Barbies met kort haar

Aukelien Weverling
Politiek gevangene
Meulenhoff, 304 blz., € 18,95

Volgens een vriend schrijft ze op haat. De woede van Aukelien Weverling (1977) richt zich op haar eigen generatie, die volgens haar ‘lamzakkerig en balorig’ in het leven staat. In 2002 debuteerde ze met Liever gekust, een roman die werd genomineerd voor de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs. Haar tweede roman, Politiek gevangene, vertelt het verhaal van Seringe, dochter van een moeder die ten onder gaat aan haar eigen politieke correctheid en zich meer bekommert om het lot van de kindjes in Afrika dan dat van haar eigen kinderen, en een vader die door haar moeder na de scheiding de Kapitalistische Duivel wordt genoemd. Seringe is de helft van een tweeling, de andere helft is haar broer Beuk. De namen van de tweeling heeft hun moeder uit milieubewuste overwegingen gekozen.
Seringe en Beuk worden door moederlief van de ene naar de andere actie gesleept terwijl vader het geld verdient. De ambities van vader en moeder lopen te veel uiteen en het huwelijk mondt uit in een scheiding. Seringe en Beuk gaan bij hun moeder wonen en worden nog verder het actiewezen ingezogen. Voor hen is nauwelijks aandacht, ze dienen zich te onderwerpen aan de mores van hun moeder: ze worden gecorrigeerd wanneer ze geen negers in hun tekening opvoeren en Seringes Barbies worden de haren afgeknipt. Als volwassene keert Beuk zich af van deze goedbedoelde moederterreur en accepteert een baan in het imperium van de Kapitalistische Duivel. Seringe, gespeend van elke ambitie, leidt een leven vol drank en drugs samen met haar twee Tommen – haar twintig jaar oudere vrienden.

De roman start op dat punt: Seringe op het dak met de twee Tommen waar ze verzuchten hoe mislukt ze zijn. Dan blikt de roman terug op haar jeugd. De chronologie wordt weer hervat wanneer Seringe Constantijn ontmoet, een jonge dichter met wie ze een platonische relatie krijgt. Met hem deelt ze een afkeer van het maatschappelijke leven.

De vraag is wat Weverling wil met haar Seringe. Ze geeft aan dat ze schrijft vanuit woede over haar eigen onbetrokken en verwende generatie die zich niet lijkt te bekommeren om de wereld om zich heen. Waarom dan de keuze voor zo’n – vrij simplistische – psychologische constructie van een meisje dat is overspoeld door het engagement van haar moeder en daardoor geen veilige moederliefde heeft gekend? Het engagement wordt in de vorm van haar moeder bovendien volkomen belachelijk gemaakt, waardoor de roman meer weg heeft van een apologie voor het vermeende egocentrisme van Weverlings generatie.

Met Seringe, een hulpeloos meisje dat moet huilen wanneer er te veel te kiezen valt in een winkel, verbeeldt Weverling eerder een levensgevoel dat wordt beheerst door een gebrek aan zingeving. Natuurlijk is die pijn voor een deel geworteld in de tijdgeest. De dreiging van buiten wordt bijvoorbeeld voelbaar gemaakt wanneer Beuk en Seringe als jonge kinderen te horen krijgen dat er ‘iets’ is gebeurd met de kruisraketten. Wat dan? vraagt Seringe angstig, waarop Beuk antwoordt dat ze ze gaan plaatsen. Wanneer weet hij niet: nu niet, maar later.

De roman lijkt vooral een zoektocht naar liefde en geluk van iemand die de hoop opgegeven heeft. Daarmee is Seringe een personage in de traditie van Grunberg, maar door de uitwerking – ‘liefde is in het beste geval een leeg woord’, ‘gelukkig zijn is geen constante’ – biedt dit weinig prikkelende inzichten. Ook de tragikomische stijl van Weverling slaat de plank soms mis: vaak wil het maar niet grappig worden. Veel wordt op een _matter-of-fact-_achtige manier gepresenteerd: wanneer iemand zegt dat hij eigenlijk helemaal niks kan, wordt er gezwegen ‘omdat je een waarheid niet moest ondergraven’.

Mooi zijn de beelden die niet grappig bedoeld zijn: iemand heeft confetti in haar ogen, Seringes vriend Constantijn is ‘haar bedlampje’. Soms werkt de zwarte humor: als Beuk hun demente, overtuigd vegetarische moeder op haar ziekbed vleeswaren voert die ze glimlachend verorbert. Maar toch, ondanks de wreedheid van deze handeling, schrijnen doet het niet. En dat komt vooral doordat de meeste personages vrij plat blijven, moeder denkt alleen maar aan een betere wereld, vader denkt alleen maar aan geld en ook Beuk komt niet echt tot leven.

Alleen Seringe krijgt vorm omdat we haar zien zoeken, opgeven, twijfelen, opgeven, proberen en weer opgeven. Ondanks de boosheid op haar moeder zoekt Seringe haar op in Istanbul, waar ze haar ooit zo strijdbare moeder in dementerende staat aantreft. Seringe steekt een tirade tegen haar af: over haar eenzaamheid, het gemis van een moeder. Het is een pijnlijke scène, met als kanttekening dat het wat expliciet is, alsof de schrijfster bang is dat het niet tot de lezer doordringt. Ook mooi is wanneer Seringe eindelijk toegeeft aan haar liefde voor Constantijn door zich te laten zoenen, wat plaatsvindt ‘in de luwte van het grote opgeven’. Jammer is dat ze zo’n cerebrale constructie als de consumptiemaatschappij betrekt in haar overgave: ‘We zijn uniek in deze consumptiemaatschappij, het maakt ons niet uit en daardoor zal alles uiteindelijk goed komen.’ En dat raakt de kern van deze roman, die soms te veel op ideeën en theorieën steunt, en te weinig op bloed, vlees en tranen. Weverling zou meer mogen vertrouwen op haar personage en het verhaal, en minder woorden kunnen gebruiken om haar ideeën over de wereld uiteen te zetten.