Barend & Barend

Nu Ajax met een fraaie 0-0 heeft overwinterd in Dubai, of was het Quatar, lees ik tijdens mijn eigen overwintering ineens dat de fractie van de PVDA in de Tweede Kamer vindt dat Jorge Zorreguieta voor honderd procent verantwoordelijk moet worden gesteld voor de daden van het Argentijnse Videla-regime. Voor zover ik me herinner hebben we het hele jaar 2000 ministers en kamerleden gevraagd wat zij vonden van een mogelijke aanwezigheid van de vader van Maxima bij het huwelijk van zijn dochter met onze toekomstige koning. Verrassend genoeg was de minister van Financiën, Gerrit Zalm, een van de meest uitgesprokenen. Verrassend omdat hij als VVD’er durfde te zeggen wat bijna alle PVDA’ers vonden, maar onder leiding van hun leiders Wim Kok en Ad Melkert en hun zegsman in deze, Peter Rehwinkel, niet durfden of mochten zeggen. Zelden zo vaak gehoord dat een vraag op dit moment nog niet opportuun is. Voorlopig konden wij nog rustig gaan slapen.
Toen CDA’er Hans Hillen de vraag over Zorreguieta zoals velen van zijn voorgangers weer eens afdeed met: «Laten we nu eerst maar eens zien of het tot een huwelijk komt», stelde hij de wedervraag waarom wij toch zo fanatiek bleven vragen naar papa Jorge.
Daarvoor is een simpele verklaring. Voor de opening van het wereldkampioenschap voetbal van 1978 in het Argentinië van generaal Videla hadden Henk en ik ons opgedeeld. Voordeel van een duo. Henk ging naar de openingswedstrijd en de daarbij behorende ceremonie, ik naar het Plaza de Mayo. Mijn kostbare stoel in het stadion bleef leeg. Zo slim waren de organisatoren van het WK wel geweest dat ze het grote openingsfeest in Buenos Aires precies hadden laten samenvallen met de wekelijkse stille tocht van de Dwaze Moeders op het Plaza de Mayo in datzelfde Buenos Aires (en niet Santiago de Chili, zoals de motor achter het PVDA-oordeel over vader Zorreguieta, Saskia Noorman-Den Uyl, zich eens abusievelijk liet ontvallen).
Even voor vier uur, vlak voor de glorieuze, eerste aftrap onder het oog van juntaleider Videla, maakte het Plaza de Mayo een surrealistische indruk. Donderdag 1 juni 1978 was een nationale feestdag, iedereen had ’s middags vrij gekregen. Het openbare leven lag enige uren stil. Om precies vier uur verschenen ze uit het niets, circa twintig moeders en grootmoeders. We spraken kort met elkaar, ik kreeg namen, adressen, briefjes, telefoonnummers, een getekende bloem en het dringende verzoek om aandacht. Al gauw werden we gehinderd door opdringerige mannen die mij erop wezen dat ik sprak met hoeren en criminelen.