Debat over geweld in de openbare ruimte

Bang voor het donker

Geweld in de openbare ruimte kenmerkt de tijdgeest. Maar in Nederland blijkt onveiligheid vooral een product van de verbeelding: misleidende misdaadcijfers, mediahypes en de invloed van het globale collectieve bewustzijn. Een debat tussen een cultuurfilosoof, een rechtswetenschapper en een mediasocioloog.

Donderdag 5 december, 13.00 uur. Het Journaal opent met een afrekening in het criminele circuit: in Amsterdam wordt een man op klaarlichte dag neergeschoten. Bange gezichten in Buitenveldert. Het slachtoffer blijkt een bekende te zijn geweest van de twee jaar geleden geliquideerde onderwereldfiguur Sam Klepper. Vervolgens een bericht over een van moord verdachte man die per vergissing vrijgelaten werd uit de gevangenis in Vught. De persofficier: «De man is vuurwapengevaarlijk.» Ter afsluiting uit Boedapest het bericht dat de vestiging van Ikea aldaar het doel is geweest van dezelfde bomdreigementen die in Nederland grote onrust hebben gezaaid onder de bevolking. Het item vervolgt met beelden van Ikea’s in Nederland, waar het enthousiast winkelend publiek zegt zich geen zorgen te maken over de kans te worden opgeblazen door een bom van een terrorist of een afperser.

Geen zorgen? Sinds enkele jaren is Nederland in de greep van de angst. In een peiling van de Universiteit van Amsterdam en het Nipo scoort «criminaliteit en onveiligheid bestrijden» verreweg het hoogst als het gaat om onderwerpen die kiezers belangrijk vinden. Het onderwerp «opkomen voor sociaal zwakkeren» staat laag op de lijst, evenals het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en de werkgelegenheid. Nederland toont zich onzeker, als een kind dat bang is voor het donker. Het politieke debat van de laatste maanden maakt duidelijk dat het land in de ogen van de burgers in snel tempo verwordt tot een misdaadnest. Hoe meer burgemeesters en politiecommissarissen proberen uit te leggen dat men nergens ter wereld veiliger is dan in Nederland, des te harder roepen politici, media en maatschappelijke pressiegroepen om veiligheidscamera’s, preventief fouilleren en vooral «meer blauw op straat». In Rotterdam oogst burgemeester Ivo Opstelten groot succes door in Amerikaanse stijl — en vooral voor de draaiende nationale nieuwscamera’s — het evangelie van de zero-tolerantie te prediken. Ter ondersteuning van deze missie vindt Opstelten tevens dat de privacywetten dienen te worden versoepeld. Zodoende kunnen meer mensen worden opgepakt. Een cellentekort? Opstelten: «Een drijvende gevangenis in de omgeving van Rotterdam moet niet moeilijk zijn.»

Hoe komt het dat keiharde crime fighters als Opstelten op zoveel instemming kunnen rekenen? Waarom overheersen onveiligheid en geweld in de openbare ruimte het nationale discours? De Utrechtsestraat in Amsterdam, waar drie denkers zich verzamelen om deze vragen te beantwoorden, compliceert alleen maar de kwestie «Nederland, misdaadland». De straat in hartje Amsterdam is een oase van kleinburgerlijke rust: spelende kinderen, grote familie wagens van het merk Jeep of Opel, vriendelijke bakkers, slagers en schoenmakers, zelfs de bedelaars zijn op hilarische wijze beschaafd. Sinten en pieten sjokken naar hun bestemming.

In een journalistenkantoor met uitzicht op een school, de Nederlandse Bank en het Rijksmuseum staan marsepein en speculaas klaar op tafel. Hier schuiven aan: René Boomkens, cultuurfilosoof en auteur van het boek De angstmachine, Peter Vasterman, mediasocioloog en deskundige op het gebied van hypes, en de van oorsprong Duitse juriste Margreth Egelkamp, die onlangs aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde met het proefschrift Inflatie van geweld?

Egelkamp concludeert dat het denken over geweld is veranderd en dat de ernst van geweldscriminaliteit in Nederland wordt overschat. Wat vijftien jaar geleden nog als een lichte overtreding werd gezien, geldt nu als zwaar misdrijf. Volgens Egelkamp is er sprake van «inflatie van het begrip ‹geweld›». Ze zegt: «Als gevolg van alle maatschappelijke verontrusting en aandacht voor geweld zijn we in een spiraal terechtgekomen waarin het beeld van voortdurend toenemende geweldscriminaliteit conceptueel en cijfermatig wordt geproduceerd en gereproduceerd. De verschuiving van de definities van geweld vindt niet alleen bij de burger plaats, maar ook bij de politie en binnen het Openbaar Ministerie. Een duw tegen de borst levert bijvoorbeeld geen letsel op, maar sinds de jaren negentig valt dat onder mishandeling. Mensen doen daar steeds vaker aangifte van; de politie maakt proces-verbaal op, en het OM seponeert de zaak waarschijnlijk niet. Het beleid binnen het OM is dat geweldsmisdrijven moeten worden aangepakt, meer dan bijvoorbeeld fietsdiefstal of vermogensdelicten.»

Terug naar eerder op de dag, naar het sinterklaasdagjournaal van 13.00 uur. Peter Vasterman: «Dat is hoe het nieuws werkt, dat is de kern van het verhaal. Als er een schokkende gebeurtenis plaatsvindt, krijg je altijd een golf van nieuws dat daarbij aansluit. De media verlagen de drempels voor al het nieuws dat maar enigszins te maken heeft met de oorspronkelijke gebeurtenis. Zo kan het dagenlang doorgaan. Alles rond Ikea zal de komende weken nieuws zijn. Uit onderzoek is gebleken dat de media meer voorvallen van zinloos geweld melden na veelbesproken incidenten als de Tjoelker-affaire. Als dat na drie weken wegebt, kunnen precies dezelfde schokkende gebeurtenissen plaatsvinden, alleen trekken zij geen aandacht van de media. Wat recent in Venlo gebeurde, is dus geen uitzondering. Dat liep alleen per ongeluk slecht af.»

René Boomkens: «Je ziet dat men in het geval van Venlo meteen verwees naar Meindert Tjoelker, zonder dat iemand zich afvroeg wanneer dat ook al weer plaatsvond. Dat was bijna tien jaar geleden.»

Vasterman: «Het gaat om het plakken van een etiket op een incident, waardoor alles op zijn plaats valt. Wordt dat etiket niet geplakt, of is er een discussie over motieven, dan bestaat de kans dat de media het niet oppakken. Vaak betreft het dan allochtonenslachtoffers. Nabestaanden van dit soort slachtoffers tonen zich erg boos. Volgens hen gaat het ook in hun geval om zinloos geweld. Maar in de media blijft het dan stil. Dat is heel raar. De journalistiek is sterk zelfreferentieel. Er is een enorme druk om nieuwsagenda’s te volgen.»

Boomkens: «Ik heb niet het idee dat Nederland in de laatste jaren een geweldsspiraal beleeft. Wel is het land veranderd. Sinds de jaren tachtig is het een veel opener, internationalere samenleving geworden dan het betrekkelijk gesloten land van de jaren vijftig. In de alledaagse beleving zijn er nieuwe dingen: het drugsvraagstuk bijvoorbeeld levert meer onrust op dan dertig jaar geleden.»

Margreth Egelkamp: «Het gevoel van onveiligheid is wel degelijk aanwezig bij de mensen, hoewel dat niet samenhangt met een feitelijke stijging van de criminaliteit.»

Maar hebben politici die mensen wijsmaken dat geweld aan het toenemen is — dat het land buitengewoon onveilig aan het worden is — dan geen enkele poot om op te staan?

Egelkamp: «Nee.»

Boomkens: «Binnen kringen van de politie vindt men het niet prettig dat de politiek voortdurend hamert op de onveiligheid. Dat leidt immers tot enorme eisen van buitenaf. Recent zei de Groningse hoofdcommissaris: ‹Groningen en Nederland zijn de veiligste plekken op de wereld — geloof dat nou alsjeblieft!›»

Egelkamp: «Met een beleid van zero-tolerantie los je bovendien heel weinig op. In ieder geval neem je er niet de gevoelens van onveiligheid mee weg bij de burgers. Daar komt nog bij dat de straffen toch al zwaarder zijn geworden als gevolg van druk vanuit de politiek en de maatschappij. Geweld als begrip wordt steeds breder. In 1985 speelde verbaal geweld geen enkele rol. Vandaag de dag is verbaal geweld een nieuwe categorie. En dat draagt bij tot de zogenaamde stijging van geweldpleging in Ne derland. Feit is wel dat we in een maatschappij leven waarin we proberen geweld steeds meer te laten verdwijnen. Op school mogen kinderen bijvoorbeeld niet meer worden geslagen. In principe leven we in Nederland in een veilige omgeving; we worden weinig geconfronteerd met criminaliteit. Daar door verlaagt de drempel van onze definitie van geweld.»

Boomkens: «Het idee van de totale veiligheid is een illusie. We zijn inmiddels zo geborgen en veilig dat het ideaal van de totale veiligheid telkens weer opdoemt. Dat is een rare eis. De totale veiligheid was een ideaal dat eigenlijk het laatst door Stalin werd geformuleerd. Het idee: er bestaat geen prostitutie, geen misdaad…»

Vasterman: «Daar zit ook een tegenstelling: aan de ene kant enorm assertief zijn in onze dagelijkse omgang, aan de andere kant zoeken naar de totale veiligheid. Dat assertieve levert nu juist ongelukken op in het sociaal verkeer.»

Boomkens: «Iedereen eist tegenwoordig erg veel ruimte voor zichzelf op. Mensen zijn snel beledigd als ze gewoon een duw krijgen. De volgende stap is de politieke correctheid die we uit Amerika kennen. Daar mag je al helemaal niets meer zeggen over anderen, want dan betreed je een privé-domein. Op een bepaald moment zijn we helemaal uitgemolken en zitten we allemaal in reservaten van een eigen identiteit. Ik vind dit een uitermate onprettig bijverschijnsel van de geciviliseerde omgang en de poging geweld zoveel mogelijk uit te bannen.»

Het donker waar Nederland bang voor is — een land gedompeld in de totale chaos — zit vooral tussen de oren. De onveiligheid is voor een belangrijk deel een product van de verbeelding. René Boomkens onderzocht een mogelijke samenhang tussen toegenomen aandacht voor geweld en de veronderstelling dat geweld in de samenleving is toegenomen aan de hand van geweldsfilms. Tussen 1955 en 1990 werden daar veel meer van uitgebracht dan tegenwoordig. Door de Vietnamoorlog, die diende als metafoor van de chaos in Amerika, veranderde de aard van de geweldsfilm. In deze films wint de held niet meer altijd, zoals in het werk van Sam Peckinpah, waarin geweld esthetisch verheerlijkt wordt. Ook lopen criminaliteit en ordehandhaving in elkaar over, waarvan de Clint Eastwood-film Dirty Harry een mooi voorbeeld is. Deze dingen leiden ertoe dat men anders tegen geweld is gaan aankijken, stelt Boomkens. In hun verbeeldingswereld vinden mensen geweld steeds acceptabeler. En tekent geweld in de openbare ruimte de moderne tijd.

Door het bestaan van het virtuele landschap van de verbeelding is de moderne stedelijke wereld te beschouwen als «gedelokaliseerd». De stad is aangesloten op een globaal media netwerk dat de collectieve verbeelding dagelijks voedt met informatie en mythen die grotendeels losstaan van de plaatselijke werkelijkheid.

Boomkens: «In de klassieke sociologie wordt de stad voorgesteld als een dartbord, met cirkels die je sociaal-economisch kunt benoemen. De architectuurhistoricus Mike Davis heeft de stad opnieuw ingedeeld in gevoelsgebieden. Die worden sterk ondersteund door de media die dagelijks berichten over bijvoorbeeld het zuiden van de stad waar de zwarten wonen of het oosten waar Spaanstalige Amerikanen wonen. Ze spelen een grote rol in de manier waarop de inwoners gebruik maken van hun eigen stad. In feite wordt er een tweede stad gecreëerd. Zo kan het gebeuren dat een toerist die door het centrum loopt door een taxichauffeur van de straat wordt gehaald omdat hij zich in een levensgevaarlijk gebied zou bevinden.

Tegenwoordig is er een bombardement aan informatie van verschillende aard, fictie, semi-fictie, echte verslaglegging, die het mogelijk maakt verbanden te leggen tussen de aanslagen in New York, de problemen met allochtonen, Marokkaanse jongetjes in Amsterdam en de doodslag in Venlo. De verbeelding is ongrijpbaarder geworden en heeft veel meer lagen gekregen. Nederland is voor zijn eigen verbeelding van hoe het land werkt in hoge mate afhankelijk van de internationale beeldvorming. Hoe we onze stedelijke omgeving ervaren, is niet alleen gebaseerd op berichten die komen van Hart van Nederland, maar ook van Amerikaanse realiteitsseries als 911. De gevoelens van onveiligheid spruiten voort uit het feit dat de samenleving minder voldoet aan het traditionele ideaal van overzichtelijkheid. Nu is de samenleving veel opener. Hier moeten we ons aan aanpassen. Iedereen roept dat allochtonen moeten integreren, maar in zekere zin moeten Nederlanders ook integreren in een veel grotere internationale orde.»

Egelkamp: «Het alledaagse leven is ook niet meer zo gestructureerd en zo strikt gedefinieerd als dertig jaar geleden. Als je niet meer goed weet waar de grenzen liggen en hoe je je moet gedragen in je eigen omgeving, dan komt het tot een gevoel van onzekerheid en onveiligheid.»

De veiligheidsproblematiek staat inmiddels boven aan de politieke agenda. De onderhuidse angsten voor geweld, bedreigingen, terreur en de islam zijn de inzet van de verkiezingsstrijd. Vasterman noemt de reactie van Den Haag op de berichten in de media impulsief. Vaak worden er meteen zeer ingrijpende maatregelen voorgesteld die onuitvoerbaar zijn, vindt hij. Ook Boomkens hekelt het feit dat veiligheid een thema van alle partijen is geworden, inclusief GroenLinks.

De media spelen een grote rol. Vasterman wijst erop dat enquêtes over wat mensen het belangrijkste probleem vinden bijna altijd de nieuwsgolven van de voorgaande weken weerspiegelen. Na de affaire-Tjoelker was dat zinloos geweld, na de IRT-enquête de georganiseerde misdaad, daarvoor het milieu. Nu zijn de islam en allochtonen het belangrijkste issue. De media verzorgen voortdurend updates, ook al hebben ze niets nieuws te melden. Vasterman: «Typisch commerciële televisie: elk half uur willen we weten hoe het is. Er is een eindeloze herhaling waardoor het in de perceptie van mensen een gigantisch onderwerp wordt.»

Boomkens: «Het grappige is dat de media steeds werkelijker worden. Ze komen steeds dichter op de huid van het publiek, maar daar staat tegenover dat het publiek ook steeds vaker in de media voorkomt. Dat is geen morele kritiek, maar ik vind het wel verontrustend dat ongeveer zestig procent van het dagelijkse televisieaanbod bestaat uit een vaag soort realiteitstelevisie die helemaal geen realiteit is, maar die net zo wordt geconsumeerd als Big Brother. De Australische socioloog Michael Humphrey heeft jarenlang onderzoek gedaan naar oorlogsverslaggeving in nieuwsjournaals. In items over de heilige oorlog in Libanon in de jaren zeventig, vond hij, werden behalve de doden en gewonden en de oorlogssituatie ook vertrouwde plekken getoond waarmee je je kunt identificeren: stukken stad die lijken op jouw stad, kerken, moskeeën, winkels. Zo wordt er continuïteit gecreëerd met je eigen bestaan, en daar zitten we allemaal eigenlijk op te wachten. Ons verhaal wordt daar verteld, maar dan wel ver weg in Beiroet, als een detective story die de werkelijkheid weergeeft. Geruststellend, maar tegelijkertijd ook horror.»

Zo krijgt het beeld van een chaotische wereld gestalte. Is dit de beschaving? Wat zeggen de angst voor onveiligheid en de toegenomen gevoeligheid voor geweld over het Nederland van nu en straks? Egelkamp: «We maken een ontwikkeling door waarin we steeds minder gewelddadig gedrag van elkaar accepteren. Als je bij kleine conflicten meteen reageert met het strafrecht weet ik niet of dat een teken van beschaving is. Dat is ook een signaal van minder tolerantie.»