China als wereldmacht Politieke repressie

Barsten in de Grote Muur

Wat betekenen de opstanden in Tibet, Xinjiang en onder de Oejgoeren? De Chinese geschiedenis leert belangrijke lessen.

Ooit waren de relaties harmonieus. Na tientallen jaren van oorlog sloten beide landen in 822 vrede: ‘Tibet en China zullen de grenzen van de gebieden die ze nu bezetten respecteren. Het gebied in het Oosten hoort bij het Grote China, dat in het Westen bij het Grote Tibet (…) Tussen beide landen zal geen rook of stof meer oprijzen. Er zal geen plotseling alarm meer worden geslagen, en het woord “vijand” zal niet meer worden uitgesproken. Deze plechtige overeenkomst is het begin van een luisterrijke periode waarin de Tibetanen gelukkig zullen zijn in het land van Tibet, en de Chinezen in het land van China.’
China noemt zich tegenwoordig een 'multi-etnische staat’, maar die betiteling is van recente oorsprong. De notie van een staat die over een afgebakend grondgebied soevereiniteit uitoefent was op het premoderne China niet van toepassing. Tijdens de meer dan tweeduizend jaar durende keizertijd, die in 1911 ten einde kwam, was de vorst door de zegenende uitstraling van de Chinese cultuur soeverein over Tianxia (alles wat onder de hemel ligt). De realiteit was anders. Door zijn zwakke cavalerie was China, militair gesproken, vaak de mindere van de mobiele legers van de Tibetanen, Mongolen en Turkse volken als de Oejgoeren. Om hen te weerstaan werd de Grote Muur gebouwd en werden barbarenvorsten omgekocht met felbegeerde artikelen als zijde en porselein. Agressievere methodes van barbarenbeheer werden ook niet geschuwd: Korea en Vietnam werden eeuwenlang bezet door Chinese legers.
De laatste keizerlijke dynastie, die van de niet-Chinese Manchu’s (1644-1911), richtte zich vooral op Centraal-Azië, omdat de daar wonende Mongoolse stammen het gezag van de keizer niet erkenden en als een potentiële bedreiging werden gezien voor de greep van de Manchu’s op de Chinese troon. In de achttiende en negentiende eeuw werd het grondgebied van wat nu de provincies Tibet, Qinghai, Xinjiang, Gansu en Binnen-Mongolië zijn (meer dan de helft van de oppervlakte van de Volksrepubliek China), stapsgewijs onder Chinees gezag gebracht - zij het dat dat gezag zelden effectief was en het meer ging om de rituele erkenning van de verre keizer in Peking als hoogste soeverein op aarde.
Aan het eind van de negentiende eeuw verzwakte de greep van Peking, maar na de stichting van de Volksrepubliek in 1949 werd met hernieuwde energie de verovering ('bevrijding’ in het communistisch jargon) van de verloren wingewesten aangepakt. In de woorden van een krantenartikel van 2 september 1949: 'Het Chinese Volksbevrijdingsleger moet het gehele grondgebied van China bevrijden, inclusief Tibet en Xinjiang. Wij zullen niet toestaan dat maar een centimeter van het Chinese land buiten de jurisdictie van de Volksrepubliek valt.’
Deze houding vormde een breuk met het verleden. De losse premoderne relatie tussen Tibet en China laat zich het best vergelijken met die van de middeleeuwse verhouding tussen de paus en de Duitse keizer: de prelaat in Rome werd erkend als spiritueel leider, de wereldlijke macht lag bij het Heilige Roomse Rijk. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn de Chinees-Tibetaanse verhoudingen bepaald door het Chinese nationalisme, een sentiment dat wordt gevoed door de traumatische ervaringen van het oude rijk met het westerse kolonialisme. Tibet en Xinjiang waren daar ook het slachtoffer van. Engeland veroverde in 1904 onder leiding van de vermaarde Francis Younghusband de Tibetaanse hoofdstad Lhasa, en de Russen bezetten aan het eind van de negentiende eeuw het Ili-gebied in het noordwesten van Xinjiang. Beide bezettingen waren niet van lange duur, maar gaven de communisten wel de rationale om Tibet en Xinjiang binnen te vallen; ook maakt het duidelijk waarom tot op de dag van vandaag Peking kritiek van westerse landen op zijn beleid in die streken afwijst als 'inmenging in de binnenlandse aangelegenheden’.
De Tibetanen en Oejgoeren zijn twee belangrijke minderheden in China, maar zeker niet de enige. De vader des vaderlands Sun Yatsen introduceerde in het begin van de twintigste eeuw het idee van een republiek bestaande uit vijf etnische groepen: de Han (Chinezen), Manchu’s, Mongolen, Hui’s (moslims) en Tibetanen. Mao Zedong verbreedde de etnische waaier tot 56 minderheden. In theorie staat ieder volk op voet van gelijkheid met de dominante Han-Chinezen, maar in de praktijk ligt dat anders. Tijdens de paranoïde Culturele Revolutie werden de minderheden als 'vijfde colonne van buitenlandse mogendheden’ genadeloos vervolgd. Honderdduizenden stierven, vooral in Tibet en Xinjiang. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw werden de gemaakte 'fouten’ toegegeven en werd veel geïnvesteerd om de economie op te bouwen. Dat leidde tot hogere groeicijfers dan in de rest van het land, maar de investeringen in infrastructuur, energie en industrie kwamen de Tibetanen en Oejgoeren niet ten goede, een kleine elite uitgezonderd. Verstoken van goed onderwijs, de Chinese taal niet machtig en ontwricht door het nomadenleven dat met name de Tibetanen op grote schaal leidden, zijn velen kansloos geworden in hun eigen land.
Daar komt bij dat de verbeterde infrastructuur heeft geleid tot een grote instroom van Chinese immigranten. In 1949 bestond de bevolking van Xinjiang voor zes procent uit Han-Chinezen, nu is dat meer dan veertig procent. Voor Tibet zijn de demografische veranderingen niet minder dramatisch. Gevolg is dat beide volken zich gemarginaliseerd voelen. Adding insult to injury is de aantasting van de rijke en oude cultuur. Het ophangen van een portret van de dalai lama wordt beschouwd als een strafrechtelijk vergrijp, en wie de geschiedenis van de Oejgoeren bestudeert, wordt al snel verdacht van 'separatistische’ sympathieën. De Chinese moderniseringsdrang richt minstens evenveel schade aan als de politieke achterdocht. De oude, romantische binnenstad van de oasestad Kashgar wordt stelselmatig platgewalst om plaats te maken voor foeilelijke hoogbouw.
Op papier zijn Tibet en Xinjiang 'autonome gebieden’, maar in de praktijk loopt de lokale regering aan de leiband van Peking. Zo mag in tegenstelling tot een normale Chinese provincie een 'autonoom gebied’ niet zijn eigen wetten uitvaardigen en is de partijsecretaris - die meer macht heeft dan de gouverneur - altijd een Han-Chinees. De combinatie van politieke repressie, economische marginalisering en culturele ongevoeligheid heeft ertoe geleid dat de door Peking zo fel begeerde 'harmonieuze samenleving’ ver te zoeken is. Ondanks de niet-aflatende propaganda over de zegeningen van het Chinese bestuur en de aanwezigheid van een zwaar en oppressief veiligheidsapparaat kwamen de Tibetanen in maart 2008 en de Oejgoeren in juli 2009 in opstand.

Wat betekent dit voor de opkomst van China als grote mogendheid? Op het eerste gezicht niets. De kans dat Tibet of Xinjiang zich militair los kan maken van de moederschoot is nihil - los van het feit dat de dalai lama consequent de weg van het geweld heeft afgewezen. Xinjiang is rijk aan de olie en het gas waarnaar het energiearme China hunkert en Tibet is belangrijk als militaire buffer tegen de strategische rivaal India. Hulp van buiten valt ook niet te verwachten. Landen als Kazachstan, Kirgizië en Oezbekistan zijn etnisch en religieus verbonden met de volkeren van Xinjiang, maar te zwak om het Chinese rijk te ontwrichten. Bovendien is China de belangrijkste afzetmarkt van hun energie en zijn de regeringen van deze landen zeer gecharmeerd van de zogenaamde Beijing Consensus - het ontwikkelingsmodel dat gebaseerd is op een eenpartijstaat, zware overheidsbemoeienis in economische besluitvorming en streng gereguleerde kapitaalmarkten. India biedt een onderkomen aan de Tibetaanse regering in ballingschap, is rancuneus over de verloren grensoorlog met China van 1962 en ontwikkelt langeafstandsraketten die de meeste Chinese steden kunnen treffen. Anderzijds loopt het land militair en economisch nog ver achter bij China en is de behandeling van de Tibetanen door Peking zeker geen casus belli voor Delhi.
Ook zonder deze factoren van economisch-strategische aard is het ondenkbaar dat Peking naar analogie van Moskou in 1990 delen van het rijk zou loslaten. Het door de Partij zorgvuldig gecultiveerde nationalisme heeft geresulteerd in miljoenen netizens (op het internet actieve burgers) die bij de minste of geringste 'belediging’ van buiten hun regering oproepen om krachtig op te treden. De speelruimte van de Partij is daardoor sterk beperkt, laat staan om als Chinees beschouwd grondgebied af te stoten.
Peking maakt zich wél zorgen over internationale reputatieschade. Het neerslaan van de Tibetaanse rellen begin 2008 leverde wereldwijd woedende protesten op tegen de olympische fakkeltocht. Gevreesd werd zelfs voor een boycot van de Spelen door enkele landen. Na de gewelddadige rellen in Urumqi in juli 2009 beschuldigde de Turkse premier Erdogan Peking van genocide en volgens sommige rapporten heeft al-Qaeda gedreigd om Chinese arbeiders werkzaam in Noord-Afrika aan te vallen.
Naarmate China economisch sterker en politiek machtiger wordt, leert het een belangrijke les: als land heb je niet de onbeperkte vrijheid om binnen je eigen te grenzen te doen en laten wat je wilt - zeker niet een land waarvan de economie geïntegreerd is met die van de rest van de wereld. Deze les druist in tegen China’s diepste instincten. Het Rijk van het Midden, dat zich eeuwenlang ommuurde om ongewenste barbaren buiten te sluiten, gebruikt nu de wapenen van soevereiniteit en niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden om hetzelfde te bereiken. Ondanks de aantrekkingskracht van de Beijing Consensus voor veel landen lijkt Peking, om met Obama te spreken, met deze houding aan de verkeerde kant van de geschiedenis te staan. Ook binnen China zelf neemt de pluriformiteit toe, cultureel en religieus, maar ook politiek. Na het neerslaan van de rellen in Tibet in maart 2008 schreef een groep Chinese schrijvers, journalisten en academici een open brief waarin de oproep van de dalai lama voor vrede werd gesteund. In dezelfde brief wordt de claim van de lokale autoriteiten dat deze rellen 'door de dalai-clique waren voorgekookt en zorgvuldig georganiseerd’ belachelijk gemaakt.
De sympathie voor Tibet is niet beperkt tot een handjevol intellectuelen; het land is bezig zijn traditionele rol als spirituele bakermat van de Chinese cultuur weer op te eisen. Talloze jonge Chinezen reizen naar het Land van de Sneeuw op zoek naar verlichting. In de woorden van journalist Wang Jing: 'We gaan naar Tibet om los te komen van ons stedelijk leven en de Tibetaanse geest van vrede en zuiverheid te ervaren. Ik kan je verzekeren dat de meeste jonge, goed opgeleide Chinezen Tibet beschouwen als het heilige land in hun hart.’
Een ander hoopvol teken is dat ook vanuit de Chinese overheid een koerswijziging lijkt ingezet. In het recent gehouden Tibet Work Forum werd niet alleen aandacht besteed aan de Tibetanen die wonen in de Tibet Autonomous Region, maar ook aan hen die daarbuiten wonen - meer dan vijftig procent van de totale bevolking. Op hetzelfde forum werd de nadruk gelegd op sociale ontwikkeling, een doorbraak in het door wegen, spoorlijnen en mijnen geobsedeerde denken van Peking.
Voor de Oejgoeren lijkt de zaak uitzichtlozer. Net als in het Westen staat sinds 9/11 de islam in China in een slecht daglicht. Geïnspireerd door president Bush’ war on terror wordt eenieder die pleit voor autonomie in Xinjiang plots bestempeld als 'terrorist’. In het buitenland is de reputatie van de Oejgoeren niet veel beter. 'De Tibetanen’, zegt Alim Seytoff van het Uyghur Human Right Project, 'worden in het Westen goed behandeld omdat men ze als vreedzaam ziet, maar beide zijn wij slachtoffers’.
De kern van Pekings minderhedenbeleid - investeringen in hardware in combinatie met politieke repressie - heeft het felbegeerde doel van sociale stabiliteit niet dichterbij gebracht. Integendeel. Om dat te bereiken moeten de teugels worden gevierd en moet een begin worden gemaakt met het verlenen van wezenlijke autonomie. Dat is niet alleen van vitaal belang voor de interne stabiliteit van China in zijn geheel, maar ook voor de opkomst van het land als grootmacht. Peking beroept zich graag op de geschiedenis als leidraad voor het hedendaagse handelen. Een belangrijke historische les is dat een grootmacht die haar eigen bevolking onderdrukt geen lang leven is beschoren.