Baruch de spinoza

Hij is al meer dan drie eeuwen dood, maar zijn gedachtengoed doet nog steeds wenkbrauwen omhoogschieten. Verheerlijkt en verafschuwd - wat is toch het geheim van die ‘kleine jood uit Voorburg’?
DAT DE OP 24 NOVEMBER 1632 geboren Baruch de Spinoza zich kon ontwikkelen tot een van de grootste filosofen van de zeventiende eeuw, en tot de grootste Nederlandse filosoof van alle eeuwen, mag een godswonder heten. De eind zestiende, begin zeventiende eeuw naar de Republiek der Verenigde Nederlanden gevluchte Portugese ‘marranen’ - joden die uit lijfsbehoud tot het katholicisme waren overgegaan - vormden een zeer kleine gemeenschap waarin de inteelt welig tierde. Het maakte het Amsterdamse milieu van sefardische joden wel benauwend. De hoogbegaafde Spinoza werd aanvankelijk gezien als een van de toekomstige geestelijke leidslieden, maar zijn eigenzinnige denkbeelden werden als zo bedreigend ervaren dat hij door de Portugees-joodse gemeenschap werd uitgekotst.

Als Spinoza in een ander land dan de Republiek had gewoond, hadden de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten hem wellicht een kopje kleiner gemaakt. Hier kon hij zich echter in betrekkelijke rust aan zijn levenswerk wijden. Maar hoewel hij een onopvallend leven leidde en weinig publiceerde, werd hij op het einde van zijn leven toch als de antichrist gezien, als een schepsel afkomstig uit de hel. Na zijn dood zwol de stroom van tegen Spinoza gerichte geschriften aan tot een ware vloedgolf. Een populaire vorm van vrijetijdsbesteding onder de toenmalige fundamentalisten was het vervaardigen van ‘grafschriften’ voor Spinoza: 'Spouw op dit graf. Hier ligt Spinoza. Was zijn leer daar ook bedolven! Wrocht die stank geen zielpest meer.’
Iemand die zoveel afschuw wekt zal het er ook wel naar gemaakt hebben, is menigeen geneigd te denken. Maar wie zich in het leven van Spinoza verdiept komt al spoedig tot de conclusie dat we hier met niets minder dan een heilige te maken hebben. Hij was een echte boekenwurm, hij verdiende zijn dagelijks brood met het slijpen van lenzen, zijn afleiding bestond uit het observeren van spinnen en het voeren van gesprekken met vrienden. Spinoza-vorser Wim Klever heeft slechts uiterst vage aanwijzingen dat zijn held ooit ten vleze is gegaan. Volgens Bertrand Russel was hij 'de edelste en beminnelijkste van de grote filosofen. In verstandelijk opzicht wordt hij door sommige anderen overtroffen, maar in zedelijk opzicht staat hij ver boven allen.’ Waarop de grote logicus vervolgt: 'Het natuurlijk gevolg was, dat hij gedurende zijn leven, en nog een volle eeuw daarna, werd beschouwd als een buitengewoon slecht mens.’
HOEWEL DE JONGE Bento een echte studiebol was, werd hij op zeventienjarige leeftijd door zijn vader in de zaak gehaald. Na de dood van vader Michael in 1654 zetten Bento en zijn jongere broer Gabriel de zaak in gedroogde zuidvruchten voort, maar Spinoza’s enige hartstocht gold nog steeds de studie. In zijn onverzadigbare kennishonger las hij alles wat hij te pakken kon krijgen. Hij raakte steeds meer uitgekeken op de scherpzinnige maar steriele commentaren van de talmoedisten en de buitengewoon starre regels en wetten kwamen hem onzinnig voor. Onder de zakenrelaties van zijn vader was een aantal mannen die meer belangstelling hadden voor intellectuele zaken dan voor hun kasboek. Van Simon Joosten de Vries, Jarig Jelles en Pieter Balling - allen van oorsprong doopsgezind maar later behorend tot de 'collegianten’, vrijzinnige protestanten - kon Spinoza aanvankelijk heel wat leren. Eenmaal opgenomen in hun vriendenkring werd hij echter de leermeester en werden zij de eerste 'spinozisten’.
Na de dood van zijn vader voelde Spinoza zich niet langer gedwongen de schijn van vrome jood op te houden en zijn verplichtingen aan de sefardische gemeente na te komen. Op 27 juli 1656 werd daarom de ban over hem uitgesproken: 'Met het oordeel der engelen en de uitspraak der heiligen vloeken, bannen, verwensen en vervloeken wij Baruch de Espinoza met toestemming van de gezegende God en geheel deze heilige gemeente voor de heilige boeken der Thora en de 613 voorschriften die daarin beschreven staan, met de banvloek waarmee Eliza de kwajongens verwenste en met alle vervloekingen die in de wet geschreven staan.’ Nadat alle mogelijke manieren waarop Spinoza vanaf dit moment vervloekt was waren gespecificeerd, waarschuwden de rabbijnen 'dat niemand hem mag spreken noch schrijven, niemand hem enige gunst mag bewijzen noch onder een dak met hem verblijven of binnen vier ellen afstand van hem bevinden en dat niemand enig geschrift door hem gemaakt of geschreven mag lezen’.
De ban maakte zijn positie als joods zakenman onmogelijk en Spinoza liet de zaak over aan zijn broer. Zijn reeds genoemde vrienden, waartoe ook de boekhandelaar en uitgever Jan Rieuwertz behoorde, bezorgden hem vertaal- en correctiewerk en betaalden hem wellicht voor wat hij hun leerde. Verder leerde hij lenzen slijpen en bezocht hij de Latijnse School van de Antwerpse ex-jezuiet Franciscus van den Enden. Spinoza moet veel hebben opgestoken van deze avontuurlijke en uitdagende leermeester, al zou hij nimmer een kritiekloos leerling zijn. Er bestaan grote overeenkomsten tussen de politieke geschriften van Van den Enden en die van Spinoza, maar het is niet duidelijk wie nu wie heeft beinvloed.
Wel staat vast dat Spinoza zich in deze jaren intensief is gaan verdiepen in het werk van de in 1650 overleden Descartes. De denkbeelden van de grote Franse filosoof, die van 1629 tot 1649 in de Republiek had gewoond, waren destijds bijzonder in de mode en werden aan verschillende universiteiten onderwezen. Ook Spinoza werd sterk beinvloed door Descartes, vooral waar het de methode betrof, maar al spoedig kwam hij tot de conclusie dat diens theorie inconsequent was.
Eind 1659 dienden de rabbijnen van de Portugese synagoge een ons onbekende aanklacht tegen Spinoza in bij het Amsterdamse gemeentebestuur. Na veel gependel tussen het kastje en de muur werd besloten om Spinoza voor enkele maanden uit Amsterdam te verbannen. Spinoza ging en keerde niet meer terug. In 1661 vestigde hij zich te Rijnsburg, de plaats waar de beweging der 'collegianten’ was ontstaan. Deze vrijzinnige protestanten verzetten zich tegen de geestdrijverij der steile calvinisten en vormden 'colleges’ waarin zij gezamenlijk de bijbel bestudeerden. De beweging, die begonnen was onder ambachtslieden maar die later ook mensen uit de regentenklasse aantrok, kende geen officiele voorgangers en werd gekenmerkt door tolerantie en gemeenschapszin. Spinoza vond een gastvrij onderdak bij de collegiant en chirurgijn Herman Homan.
Rond deze tijd moet Spinoza zijn eerste voltooide studie - een Verhandeling over de verbetering van het verstand bleef onafgemaakt - hebben geschreven: de Korte verhandeling van God, de mensch en deszelfs welstand. Lange tijd heeft men dit manuscript beschouwd als een nogal onbeholpen en primitieve voorstudie voor de Ethica. In dit boek van 150 bladzijden is Spinoza’s filosofie echter al volledig ontwikkeld, zij het nog niet op alle punten even verfijnd, en wordt zij buitengewoon krachtig uiteengezet. Zijn opvattingen weken zo sterk af van alles wat tot dan toe bedacht was, zelfs van de filosofie van Descartes, dat Spinoza zich realiseerde dat publikatie ervan hem in grote moeilijkheden zou brengen. Hij liet de tekst wel aan zijn vrienden lezen, maar drukte hun op het hart zeer voorzichtig te zijn met verdere verspreiding.
WAT MAAKTE Spinoza’s wijsbegeerte nu zo explosief dat ze zelfs in het 'vrije’ Holland niet openbaar gemaakt kon worden? De grote boosdoener was Spinoza’s godsbegrip. In de joods-christelijke traditie was God de oorzaak van alles. Hij had de wereld met alles erop en eraan in elkaar gezet. Omdat in het denken de mens, met zijn verstand en zijn twijfels, steeds meer centraal was komen te staan, begon het oude godsbegrip steeds meer gebreken te vertonen. Descartes was al hard op weg geweest God overboord te zetten, iets wat hij naar eigen zeggen niet deed uit eerbied voor zijn moeder. Hij had zich er op filosofische wijze uit gered door toepassing van het dualisme: Er bestonden slechts twee substanties, God en de natuur. Voor ieder menselijk wezen betekende dit een onderscheid tussen ziel en lichaam.
Volgens Spinoza was dit onderscheid in twee substanties zeer inconsequent, aangezien Descartes onder substantie verstond 'een zaak, die zodanig bestaat, dat zij geen enkele zaak voor haar bestaan nodig heeft’. Als de natuur een substantie is, waarom heeft zij God dan nodig? Dus stelde Spinoza dat God en Natuur een substantie waren. Als er geen onderscheid tussen God en natuur mogelijk was, dan was alles goddelijk, dan verdween het onderscheid tussen goed en kwaad, en dan had het begrip God eigenlijk geen enkele betekenis meer. Vandaar dat Spinoza in de ogen van de meeste christenen een godloochenaar was, die de naam des Heren alleen nog gebruikte als dekmantel. ’t Mom-aensicht der atheistery afgerukt was dan ook de titel van een anti- spinozistisch geschrift uit 1683.
Niet alleen Spinoza’s godsbegrip was reeds in de Korte verhandeling te vinden, ook andere opvattingen, zoals de oneindigheid van de materie, het determinisme, de relativering van goed en kwaad, de ontkenning van een bijzondere openbaring en de verklaring van het menselijk gedrag vanuit het fundamentele streven naar zelfbehoud en zelfontplooiing. Het was niet bepaald een gezellige filosofie, maar een zeer strenge, ascetische leer die hoge eisen stelde. In zijn weergaloze La crise de la conscience europeenne (1680-1715) noemt Paul Hazard Spinoza’s wijsheid 'stoicijnser dan die van de stoicijnen, een harmonieuze en lastige wijsheid, met zoveel kwaliteiten ook dat ze tegenover het christendom kon worden gesteld’.
Spinoza echter was nog niet tevreden. Vooral de vorm waarin hij zijn gedachten had gegoten, was niet zuiver en niet streng genoeg. Hij wilde zijn filosofie op 'geometrische’ wijze formuleren, in de vorm van stellingen en een spijkerharde bewijsvoering. Het enige geschrift dat hij onder eigen naam publiceerde, een uiteenzetting van Descartes’ Principiorum philosophiae (1663), kan worden gezien als een soort vingeroefening in die richting. De opvattingen die hij in dit boekje - op verzoek van vrienden binnen enkele weken geschreven - verwoordde, waren voor Spinoza echter reeds een gepasseerd station. Een van de redenen om het toch te publiceren was de hoop dat hij hiermee in regentenkringen voldoende steun kon verwerven om te zijner tijd zijn eigen filosofie te publiceren.
Spinoza’s ster begon in de kringen der machthebbers inderdaad te rijzen. Johan de Witt was hem welgezind en Christiaan Huygens had groot respect voor zijn wetenschappelijke kennis en zijn uitmuntend geslepen lenzen, al bleef hij hem wel altijd aanduiden als 'le petit juif de Voorburg’. Naar die plaats was hij in 1663 verhuisd, om enkele jaren later in Den Haag te gaan wonen - steeds dichter bij zijn beschermheren.
Spinoza’s behoefte aan protectie en zijn huiver voor publikatie waren, alle roem op Hollands vrijheid ten spijt, geen overdreven voorzorgsmaatregelen. Doordat hij gereed gekomen gedeelten van zijn Ethica onder vrienden liet circuleren, begonnen zijn ideeen enige bekendheid te krijgen. Sommige van zijn leerlingen verwerkten Spinoza’s inzichten in hun eigen publikaties. Dit deed ook Adriaan Koerbagh, die in 1668 een woordenboek publiceerde waarin veel van Spinoza’s kritiek op het christendom was verwerkt. De man werd opgepakt en stierf onder ellendige omstandigheden in een Amsterdams rasphuis. Er was voor Spinoza dus alle reden om de Ethica voorlopig nog maar in de la te houden.
Wat wel verscheen was, in 1670, zijn Tractatus theologico-politicus. Hoewel op het titelblad de naam van de auteur ontbrak en als plaats van uitgifte Hamburg werd vermeld, wist binnen korte tijd iedereen dat dit een boek van die Hollandse jood Spinoza was. In een klap was hij een Europese beroemdheid geworden. Spinoza had weliswaar reeds internationale contacten gehad, maar nu stond hij zeer in de belangstelling bij esprits forts uit tal van landen. Menigeen kwam hem in Den Haag opzoeken, en in 1673 werd Spinoza zelfs ontboden door Conde, de bevelhebber van het leger waarmee de Zonnekoning de Republiek was binnengevallen. Hetzelfde jaar bedankte hij voor een professoraat te Heidelberg, hem aangeboden door de keurvorst van de Palts.
Terwijl van de Tractatus theologico-politicus druk na druk verscheen - na het verbod in 1674 onder diverse valse titels - werd Spinoza door rechtzinnige christenen van uiteenlopende gezindten verketterd. Het traktaat was in tweeerlei opzicht subversief. Uiteraard werd toen vooral het theologische deel beschouwd als iets wat zeer ongehoord was. Hierin ontpopte Spinoza zich immers als de aartsvader van de moderne bijbelkritiek door het copyright van de Schrift niet toe te kennen aan God, maar te stellen dat het Boek der Boeken een compilatie was van een groot aantal door mensen opgestelde geschriften. Bovendien verkondigde hij dat de kerkelijke traditie het geloof had laten degenereren tot een dor formalisme.
Maar van deze denkbeelden liggen wij niet meer wakker. Wat het Godgeleerd- staatkundig vertoog, zoals het boek in de in 1694 verschenen Nederlandse vertaling heette, nog altijd actueel en omstreden maakt, is Spinoza’s politieke theorie. Bekend is natuurlijk zijn pleidooi voor vrijheid en tolerantie, maar het belangrijkste is zijn ontmaskering van de politiek als een brute machtsstrijd tussen individuen en groepen met als resultaat het recht van degene die de sterkste blijkt. Dit recht van de sterkste werd door Spinoza niet veroordeeld; als determinist zag hij het als een natuurwet, dus als een goddelijke wet. Spinoza was als weinig anderen thuis in de geschriften van Macchiavelli en wordt door Isaiah Berlin gekenschetst als een 'surprisingly tough- minded political thinker’. Klever spreekt van een 'onverteerbare woeste anomalie’ in de geschiedenis van de politieke theorie.
HET TUMULT ROND de Tractatus theologico-politicus werd ruimschoots overstemd door de politieke ontwikkelingen in die jaren, zoals het 'rampjaar 1672’, toen de de gebroeders De Witt werden vermoord en Willem III aan de macht kwam. Dit alles moet Spinoza ten zeerste hebben beroerd, te meer daar hij, niet ten onrechte, werd geassocieerd met de kringen rond de raadspensionaris. In een gefingeerde catalogus van De Witts bibliotheek werd over de Tractatus opgemerkt: 'Door den afvalligen Joodt te samen met den Duyvel in de Hel gesmeedt en met kennis van Mr. Jan en syn Complicen uytgegeven.’ Gelukkig wist zijn hospes hem ervan te weerhouden na de moord op de De Witten op de plaats van het misdrijf een plakkaat aan te spijkeren met de tekst 'Ultimi barbarorum!’
Nadat de storm was gaan liggen en de militaire dreiging was verdwenen, concentreerde Spinoza zich weer op de voltooiing van de Ethica, iets wat gezien zijn zwakke gezondheid niet meeviel. Het boek is zo ongelooflijk compact, dat in de pakweg tweehonderd bladzijden een complete bibliotheek huist. Het samenvatten van zijn gehele filosofie in die uiterst strenge, geometrische vorm moet een onvoorstelbare krachttoer zijn geweest.
Hoewel zijn magnum opus pas na zijn dood in 1677 werd gepubliceerd, in de Opera posthuma, ging het daarvoor reeds door geleerd Europa. Leibniz heeft letterlijk gebedeld om het te mogen inzien. Spinoza weigerde. De invloed van Spinoza op de Duitse filosofie, op de metafysica van de achttiende eeuw, zou overigens enorm zijn. Terwijl voor velen Spinoza een pure atheist, een platte materialist was, inspireerde de Ethica vele mystieke geesten.
Als we naar de figuur Spinoza kijken is dat eigenlijk ook niet zo vreemd. Hij was zeer zelfbewust, absoluut overtuigd van zijn capaciteiten en van het belang van zijn ideeen, maar hij ging er niet van naast zijn schoenen lopen. Hij zette niet, zoals de van aristocratische pretenties barstende Leibniz, een weelderige pruik op zijn hoofd om zich vervolgens per karos langs de Europese hoven te laten vervoeren, maar hulde zich in een 'Turksche gryne mantel’ en woonde op kamers. Ook wierp hij zich niet op als martelaar voor de Waarheid, iets waartoe, althans volgens Leopardi, mensen met een hoge eigendunk vaak geneigd zijn. Het is juist dat enorme contrast tussen dat bijna abnormaal 'normale’ leven en die nietsontziende en alles omverkegelende filosofie, dat aan de persoon van Spinoza een mystieke glans geeft.