Bloeme Evers-Emden over toenemend antisemitisme in Nederland

‘Bang? Welnee. Boos!‘

Bloeme Evers-Emden heeft als onderduiker ervaren wat het betekent om volledig afhankelijk te zijn van andere mensen. ‘Mijn kinderen durven me niet meer te vertellen wat ze op straat meemaken.

Medium bloeme evers

NOG ÉÉN KEER heeft ze haar ouderlijk huis bezocht. In haar eentje, enkele weken nadat ze vanuit Auschwitz op een vrachtwagen was teruggekeerd naar Amsterdam. Emotioneel geladen voorwerpen, ondergebracht bij de buren, kreeg ze niet mee. ‘Een keurig gezin, maar toch niet keurig genoeg’, zegt Bloeme Evers-Emden. Over de confrontatie met het decor van haar jeugd is ze kort: onwerkelijk. ‘Ik had daar al afscheid van genomen toen mijn ouders en zusje werden afgevoerd.’
Bloeme Evers-Emden (1926), die opgroeide in een ‘liefdevol joods gezin’, blikt in haar rijtjeshuis aan de rand van Slotervaart terug op een rijk maar zwaar belast leven. Haar lot gaat over wat ‘thuis zijn’ betekent als je alles hebt verloren en onder ogen moet zien dat het antisemitisme, zoals ze zegt, ‘weer salonfähig is geworden’.
De recente uitspraak van Frits Bolkestein ‘dat joden maar beter kunnen emigreren vanwege het toenemende antisemitisme’ neemt ze tamelijk gelaten tot zich. ‘Hij prikkelt de boel, maar zegt niets meer dan wat er al langer gaande is. Wie als onmiskenbaar joods over straat loopt wordt uitgescholden. Ze rukken keppeltjes van het hoofd, maar daar wordt meestal geen melding van gemaakt. Als van een moslimmeisje de hoofddoek op een haatdragende wijze zou worden afgetrokken zou dat, op zich terecht, tot commotie leiden. We weten al lang dat op scholen waar veel moslims in de klassen zitten leraren moeite hebben om bij de geschiedenisles te praten over de holocaust. Het is ook bekend dat een virulent antisemitisme via de satelliettelevisie in vele Nederlandse huiskamers doordringt. Haat zaaien is wettelijk verboden. Waarom worden die zenders niet uit de ether gehaald? Voor de oorlog dacht iedereen dat jodenhaat hier, in Nederland, niet zou toeslaan. De gedaante waarin het terugkeert is altijd weer anders.’
Haar hele familie werd door de nazi’s vermoord: ‘Dat wíst ik al voordat ik het zwart op wit las op de lijsten van het Rode Kruis. In het kamp had ik iedere illusie dat zij het zouden overleven laten varen. Na de bevrijding schreef ik een brief naar de ouders van mijn vriendje Freddie om te zeggen dat ik eraan kwam. Toen ik aanbelde stond zijn moeder te koken en Freddie deed open. Hij herkende me niet. Ik woog slechts 34,5 kilo, had nauwelijks haar en was gekleed in lompen. Maar toen ik begon te praten wist hij meteen dat ik het was. Mijn stem was niet veranderd. Zijn moeder zei: “Ik heb twee rokken, hier is er een voor jou.” Ze vingen me fantastisch op. Maar vele anderen zwierven rond zonder te weten waar ze heen moesten.’
Ze verbrak in 1947 haar verloving en vond zelf dat ze weg moest. Ze ging werken als secretaresse/correspondente buitenland. Haar hbs-diploma had ze in 1943 nog net gehaald als enig overgebleven leerlinge van de joodse school. ‘Ik wilde mijn eigen brood verdienen en nooit meer van iemand afhankelijk zijn. Dat stond na de oorlog boven aan mijn lijstje. Ik heb als onderduiker ten diepste ervaren wat het betekent om volledig afhankelijk te zijn van andere mensen. Moedige mensen, vaak vreemden bij wie je je moest schikken binnen de ruimte die zij je in hun huiselijke kring konden bieden. Vanaf 1943, tamelijk laat dus, ben ik zestien keer ’s nachts verkast naar nieuwe adressen. Na mijn arrestatie in Rotterdam ging ik via kamp Westerbork naar Auschwitz. Ik ben waarschijnlijk verraden.’
Aan de muur hangt een foto van haar eerste onderduikmoeder met haar man. ‘Ze was een vriendin van mijn ouders, een schat van een vrouw, maar ik kon er niet lang blijven. Ze zat tot haar oren in het verzet. Na de oorlog wuifde ze dat allemaal weg. De foto is gemaakt toen ze de Yad Vashem kreeg, Israëls hoogste onderscheiding voor mensen die joodse onderduikers hebben geholpen. Zij was een van die goede mensen die mij in de oorlog hoop gaven.’
Over wat het betekent voor kinderen om ondergedoken te zijn, en voor ouders om hun kinderen achter te moeten laten op een onderduikadres, deed ze intensief studie. Ook onderzocht ze hoe, omgekeerd, kinderen hun ouders moesten delen met joodse onderduikers. ‘Het trok een zware wissel op alle verhoudingen en het verschilt per leeftijd en per karakter hoe dat later is verwerkt’, zegt ze kort samenvattend over haar onderzoek, dat ze na haar promotie in de ontwikkelingspsychologie in 1989 heeft verricht en in vier boeken gepubliceerd. Uit de kast pakt ze boeken met veelzeggende titels Geleende kinderen (1994), Onderdoken geweest (1995), Geschonden bestaan (1996) en Je ouders delen (1999). ‘Ik heb hiervoor honderden gesprekken gevoerd. Sommigen spraken met veel liefde over hun onderduikgezin, sommigen wilden er nooit meer over praten. Soms was er een enkele herinnering, zoals een moeder in een gele jurk achter de piano. Soms was er helemaal geen beeld meer van de ouders. Het hangt van de leeftijd van het kind af. Géén herinnering is denk ik erger. Hartverscheurende verhalen, ook als je naar het vervolg kijkt. De meeste biologische ouders kwamen niet meer terug, en als ze de kampen wel overleefd hadden, was de relatie met hun ondergedoken kinderen vaak niet meer te herstellen. Veelzeggend is dat uit mijn onderzoek bleek dat tweederde van de ondergedoken kinderen die na de oorlog bij hun biologische ouders terugkeerden, aangaf dat het nooit meer goed is gekomen, terwijl slechts eenderde van die biologische ouders dat ook zo had ervaren. Ik heb veel tranen gelaten. Ik weet het, ik zat als onderzoeker dicht op mijn onderwerp.’

AAN DE OVALE tafel zit een frêle dametje - ‘ik ben gekrompen’ - met een scherpe blik en, ook al is ze 84 jaar, een onverwoestbare energie. ‘Ik ben een druk meisje.’ Bijna fulltime is ze nog actief in het Amsterdamse joodse leven. Ze geeft lessen jodendom aan huis, via het instituut voor educatie aan volwassenen Crescas. Voor de bezoekers van de buurtsjoel is ze als een moeder. In 1978 richtte ze de joodse vrouwenvereniging Deborah op en ze is al jaren bezig om een inauguratieritueel te ontwikkelen voor meisjes, parallel aan de bar mitswa voor jongens. ‘Ik ben een orthodox-joodse feministe hoor’, zegt ze trots, ‘en niet gering.’ Zo heeft ze het met geestverwanten onder meer voor elkaar gekregen dat twee jaar geleden voor het eerst in het bestuur en de raad van de Joodse Gemeente Amsterdam vrouwen zijn gekozen. ‘Daar hebben we dertig jaar voor gevochten. Ik ben van de orde der doorzetters.’
Ook schrijft ze wekelijks in het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) een column. Met Job Cohen schilde ze drie jaar geleden een appeltje. Ze beschuldigde hem van selectieve empathie. Eerst in een persoonlijke brief aan hem, die ze ook publiceerde in het NIW. ‘Wél theedrinken met moslims, maar na incidenten tegen joden hult hij zich in stilzwijgen. Misschien wordt hij gehinderd door zijn eigen joodse achtergrond. Maar dan verliest hij wel de verhoudingen uit het oog, en dat vind ik verwijtbaar.’
De joodse zaak, het beheerst haar hart en ziel. Ze koos samen met haar man Hans Evers, met wie ze in 1950 trouwde, voor een groot gezin. Ze kregen zes kinderen, van wie de oudste de bekende rabbijn Ralph Evers is. Inmiddels zijn er 32 kleinkinderen en zestien achterkleinkinderen. Een deel ervan woont in Israël. Allemaal kregen ze vanuit het huis in Slotervaart een orthodox-joodse opvoeding. ‘Zelf kwam ik uit een socialistisch gezin, straatarm, want mijn vader raakte als diamantslijper werkloos. De politieke discussies tussen mijn idealistische ouders aan de keukentafel staan me nog helder voor de geest. Maar mijn opvoeding zat ook vol joodse rituelen die mijn moeder onbewust doorgaf vanuit haar vrome achtergrond. Onze kinderen gingen naar de joodse school en werden langzamerhand orthodoxer, van streng tot heel streng. Mijn man en ik werden door hen langzaam op het pad van het jodendom meegevoerd, want we zagen hoe belangrijk dat voor hen was geworden. Op verzoek van mijn kinderen ben ik uiteindelijk koosjer gaan koken.’
Kijk, de ‘jodenkast’, wijst ze op de eikenhouten kast vol boeken. ‘Eigenlijk had ik er al jarenlang behoefte aan. Maar, altijd te druk. We zijn ons gaan verdiepen in het geloof, het heeft ons gezin zeker verrijkt. Ik vond het zálig.’
Naast haar gezin was Evers-Emden ook gaan studeren, op 38-jarige leeftijd, psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daardoor werd ze in 1964 - de tweede feministische golf moest nog doorbreken - een moeder die een studie combineerde met de opvoeding van vier kleine kinderen. In de loop der studiejaren kwamen er nog twee bij. Ze ging met een dikke buik tentamen doen: ‘Dat was tegen alle weerstand van mijn omgeving in. Mijn echtgenoot was eerst ook niet voor. Hij was een lieve, ouderwetse man, die als schadetaxateur soms lange dagen maakte. Maar ik had een enorme wetenschappelijke honger. Ik regelde het met een oppas en mijn man heeft altijd meegewerkt. De kinderen hebben nooit geklaagd, ook niet toen ik later als universitair hoofddocent ging werken. Door hard te werken kon ik de kwellingen uit het verleden vergeten en het leven verdragen.’
Ze valt stil en vertrekt naar de keuken voor nog een kopje thee. ‘Maar de schellen vielen me begin jaren tachtig van de ogen tijdens het toneelstuk Leedvermaak van Judith Herzberg. Het ging over twee moeders, de biologische en de onderduikmoeder, die aan een joods kind trokken. Hoe zat het eigenlijk? Ik stortte me op wetenschappelijk onderzoek. Op een gegeven moment was ik er klaar mee.’
De kleine zitkamer is één grote joodse haard, met een menora op het buffet die klaarstaat voor het inwijdingsfeest Chanoeka. Overal hangen foto’s. Haar volwassen zoons met hoed en baard en in ouderwetse pakken. Op een portret poseert de grote familie keurig gekleed voor de fotograaf.
Als ze érgens spijt van heeft, is het dat ze niet naar Israël is geëmigreerd. Maar ja, haar man wilde niet. ‘Als kind was ik al zionistisch, en na de oorlog lag het voor de hand. Vanaf 1953 kom ik er enkele keren per jaar en daar val ik op mijn plaats. Israël is mijn hartebloed.’
Haar kleinzoon gaf vorige week aan te willen vertrekken naar Israël, vanwege het antisemitisme. ‘Zelf heb ik nooit ergens last van gehad, maar mijn kinderen durven waarschijnlijk niet aan hun moeder te vertellen wat ze op straat meemaken. Mijn tijd zal het wel duren. Wel denk ik dat mijn kleinkinderen een andere periode te wachten staat. Als moslims in Amsterdam straks in de meerderheid komen en de gemeentepolitiek gaan domineren, dan zullen de eerste discriminerende maatregelen tegen joden en vrouwen worden genomen. Ik ben wat dat betreft een realist. Bang? Geen haar op mijn hoofd. Angst ben ik voorgoed verloren in Auschwitz omdat ik ieder moment in doodsangst verkeerde. Boos, dat ben ik wel.’