Asier Flores als Diego en Inma Cuesta als Lucía © Lander Larrañaga / Netflix

In een uitgestrekte woestenij ergens in het negentiende-eeuwse Spanje woont Diego (Asier Flores), een jongen van een jaar of tien, met zijn vader Salvador (Roberto Álamo) en moeder Lucía (Inma Cuesta). De grens van hun boerderij bevindt zich op een afstand van rond vijftig meter van het huis. Hoewel die open is, afgezet met slechts wat kale boomtakken in de grond, is er één regel: zet geen voet aan de andere kant. Daar, in de wijde wereld, heersen geweld en waanzin.

Het verhaal van El páramo spreekt meteen aan. Op het moment van kijken zit ik in quarantaine, net als de kleine Diego mag ook ik de grens niet overschrijden. De wijde wereld is er, maar je mag er niet in. Daar schuilt het gevaar. Het gekke is: naarmate het verhaal vordert, blijkt het onnoemlijke juist binnen te zijn, in de woonkamer, in je hoofd.

De grootste angst in deze film, die we bekijken door de ogen van Diego, ligt in het wegvallen van alle zekerheden. Dan moet je het verschrikkelijke alleen confronteren. Uiteindelijk is de afwikkeling kwestie van genre: weinig dat we niet eerder hebben gezien. En toch raakt dit El páramo van de beginnende regisseur David Casademunt een zenuw, temeer in het licht van de horrorverhalen over huiselijk geweld verergerd door lockdowns waar je dezer dagen in de krant over leest.

Buiten begint het. Het is een Netflix-film, maar de widescreen-fotografie zou prachtig tot haar recht komen in een bioscoop. De lucht is angstwekkend groot, dikwijls staalgrijs met veel wolken en weinig zon. Ver op de horizon zijn bergen. Dicht bij de woning is de natuur dwingend aanwezig. Een nabijgelegen stroom kabbelt onophoudelijk. Tussen heidebossen waar de wind aan plukt, springt een konijn. Diego wil die knuffelen. Maar zijn vader staat klaar met een knuppel.

Dan naar binnen – dit is éng om te zien op je vijfde dag in isolatie – waar moeder Lucía liefdevol omgaat met haar zoon. Nee, Salvador, de jongen is nog te klein om te leren schieten met dat enorme geweer. De vader is stuurs. Bang. Dan verdwijnt hij uit het verhaal, en zijn we met moeder en zoon in het donkere huis waar alles piept en kraakt. O, heb ik dit nodig? Waarom geen vrolijke comedy? Dit alles is zo gruwelijk, zo depressief makend. Want kijk, als de man weg is, wat voor kans hebben vrouw en kind. Er gaat iets verschrikkelijks gebeuren, dat weet ik zeker.

Ze vertellen elkaar, in hemelsnaam, bangmaakverhalen. Misschien hebben ze dat nodig, omdat ze zélf in zo’n verhaal leven. Een film over grenzen is dit. Van de verbeelding, van de werkelijkheid. Zo’n verhaal houdt het beest buiten. ‘Ik weet dat-ie bestaat’, had Salvador gezegd voordat hij verdween. Het monster is lang en mager, het teert op angst. Dan is het nacht. Buiten stormt het. De eenzaamheid is vernietigend. Zelfs de warmte van zijn moeders lichaam naast hem in bed kan kleine Diego niet troosten. Hij weet: het beest is binnen.

Nu te zien op Netflix