Universitair docent vergelijkende politicologie, Vrije Universiteit Amsterdam

Barbara Vis

We moeten (veel) meer investeren in jonge kinderen en de rol van de verzorgingsstaat daarin is onmisbaar. Dat is de zeer beknopte conclusie op basis van mijn expertise over Westerse verzorgingsstaten en de politiek van het hervormen daarvan.

In de afgelopen decennia heeft zich een “(onvolledige) revolutie” van vrouwen voltrokken (zie Gøsta Esping-Andersen 2009), en dit heeft Westerse samenleving sterk veranderd. De revolutie ligt vooral in de hogere arbeidsparticipatie van vrouwen (in Nederland tussen 1970 en 2009 een stijging van 30% naar 63%), de latere leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen (van 24,8 naar 28,9) en het kleinere aantal kinderen (van 2,57 naar 1,77). In alle OESO-landen (behalve Turkije), blijft iets meer dan 2 kinderen het ideaal van stellen. Dit betekent dat het gewenste kinderen achterblijft bij het werkelijke aantal. Vanwege de hoge directe en indirecte kosten is dit een bewuste keuze van stellen, maar wel een die een “welvaartstekort” zichtbaar maakt. Hier ligt een belangrijke rol voor de verzorgingsstaat. Sinds midden jaren tachtig is het totale pakket van kinderopvang, zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof in vrijwel alle OESO-landen royaler geworden (Lambert 2008). Toch is het blijkbaar nog onvoldoende om ouders hun kinderideaal te laten realiseren. Ook blijft Nederland ver achter bij landen als Denemarken, Zweden, Frankrijk, België en zelfs Italië. Het regeer- en gedoogakkoord van de huidige regering wijzen erop dat de genereusheid van het Nederlandse stelsel verder versoberd wordt, met alle nadelige gevolgen van dien.

Natuurlijk is de keuze voor een gezin in zeker opzicht een privé kwestie en ik pleit dan ook zeker niet voor bevolkingspolitiek. Ruimhartiger voorzieningen voor jonge ouders kunnen het gat tussen werkelijk en gewenste aantal kinderen echter verkleinen. Een hoger geboortecijfer is nodig om tegemoet te komen aan de vergrijzing van de samenleving. Tussen 2010 en 2050 neemt de age dependency ratio, de verhouding tussen de 65-plussers en de 15-64 jarigen, toe van 19,4% naar 41,6% (OECD 2010). Nederland doet het met dit percentage duidelijk beter dan landen als Japan (72,4%) of Italië (65,5%), maar ook in ons land zal de “grijze massa” stevig op onze samenleving drukken. Tegen deze achtergrond kan de Nederlandse samenleving zich niet permitteren na te laten (veel) meer te investeren in de steeds schaarser hoeveelheid kinderen. Het is politiek niet eenvoudig zulke investeringen te realiseren, onder meer vanwege die “grijze massa”. Ouderen zijn namelijk beduidend minder positief over zwanger- en ouderschapsverlof, kinderopvang en onderwijs (zie bijvoorbeeld Busemeyer e.a. 2009). Hoe hoger de leeftijd van de mediane kiezer wordt, die een belangrijke zo niet doorslaggevende rol heeft in de beleidskeuzes van regeringen, hoe lastiger het invoeren van zulke maatregelen wordt.

De investeringen in jonge kinderen, zoals toegankelijker en betaalbare kwalitatief hoogwaardige kinderopvang, kunnen beter via de verzorgingsstaat worden gerealiseerd dan via de markt of gezinnen. Alleen zo is het mogelijk alle jonge kinderen toegang te geven tot hoogwaardige en betaalbare kinderopvang. De verzorgingsstaat is lange tijd gezien als een archaïsch instituut dat niet aansluit bij de wensen van deze tijd, onbetaalbaar geworden is, en mensen lui maakt. Als de financiële crisis en haar economische naschokken echter iets hebben laten zien, dan is het wel dat de verzorgingsstaat precies doet wat zij zou moeten doen. Juist de landen met een genereus stelsel (zoals Duitsland en Nederland) hebben een minder diep dal ervaren dan landen met een meer uitgeklede verzorgingsstaat (zoals de VS). De eerstgenoemde lijken ook de weg naar boven makkelijker te vinden. Om de solidariteit in stand te kunnen houden, zijn hervormingen van de verzorgingsstaat echter onontkoombaar. Tegen de achtergrond van onder meer de (onvolledige) revolutie van vrouwen en de effecten daarvan op de samenleving betekent dit veelal investeren in plaats van korten. Dit zal politiek weliswaar lastig zijn, maar niet onmogelijk. Hervormingen van gekoesterde programma’s van de verzorgingsstaat, zoals pensioenen, in het afgelopen decennium laten dit zien.


Meer lezen:

Busemeyer, Marius, R., Achim Goerres & Simon Weschle (2009). Attitudes towards Redistributive Spending in an Era of Demographic Ageing: The Rival Pressures from Age and Income in 14 OECD Countries, Journal of European Social Policy, 19(3): 195-212.

Esping-Andersen, Gøsta (2009), The Incomplete Revolution: Adapting to Women’s New Roles, Cambridge: Polity Press.

Lambert, Priscilla A. (2008). The Comparative Political Economy of Parental Leave and Child Care: Evidence from Twenty OECD Countries. Social Politics, 15(3): 315-344.

OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) (2010). OECD Family Database. Paris: OECD (http://www.oecd.org/document/4/0,3343,en_2649_34819_37836996_1_1_1_1,00.html).

Vis, Barbara (2010), Politics of Risk-Taking: Welfare State Reform in Advanced Democracies. Amsterdam: Amsterdam University Press.


Bekijk ook de website van Barabara Vis