Barretje weimar

DE ENGELSE inlichtingenagent Richard Henry Stevens bezat ondanks zijn nog jeugdige leeftijd omstreeks 1925 een indrukwekkende staat van dienst, opgebouwd in de onoverzichtelijke noordwestelijke grensgebieden van Brits-Indië en in het Midden-Oosten. Zijn conduitestaat vermeldt zijn atletische prestaties, zijn uithoudingsvermogen en zijn vasthoudendheid. Verder bezat hij een grote aanleg voor talen, ook exotische, en wist hij altijd de beste plaatselijke krachten te recruteren. Dat laatste was over het algemeen een zwak punt bij de door vriend en vijand geprezen Britse geheime diensten MI5 en MI6.

Nadat in de republiek Estland op 1 december 1924 een communistische staatsgreep was verijdeld, werd Stevens door MI5 naar Tallinn gestuurd. Londen vond het noodzakelijk dat aan de westelijke grens van de Sovjetunie een bekwame agent een oog in het zeil hield en de activiteiten coördineerde. Dat kon heel goed vanuit Tallinn, waar in café Anglais op het Raadhuisplein de crème de la crème van de internationale inlichtingenwereld, sector Oost-Europa, kon worden aangetroffen. Wie informatie had aan te bieden, stond op, liep naar de bar, haalde een handvol pinda’s uit een schaaltje en ging weer zitten. Daarna kwam de rest vanzelf.
Nadat Stevens was overgeplaatst naar Nederland, ontdekte hij dat in de Hoefijzerbar aan de Haagse Herenstraat precies hetzelfde contactritueel werd opgevoerd. Iedereen deed het, alleen de Duitsers niet. Zij waren te grondig voor dergelijke frivole methoden.
Nederland was een belangrijk spionagetrefpunt. Het land lag ingeklemd tussen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Als deze grote mogendheden het op een tweede wereldoorlog zouden laten aankomen, zou het wellicht weer neutrale Nederland voor de inlichtingendiensten van alle partijen van grote betekenis zijn.
STEVENS liet een van zijn beste agenten uit Estland naar Nederland overkomen, een jonge vrouw van nog geen dertig die het Duits en Russisch beheerste en het Nederlands spoedig onder de knie zou krijgen: Valli Nael. Zij werd als reserve toegevoegd aan een Estlandse damesroeiploeg op de Olympische spelen te Amsterdam in 1928. Na afloop bleef zij in Nederland. Ze kreeg een verblijfs- en een arbeidsvergunning, hoewel de Nederlandse autoriteiten daar in die dagen niet scheutig mee waren.
Nael werd gastvrouw en hoofd van de huishouding in hotel Weimar, in het centrum van Rotterdam, op de hoek van de Spaanschekade en het Haringvliet. Hotel Weimar oogde niet indrukwekkend, maar werd wel gefrequenteerd door mensen uit de betere kringen. Veel hotelgasten ontmoetten er Rotterdamse relaties in de bar. In deze betrekkelijk kleine ruimte werden grote zaken gedaan.
Nael kreeg de opdracht haar ogen en oren goed de kost te geven, net als in Tallinn in café Anglais. Wie bezochten Weimar? Met wie kwamen ze binnen? Met wie spraken zij? Waarover? Met wie gingen ze weg? Zo nu en dan, liefst niet te regelmatig, moest Nael verslag uitbrengen op een adres aan de Avenue Concordia in de Rotterdamse wijk Kralingen, waar zij aan de voordeur met vreugdekreten werd ontvangen en een paar uur later op de stoep luid en lang afscheid nam van de vrouw des huizes, een hartelijk Brabants type. Zo leek alles heel natuurlijk. Dat was nodig, want vanaf dit adres opereerden, onder de dekmantel van een handelsinformatiekantoor A.J.J. Vrinten, een van de belangrijkste Nederlandse MI5-agenten en zijn vrouw Ploon (Apollonia), met wie hij al zijn kennis deelde.
In haar Rotterdamse jaren zag Nael haar opdrachtgever Richard Stevens slechts een paar keer. Hij zat dan in de Weimar-bar, bestelde in het Duits een glas bier en gaf haar een knipoog.
Een halve eeuw nadien, niet lang voor haar dood, sprak ik Valli Nael. ‘Bijna alle Nederlandse bezoekers aan de bar van Weimar waren nazi’s of op z'n minst nazi-gezind’, zei ze. Het prototype van de Weimar-gast was een goed doorvoede NSB'er of NSB-sympathisant van het wat deftiger type, zoals Bartelt Hendrik Blankenberg, rijk geworden in de rubber en wonend in een buiten aan de Vecht. Hij gaf altijd luidkeels af op het proletarische karakter van de NSB, maar maakte er geen geheim van dat hij Musserts beweging met aanzienlijke bedragen steunde. Zijn vroegere vennoot in de Rubber Cultuur Maatschappij, Pieter van Leeuwen Boomkamp, gold zelfs als de belangrijkste sponsor van de Nationaal-Socialistische Beweging. Hij woonde op een ruim bemeten landgoed in Het Gooi en werd eveneens enkele keren in hotel Weimar gesignaleerd.
Een bijzondere vaste gast was Eckart Hauptmann, zoon van de beroemde schrijver Gerhart Hauptmann, die in de vorige eeuw in zijn toneelstuk Die Weber de proletariërs als denkende mensen opvoerde. Zijn zoon Eckart dacht in een heel andere richting. Officieel was hij hoofdvertegenwoordiger van de Duitse firma AEG in Nederland. Hij was vaak in gezelschap van Gerhard Fritze, die in Nederland de Hollandsche Koopmansbank had gesticht, maar vooral Naels aandacht verdiende als hoogste functionaris van Berlin NW7 in Nederland. Als infiltratiedeskundige van deze perfect georganiseerde geheime dienst voor bedrijfsspionage van het wereldomvattende chemieconcern IG Farben had Fritze zijn sporen verdiend in Argentinië en Zweden. Op 9 mei 1940 vertrok hij uit Nederland naar de Verenigde Staten, waar hij vanuit zijn kantoor in New York zijn zaken gewoon voortzette.
Deze Gerhard Fritze speelde op een cruciaal ogenblik een belangrijke rol in onze vaderlandse geschiedenis: hij arrangeerde de kennismaking tussen prinses Juliana en Bernhard van Lippe-Biesterfeld, een employé van Berlin NW7 in Parijs. Dat resulteerde in januari 1937 in een huwelijk. Koningin Wilhelmina dwong haar schoonzoon wel ontslag te nemen bij zijn werkgever.
BIJNA TWEE JAAR later bracht Valli Nael het echtpaar Vrinten in staat van opwinding met de mededeling dat prins Bernhard enige uren in de bar van Hotel Weimar was geweest. 'Hij droeg geen anjer, maar hij was het toch.’ Met wie hij binnengekomen was, had zij niet kunnen waarnemen. Met wie hij vertrok wel: de heren Ter Poorten, Van Heijst en Sperling.
Vrinten had hun antecedenten in zijn (tijdens de bezetting door de Duitsers buitgemaakte) kaartenbakken. Cornelis ter Poorten was een gepensioneerde zeeofficier en - blijkens uitlatingen van collega’s - 'een schandelijke NSB'er’. De tweede metgezel van de prins, luitenant-kolonel vlieger Floris van Heijst, voelde zich eveneens openlijk tot Musserts gedachtengoed aangetrokken. De derde man was een Duitser: Hans Jürgen Sperling, sinds kort directeur van het Duitse Verkeersbureau te Amsterdam, nadat hij verscheidene jaren als vertegenwoordiger van de Duitse spoorwegen in Rotterdam had gewoond.
De aanwezigheid van deze oud-officier was verontrustend. Het Duitse Verkeersbureau was belangrijker als schijngestalte van de Abwehr (de inlichtingendienst van het Duitse leger) dan als inlichtingen- en bemiddelingsbureau voor toeristen. De Duitse meesterspion Traugott Protze had onder de naam Richard Paarmann eerder de directeurspost in Amsterdam bekleed. Hij had het Verkeersbureau ongetwijfeld voortreffelijk georganiseerd aan zijn opvolger overgedragen.
Prins Bernhard kwam nog verscheidene keren met een klein gevolg in twee of meer auto’s. De wagens werden aan de waterkant tussen de bomen geparkeerd en de chauffeurs en wellicht enige rechercheurs bleven daar dan rondhangen. De prins, altijd zonder anjer, sprak in de Weimar-bar met onder meer James van Hoey Smith, directeur van een der oudste scheepvaartondernemingen in Nederland. Deze reder en grootgrondbezitter van Schotse afkomst begreep, zoals meer figuren uit het Rotterdamse zakenleven, dat goede betrekkingen met de Duitsers een belangrijke voorwaarde was voor de bloei van Rotterdam en zijn haven. Tijdens de oorlog stond Van Hoey Smith op zo goede voet met de bezetter dat die bij de aanleg van de Atlantikwall op het eiland Voorne zijn bos spaarde.
Nael: 'Wat de prins zo langdurig met Van Hoey Smith te bespreken had, werd mij niet duidelijk, maar het zal niet over zijn tuin of over zijn landgoed zijn gegaan, al heeft hij Bernhard wel uitgenodigd om daar eens te komen jagen.’
Ook sprak Bernhard op een avond in de herfst van 1938 in de Weimar-bar met de beroepsofficier Th.E.E.H. Mathon, die in die jaren ook aan politiek deed. Mathon was een volgeling van oud-generaal C.J. Snijders, een vroegere favoriet van koningin Wilhelmina die na de Eerste Wereldoorlog de leider werd van het extreem reactionaire, nationalistische, militaristische en kolonialistische Verbond voor Nationaal Herstel. Zijn politieke activiteiten schaadden Mathons carrière niet. Hij bracht het tot luitenant-generaal van de cavalerie en was ook Chef Staf voor de Civiele Verdediging.
Nael: 'Het gesprek tussen de prins en Mathon duurde lang en iedereen werd bij het tafeltje weggehouden. Dat gebeurde wel vaker als de prins de bar bezocht. De sfeer was dan altijd onderdanig, al gedroeg Bernhard zich meestal ongedwongen.’
Maar één keer raakte prins Bernhard bijna betrokken bij een ruzie, vermoedelijk met een politieke aanleiding. In ieder geval voer hij nogal uit tegen een stamgast, die als een vreemde eend in de bijt zou kunnen worden aangemerkt: Johan van Loghem, een architect met een bureau in het Witte Huis aan de overzijde van de Oude Haven. Als hij lang moest werken, ging hij ’s avonds niet naar huis in Haarlem, maar bleef hij over in hotel Weimar.
Nael: 'Ze noemden hem daar “de Bolsjewiek”. Hij had enige jaren in Siberië gewerkt bij het uit de grond stampen van nieuwe fabriekssteden. Nadat zijn bewondering voor kameraad Stalin was ineengeschrompeld, was hij naar Nederland teruggekeerd en nu ontwierp hij zowel villa’s voor rijke mensen als arbeiderswoningen, waarbij hij veel zaken met Duitsland deed.’
KORT NA HET begin van de Tweede Wereldoorlog, op 7 november 1939, lieten Richard Stevens en zijn collega Sigismund Payne Best zich op nogal onnozele wijze door de Duitsers bij Venlo over de grens lokken. Ze werden gevangen genomen. Hitler had dit Venlo-incident willen gebruiken als voorwendsel voor de aanval op Nederland. Zo was de oorlog met Polen ook uitgelokt. Maar de aanval op de Lage Landen werd in de herfst van 1939 op het laatste moment afgeblazen. Voor ingewijden was het de vraag hoelang Nederland nog neutraal zou blijven.
Het aantal vaste Duitse logeergasten in hotel Weimar nam toe. Naels aandacht werd vooral getrokken door een tweeling, die stond ingeschreven als Heinz en Friedrich Neumann. Ze bewoonden een grote kamer in de hoektoren van het gebouw. Er was er altijd één aanwezig en één afwezig en ze wisselden elkaar onregelmatig en op alle uren van het etmaal af. Ze bemoeiden zich nooit met de andere gasten en kwamen niet in de bar. Na een verblijf van drie maanden vertrokken ze overhaast in de vooravond van de negende mei 1940. Ze lieten hun koffers naar het Maasstation brengen. Maar toen die daar aankwamen, bleek de tweeling reeds met de trein in de richting Utrecht vertrokken te zijn.
Prins Bernhard had zich toen al lange tijd niet meer in Weimar vertoond.
Ook nadat Stevens in Duitse gevangenschap was geraakt, moest Nael rapport blijven uitbrengen bij Vrinten. In het vroege voorjaar van 1940 werd haar gevraagd op haar eerstvolgende vrije dag naar een adres in Utrecht te gaan en een lijst van vaste bezoekers aan het hotel en de bar van Weimar mee te brengen. Zij stelde die lijst samen met Vrinten op. Nael: 'Toen ik voorstelde om ook prins Bernhard te vermelden, zei Vrinten dat dat niet nodig was.’
Nael kwam terecht op het kantoor van de organisatie Eenheid door Democratie aan de Stationsstraat, waar ook het gelijknamige weekblad werd gemaakt. EdD voerde als motto 'Mussert noch Moskou’ en had in de tweede helft van de jaren dertig meer leden dan alle Nederlandse politieke partijen bij elkaar. Op de zwaar gebarricadeerde zolder zat hoofdredacteur en freelance inlichtingenofficier Pieter Brijnen te midden van ordners en kaartenbakken. Hij voerde regelmatig geheime opdrachten uit voor GS(III, de Nederlandse militaire inlichtingendienst. De regering werd daar buiten gehouden, want Colijn en later De Geer wilden het bevriende staatshoofd Adolf Hitler niet bruuskeren.
In de winter van 1939-'40 had Brijnen een lijst van staatsgevaarlijke Nederlanders samengesteld, met daarbij het advies deze lieden te interneren, liefst op een West-Indisch eiland of in Suriname, vóórdat de Duitsers de vijandelijkheden zouden openen. Nael: 'Tot mijn verbazing waren bijna alle namen van mijn lijst ook in die van Brijnen te vinden. Er was er bovendien nog een van iemand die ik kende, zij het niet via het Weimar-hotel.’ Dat was Godert baron van Lynden van Horstwaerde, van wie bijna alle voorvaderen aan het Oranjehof hadden gediend. Brijnen vond dat hij op de lijst hoorde en Nael kon daar goed inkomen: 'Nadat ik hem een paar keer had ontmoet, stond hij mij tegen. Door zijn kapsel en snorretje leek hij ook nog op Hitler.’
Baron Van Lynden was leider van de sekte Orde van Getuigen van Christus en hoofdredacteur van het blad Evangelie en Volk. Daarin predikte hij een christelijk nationaal-socialisme en ontwikkelde hij een eigen liturgie. Verder was hij voorzitter van de Hoge Raad van Discipline van de NSB en als zodanig invloedrijk. Bovendien woonde hij in het bos van Soestdijk op een steenworp afstand van het paleis.
Brijnens lijst bleef in een bureaulade. Toen de Nederlandse regering op 4 mei 1940 tot de arrestatie van 21 staatsgevaarlijke landgenoten besloot, werd daarvoor een 'eigen’ lijst gebruikt. Daarop stonden de namen van drie communisten, een aantal NSDAP'ers en zes NSB'ers. M.M. Rost van Tonningen was de enige gearresteerde van naam. Hij was Tweede-Kamerlid voor de NSB, hoofdredacteur van het Nationaal Dagblad en het financiële brein van Musserts partij.
TOEN DE Duitsers kwamen, ontsnapten Brijnen en het echtpaar Vrinten naar Engeland. De volgende dag vond het bombardement van Rotterdam plaats. Hotel Weimar, reeds beschadigd door de gevechten om de Maasbruggen, werd totaal verwoest. Valli Nael was nu zonder werkgever, maar dat duurde niet lang. Enige dagen later stond een haar onbekende man voor de deur van haar logeeradres in Nijmegen. Zij kon de komende maandag beginnen in het American Hotel te Amsterdam - 'onder dezelfde condities als in Weimar’.
Vele jaren na de oorlog verbaasde zij zich er nog altijd over dat zij tijdens de bezetting door de Duitsers ongemoeid is gelaten: 'Vrintens plotselinge vertrek zou de Duitsers toch aan het denken hebben moeten zetten, vooral nadat zijn complete archief, verstopt in Waalwijk, in hun handen was gevallen.
Later hoorde ik dat Stevens tijdens zijn gevangenschap alle medewerking aan de Duitsers heeft verleend. Blijkbaar ben ik toch altijd voorzichtig genoeg geweest en hebben Stevens en Vrinten over mij gezwegen. Je moet maar wachten met dit alles op te schrijven tot ik dood ben. Of liefst nog een paar jaar later.’
Valli Nael overleed in 1991.