de ironie wil dat hij de huidige door ex-dictator Bouterse gesmede regering in de kaart speelt. De Frontpartijen, die in 1987 een ruime tweederde meerderheid behaalden, wordt verweten het politieke lef niet te hebben gehad alsnog een goed doortimmerde grondwet te maken. Lachmon: ‘We hebben er wel degelijk een commissie op gezet, maar we hadden andere prioriteiten, zoals het leger terugdringen in de kazerne en het uitvoeren van een structureel aanpassingsprogramma. Ik geef toe dat we ietwat overmoedig waren en dachten dat we die vijf jaren wel zouden uitzitten.’ Het mocht niet zo zijn. In 1990 stuurden de militairen de burgerregering per telefoon naar huis. Toen de militairen achttien maanden na de ‘ telefooncoup’ weer opstapten, waren de honderdvijftig miljoen aan ‘moeizaam opgebouwde’ reserves op.



OOIT KOCHT Lachmon een brug van Nederland voor het symbolische bedrag van één gulden om de districten Coronie en Nickerie te ontsluiten. De brug bleek echter te kort en de opslag kostte miljoenen. ‘De luchtbrug van Lachmon’, hoonde Bouterse tijdens een massabijeenkomst. Het zijn uitgerekend exponenten van het militaire regime die nu twee prestigieuze bruggen, met een totale lengte van drie kilometer, hebben voltooid, waardoor Suriname fysiek eindelijk een eenheid is. De bruggen vormen de grootste troef van het nieuwe DNP (Democratisch Nationaal Platform) 2000 van Wijdenbosch én de NDP van Bouterse voor de komende verkiezingen.


De brug over de Coppenamerivier vindt Lachmon nog wel verantwoord, maar niet de hoofdstedelijke brug over de Surinamerivier die tot Babylonische hoogte reikt. Zou Lachmon zich desondanks gestreeld voelen als — vanwege zijn lange staat van dienst — de laatste brug naar hem wordt vernoemd? ‘Ik zou niet willen. Die brug heeft het volk te veel pijn gedaan. Deviezen die hard nodig waren zijn erin gestoken, waardoor de koers en de kosten voor levensonderhoud torenhoog zijn.’


Lachmon heeft niet voor niets gestreden. VHP staat inmiddels voor Vooruitstrevende Hervormingspartij. De achterban is goeddeels wakker en heeft de creolen maatschappelijk aan alle kanten voorbijgestreefd. Het land daarentegen is nog steeds niet volwassen geworden. Is er iets wat Lachmon anders zou doen als hij daarvoor opnieuw de kans kreeg? ‘Nee, beslist niet. Jopie en ik hebben totale emancipatie gebracht voor het volk. En ik ben er trots op dat ik dat voor mijn land heb kunnen doen.’