Bericht uit Syrië

‘Bashar, wij geven ons bloed’

Groene-journalist Robert Dulmers verblijft een maand in Syrië, waar sinds de Russische inmenging de kansen voor Assad gekeerd lijken. ‘De regering zal alle 185.000 vierkante kilometer van Syrië terug onder haar gezag brengen.’

Medium hh 50959047

Het is 30 september, twee uur ’s middags, als ik Damascus binnenrijd. De dag is in Libanon rustig begonnen. Geen nieuws uit New York, waar in de wandelgangen van de zeventigste algemene vergadering van de VN de Syrische delegatie onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Walid Muallem en zijn rechterhand Faisal Migdad naar verluidt de niet-gebonden landen als India en Brazilië probeert te paaien en de toezegging doet om over een opnieuw uit de kast gehaald vredesplan van VN-gezant Staffan de Mistura ‘te willen brainstormen’ zonder verdere verplichting. ‘De Verenigde Staten’, heeft Barack Obama daags tevoren aan de verzamelde wereldleiders gezegd, weigeren samen te werken met ‘tirannen als Assad die vatbommen gooien op onschuldige kinderen.’ Assad zelf is in New York afwezig. ‘De realiteit eist dat in Syrië een compromis wordt bereikt’, spreekt Obama de algemene vergadering toe. ‘De realiteit eist ook een geleide transitie weg van Assad en naar een nieuwe leider.’ Na 240.000 doden in vier jaar oorlog is er nog steeds een patstelling in het Syrische conflict als ik om twee uur ’s middags Damascus binnenrijd, me volkomen onbewust dat een half uur later de wereld er in Syrië volledig anders uit zal zien.

Aan de stadsrand van Damascus verwissel je het minibusje uit Beiroet, dat niet verder mag, voor een van de vele gele taxi’s. Ze staan op de snelweg al onder het viaduct te wachten, achter opgeworpen wallen van zand en puin, want pal achter de snelweg ligt de wijk Darayya, die stevig in handen is van de rebellen. Het is kalm en vredig en de vogels zingen als ik m’n rolkoffer versleep naar de gele taxi. Dan, als uit het niets, het gebrul van straaljagers. Twee gevechtsvliegtuigen scheren over ons heen. Doffe klappen. Zwarte rookpluimen. Ineens is het weer volop oorlog.

‘Nee, de staatsmedia zeggen niets over vliegtuigbommen’, zegt Bacel op het ministerie van Informatie. Hij scrolt op het computerscherm. ‘Eens kijken wat de oppositie zegt… “14.23. Assad heeft formeel gevraagd om ingrijpen van de Russische luchtmacht. De eerste aanvallen zijn zojuist ingezet.”’ Na vier jaar oorlog: game changer.

‘Je krijgt Bacel de komende maand tot je beschikking wanneer je wil’, zegt Reem Haddad, directeur Buitenlandse Pers. ‘Engelssprekende journalisten zijn er nu niet in het land.’ Het is mijn derde reis naar Syrië in anderhalf jaar, en ik heb een visum gekregen voor een hele maand. De komende maand zal ik in het Syrië van het regime behalve de nodige Russen twee Japanners, vier Fransen, een Spanjaard en een Griek tegenkomen die allen na een paar dagen weer verdwijnen. Bij vlagen ben ik de enige westerse journalist in Syrië.

Het Bureau Buitenlandse Pers zit op de achtste verdieping van een aftandse flat en biedt aan alle kanten wijd uitzicht op de stad. Opnieuw een luchtaanval op de zuidelijke wijk Darayya. Het lijken Migs van de Syrische luchtmacht. ‘Hij heeft nu zijn handen vrij’, zegt Bacel, doelend op Assad, ‘de Russen geven hem rugdekking.’ Ook elders in Syrië, meldt het Kremlin, is de Russische interventie begonnen. Bij de strategische steden aan het oostfront, Homs en Hama, en in de westelijke provincie Idlib, die eind maart in handen viel van het met al-Qaeda verbonden Jadhab al-Nusra – een totaal onverwacht verlies voor Assad.

Het regime vecht voor z’n leven: de laatste verbindingsweg tussen regeringsgebied en Aleppo, de grootste stad van het land en het financiële en industriële hart van Syrië, staat op het punt om door de rebellen veroverd te worden. Aan de kust wordt Latakia ineens bedreigd, het hartland van het regime, de stad waar de Assads vandaan komen, en ook de havenstad Tartus, waar de Russen een marinebasis hebben, springplank ook voor de Russische en Iraanse grondtroepen die volgens steeds persistenter berichten sinds midden oktober bij honderden, zo niet duizenden het land worden binnengeloodst.

Terwijl in Darayya vier knallen klinken en rookwolken opstijgen, loop ik met Bacel naar de geldautomaat, waar hij zijn maandsalaris van omgerekend 81 euro uit de muur wil trekken. Een ambulance giert over de rijbaan; er is door de rebellen klaarblijkelijk teruggeschoten. Een knal, dichtbij, en Bacel krimpt ineen. ‘Je weet: vroeger was ik nooit bang voor mortieren. Je kunt er tóch niks tegen doen en het leven ligt in Gods hand.’ Maar dit voorjaar is zijn broer Mohammed om het leven gekomen. ‘In de oude binnenstad, overigens vlak bij jouw logement. Sindsdien krimp ik bij iedere knal ineen.’ Hij herstelt zich. ‘Waarom zegt de geldautomaat “Welkom” en meldt vervolgens “Leeg”? Wellicht omdat-ie ondanks alles beleefd wil zijn.’ De humor is weer terug. Meer ambulances gieren over de rijbaan, een militair houdt het verkeer tegen. Het loopt allemaal gesmeerd.

Latakia. Het bolwerk van Assad. Vier knipperlichtjes boven de Middellandse Zee. Langzaam vliegt een observatiedrone door de donker wordende hemel. Dan het oorverdovend gebrul van laagvliegende straaljagers. Twee deltavormige vliegtuigen scheren in een bocht over de stad, maken een draai boven zee en verdwijnen dan richting noorden, naar de Syrisch- Turkse grens. Langzaam verdwijnt ook de drone uit zicht. Maar veel en veel hoger, op misschien wel tien kilometer, draait een soort knipperende ster langzame rondjes. Dan scheert boven ons nóg een straaljager. Aan zijn silhouet – potloodvorming met smalle vleugels – is hij makkelijk te herkennen: een Mig 23, een sovjettoestel dat door Rusland al lang niet meer gebruikt wordt, maar waarvan Syrië er, op de vooravond van de oorlog in 2011, nog 136 in gebruik had. De twee deltavormige vliegtuigen kan ik pas na enig zoekwerk op internet thuisbrengen: een Soechoj SU-30, een moderne Russische aanvalsjager.

In de verte, richting grens met Turkije, menen we wat doffe dreunen te horen. Het is waarschijnlijk het spel dat deze maand al vaker gespeeld is: op zo’n twintig kilometer van hier, aan de grens met Turkije, bombarderen hypermoderne Russische jets Assads tegenstanders, terwijl een heel wat minder moderne Syrische Mig 23 als een hinderlijke mug langs de Turkse grens de uitgerukte Navo-jagers op z’n radar lockt en zo het westers bondgenootschap bezighoudt.

‘De Russen spreken? Onmogelijk!’ zegt de man van het plaatselijke perscentrum. De wijde omtrek van het Bassel Al-Assad-vliegveld, waar de Soechoj-straaljagers staan, is nu militair geheim, zo hebben de Russen bepaald. Gelukkig heeft een Russische cameraploeg de week ervoor uitgebreid opnamen mogen maken en een rij van 28 straaljagers staat diezelfde dag op YouTube, met het hele arsenaal bommen en al. Van Iraanse grondtroepen, die in kleine patches het land zouden binnendruppelen, is volgens Bacels collega al helemaal geen sprake. Dan een geweersalvo in de steeg naast het raam. ‘Weer een martelaar gevallen’, zegt de persman; weer een regeringssoldaat gedood. Straaljagers die laag overvliegen, ingegraven tanks langs de weg, de vuurmond gericht naar het oosten; er lijkt niet ver van Latakia wel degelijk gevochten te worden, en wel voor het eerst sinds de oorlog begon. Voor het regime een veeg teken.

Twee soldaten halen ons op. Pers- of propagandatoertje, het is maar hoe je het beziet, naar het tussen de zee en de groen beboste bergen liggende Armeens-christelijke plaatsje Kassab, pal aan de grens met Turkije. Kassab werd eind maart na bloedige huis-tot-huisgevechten veroverd door het islamistische al-Nusra en de jihadistische strijdgroep Ahrar ash-Sham, en is sinds drie maanden weer stevig in handen van het Syrische regeringsleger. ‘De helft van de bevolking is weer terug’, zegt sergeant Ibrahim, een reus van een kerel met een verlegen glimlach. We tellen in het hele stadje vier spelende jongetjes, drie gesluierde meisjes die een ijsje eten en een ongesluierde, dus Armeense oude vrouw op haar balkon. Langs de deels stukgeschoten kerk, beklad met jihadleuzen, rijden we de heuvel op die boven de stad ligt. Ibrahim stopt bij een klein betonnen huis. Binnen is het een bende, het meubilair ligt overhoop en er zijn honderden kogelgaten.

‘Op 25 maart’, zegt Ibrahim, ‘wilden we Kassab heroveren. Hier liepen we in een hinderlaag. Ikzelf was pelotonleider van de tweede groep, net voor deze bocht. Toen de eerste groep van 32 man, die vlak voor ons liep, de bocht om was, werden ze van links en rechts en boven en onder beschoten. Een deel van onze manschappen sneuvelde onmiddellijk, de rest was zwaar gewond en werd dit huis binnen gesleept en hier ter plaatse afgeslacht. Kijk, je ziet hier het bloed nog op de muren. Een filmpje daarvan hebben ze op YouTube gezet.’ De bloedbesmeurde muren zien er akelig uit en sinds de moordpartij heeft niemand het huisje meer betreden. ‘Wat er nu door me heen gaat?’ Ibrahim bloost onder zijn dunne baard. ‘Hoe zou jij je voelen als je 32 mannen die als broers voor je waren, had verloren?’

‘Ik zou huilen.’

‘Precies.’

‘Wat er nu door me heen gaat? Hoe zou jij je voelen als je 32 mannen die als broers voor je waren, had verloren?’

Hij zou een monumentje willen bouwen, ‘maar dat is niet aan mij maar aan de regering. Voor mij is dit een heilige plaats, en sowieso al een monument; het bevat het bloed van mijn vrienden.’ Veel wraak op al-Nusra kon Ibrahim niet nemen bij de herovering van Kassab. ‘Áls ik dat al had gewild. Ik ben niet zoals zij; ik dood geen gewonde tegenstanders in koelen bloede – het is hún manier van denken. De gevangenen die wij maakten, hebben we keurig naar boven gestuurd, naar de tribunalen.’ Veel gevangenen waren het niet. ‘De meeste rebellen vluchtten de grens met Turkije over. Turkse artillerie maakte het pad vrij. Turkse ambulances evacueerden de gewonden.’ Drie kilometer diep in Turkije, achter de heuvels, zegt Ibrahim, ligt nu een klein trainingskamp van jihadisten. ‘Maar ze schieten niet op ons.’

Op naar de vroegere Turkse grenspost. Syrische officier in battledress met zonnebril. Veertig meter verderop, in blauwe plastic letters, ‘Welkom in Turkije’, en verschanste Turkse soldaten. We mogen niet dichterbij. ‘Spreken jullie met elkaar?’ vraag ik.

‘Nee.’

‘Wat gebeurt er dan?’

‘Niks. Heb je verder iets te vragen?’

‘Ja, wat voert u hier zoal uit?’

‘Dat is een vraag die je aan een militair niet moet stellen.’

Niet alle militairen denken er zo over. Terug in Damascus, Security Square, zwaarbewaakt terrein met de hoofdkwartieren van de Legervoorlichtingsdienst, veiligheidsdiensten en nog zo wat. Wachtposten met raketwerper en zware machinegeweren. We worden doorgewuifd. We zouden spreken met een vrouwelijke generaal, maar die blijkt halsoverkop afgereisd naar het front. Dus wordt het, heeft de kolonel van Voorlichting bepaald, een andere generaal. Aan het noordfront van Damascus, in de wijk Qaboon, op tien minuten rijden van de binnenstad.

‘Wat denken ze eigenlijk in Holland van Syrië?’ vraagt de kolonel.

‘Laat ik vrijuit spreken’, zeg ik. ‘Niemand denkt dat jullie baardapen zijn uit de woestijn, maar het imago van president Assad is ronduit slecht.’

‘Wonderlijk…’, zegt de kolonel. ‘Dat terwijl het Westen zich lieert aan Saoedi-Arabië, waar vrouwen geen auto mogen rijden en ze handen afhakken…’

Medium img 2302

Op de tv wordt plotseling de uitzending onderbroken. ‘Vandaag zijn de Syrische strijdkrachten begonnen met een massaal offensief tegen IS en andere terroristische groepen’, verklaart chefstaf Ayyoub. Vandaar dat iedereen ineens weg is! Een massaal grondoffensief, in de lucht gesteund door de Russen. De beer is los. De Navo slaat alarm, vreest uitbreiding van het conflict. ‘Amerika gaat wapens, munitie en communicatieapparatuur leveren aan een selecte groep rebellen’, kondigt daags erop het Pentagon aan en dertigduizend rebellen verenigen zich onder de naam Syrian Democratic Force; 110 pallets met wapens en munitie hebben de VS al afgeleverd. En ook de zware Amerikaanse tow-antitankraketten duiken in flinke aantallen op het slagveld op. Amerikaanse wapens schieten nu op de Russische tanks van Assad. Waar nodig zal de Amerikaanse luchtmacht de rebellen ondersteunen, laat het Pentagon nog weten – een war by proxy lijkt dichterbij.

‘Nederland: zestien miljoen mensen. 41.000 vierkante kilometer. Jullie koning heet Willem-Alexander. Jullie zijn hoogopgeleid, hebben een democratisch systeem en jullie premier heet Mark Rutte.’ Brigadegeneraal Ghassan Afif kijkt me triomfantelijk aan. ‘Ik houd van geschiedenis. Wie de geschiedenis niet kent, is een idioot. Kennis is grenzeloos.’ Een soldaat met rode baret springt in de houding met een stamp op de vloer. ‘Uit respect’, zegt generaal Afif: ‘Drie dingen in het leven zijn belangrijk: respecteer je commandant, respecteer je leraar, respecteer je ouders.’

‘Drie dingen in het leven zijn belangrijk: respecteer je commandant, respecteer je leraar, respecteer je ouders’

We rijden de vijftig meter naar de frontlijn. ‘Dit is m’n vierde auto. Je ziet: al behoorlijk met kogels doorzeefd.’ Op de achtergrond toenemend gerommel. Kanonnen: uitgaand vuur, en dichterbij het geratel van geweren. In een oud schoolgebouw, pal aan het front, huist Afifs meerdere, de bevelhebber van het noordelijke front van Damascus. Stamp! In de ramen liggen zandzakken. ‘Mijn eerste prioriteit: je kwam hier veilig aan, nietwaar? Je reed over de snelweg, vijftig meter van hier. Als een terrorist ook maar één meter dichterbij kon komen, lag de snelweg onder vuur van sluipschutters. Het belang van één meter hier is gelijk aan het belang van een kilometer elders.’

‘Die zandzakken?’ vraag ik.

‘De rebellen zitten hier op honderd meter van mijn bureau.’

Maar niet lang meer, volgens de generaal-majoor: ‘We hebben informatie ontvangen dat de buitenlandse huurlingen de wijk ontvluchten. Met hulp van onze Russische vrienden jagen we ze stuk voor stuk over de kling. Waarom het ons in vier jaar strijd nog niet gelukt is de hoofdstad te ontzetten? Voor ieder zichzelf respecterend leger een blamage? We gooien hier de boel niet in één keer plat; de terroristen verschuilen zich tussen burgers. We hanteren de lancet-methode om burgers te ontzien. Maar in heel Syrië is het leger nu in alarmfase rood. Volgend jaar om deze tijd zal de oorlog voorbij zijn.’

Met generaal Afif lopen we door het schoolcomplex. Dan door gaten in huizen. Dan langs een muur van zandzakken. ‘Hier moeten jullie even rennen.’ We rennen. ‘De terroristen zitten hier één meter vandaan, precies hier om de hoek.’ Juist. Dan staan we aan het uiterste front, in een oude fabrieksloods. ‘Hieronder ligt de Souk van de Kleermakers’, zegt Afif. Onbeweeglijk tussen de zandzakken staan en zitten zwart gemaskerde commando’s. In gevechtshouding met helmen op. De precisiegeweren gericht door spleten tussen de zandzakken op de straat van de Souk van de Kleermakers. De vinger aan de trekker. Klaar om te schieten op alles wat beweegt.

George, een wat verlegen jongen met droeve ogen, wil even praten. Zijn zwarte masker houdt hij op. ‘Ik kom uit een dorp bij Kassab. Ik ben een Armeense christen. In de Armeense genocide, honderd jaar geleden, zijn de meeste mensen in ons dorp door de Turken vermoord, nog maar vijf families zijn er over. Onder Bashar Assad worden we beschermd. Mijn ouders zijn nu gevlucht naar Zweden. Nee, mijn ouders zijn niet bang dat ik sneuvel, we moeten onze waardigheid behouden, ik verdedig nu mijn land.’

‘Ben je zelf niet bang?’

‘Ik zou hier niet zijn als ik bang voor de dood was. God is met ons.’

Ik vraag Afif naar het gebruik van barrel bombs. ‘Die bestaan niet. Het zijn normale projectielen van nog geen halve ton zwaar, die in de media zo heten. Een journalist is een jager. Maar een havik zoekt niet naar de muis maar naar de grote prooi. Je moet je concentreren op de grote zaken: de Arabische lente is een Israëlische lente geworden. De meest dodelijke bommen ooit waren Amerikaans en vielen in Hiroshima en Nagasaki. De Amerikanen doodden drie miljoen mensen in Irak, nu willen ze ons zelfs onze geweren afnemen. Ik zou dolgraag meer precisiewapens willen hebben, maar die zijn te duur. Ik heb het recht om naar alternatieven te zoeken als ik geen kogels kan kopen.’

Dan, terug van de frontlijn, onder een pergola van wijnranken, wordt er gezongen. Een rode baret met een prachtige stem zet meeslepend in: ‘Bashar, we houden van je. Bashar we geven ons bloed voor je.’ De generaal zingt en klapt mee. Ghassan Afif – Instituut Clingendael trekt hem op mijn verzoek even na: ‘Commandant van het 45ste regiment Speciale Troepen. Heeft gevochten in Homs en Hama. Valt onder de EU-sancties vanwege het neerslaan van de opstand tegen Assad in 2011.’

Ik sta op het dak van mijn logement in de oude stad. Dag na dag nemen de beschietingen op de wijken waar de rebellen zich verschanst hebben toe. De eerste dagen van de maand knallen howitzergranaten ogenschijnlijk lukraak op de woonwijken van het stadsdeel Jobar, op de stukgeschoten huizen nog geen kilometer verderop. Langzaam wordt de kring van zwarte rookpluimen steeds wijder, tot aan de verre horizon.

Half oktober: steeds meer witte rookpluimen, veroorzaakt door steeds hoger vliegende straaljagers. Enorme klappen, in de wijk Qaboon, steeds meer gericht op een en hetzelfde punt. Het kan haast niet anders: hier schiet men sinds kort met Russische precisiewapens. Terwijl ik zit te eten, schiet een straaljager een klein raketje af. Het raketje draait eens links, dan rechts, en schiet dan in volle vaart op zijn doel af.

‘Wat doe jij zo vaak op het dak?’ vraagt de sergeant van het roadblock hier in de straat.

‘Vliegtuigen kijken.’

‘Laat Rusland en Iran helpen, maar niet het commando overnemen. Het Syrische leger moet aan de knoppen blijven’

Vooruit dan maar, dat mag. Ik krijg daartoe speciale permissie.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken. Opulent, smaakvol opgetrokken in blond hardsteen met arabesken. De marmeren vloeren spiegelen en de zalen en gangen lijken uitgestorven. Sinds het ingrijpen van de Russen is het oorverdovend stil van de kant van de regering. Dus ga ik naar Faisal Migdad, vice-minister van Buitenlandse Zaken en een van de sterke mannen van het regime. Migdad, tot hij tot de inner circle van de macht toetrad permanent vertegenwoordiger bij de VN, is welbespraakt en intelligent – sluw zouden sommigen zeggen. Hoe hoger de rang, hoe langer het antichambreren, maar dan neemt de minister uitgebreid de tijd. ‘Ja, het inroepen van steun van de Russen hebben we al maanden van tevoren gepland. En nee, ik kan je niet vertellen wat voor militaire acties we samen met de Russen gaan ondernemen. Dat is een zaak van nationale veiligheid.’ De acties, zegt hij, zijn nog maar net begonnen en zullen nog grootschaliger worden: ‘Het zal overal in Syrië plaatsvinden. Overal waar terroristen zijn, zullen ze worden aangevallen. Het beste voor hen is te rennen voor hun leven.’

‘Zullen er Russische of Iraanse grondtroepen ingezet worden?’ vraag ik.

‘Nee, we hebben die niet nodig. Het Iraanse leger is hier niet.’

Het gesprek was zondag een week geleden en waarschijnlijk was het reguliere Iraanse leger hier toen nog nét niet. Maar daags na het interview trokken, volgens steeds sterkere berichten, duizenden Iraanse grondtroepen naar Aleppo, voor een laatste en wellicht beslissende slag. Syrië, Rusland en Iran hebben deze maand een militair bondgenootschap gesloten van jewelste dat, in de woorden van Migdad, ‘Amerika in z’n hemd doet staan’.

‘De regering houdt haar plannen altijd voor zich’, zegt Mary, voor de oorlog hr-manager van een grote im- en exportfirma en nu, nu de buitenlandse handel door de sancties vrijwel stilligt, de receptioniste van mijn hotel. ‘En onthult haar plannen vaak pas achteraf.’

Maar het strategische plan dat de regering-Assad in het hoofd heeft en dat Migdad niet wil onthullen, krijgt scherpere contouren; de strijd wordt langzaam opgevoerd. Het vorige maand nog uitgeputte regeringsleger, ooit 220.000 man, is door desertie en het sneuvelen van tienduizenden soldaten zo goed als gehalveerd, maar blaakt van nieuw elan.

‘Natuurlijk zijn er Iraanse troepen in het land’, zegt Mary, ‘en die zijn er al een tijdje.’ En zij kan het weten, ze is de dochter van een kolonel. De stadswijk Jobar, sinds drie jaar in rebellenhanden en de afgelopen drie weken door Russische vliegtuigen bestookt, is ze ontvlucht. Ze is niet optimistisch: ‘Er is een verschil tussen een wijk bombarderen en een wijk heroveren. Ook met de komst van de Russen is er geen vooruitgang, alleen maar het geknal van bommen.’

‘Het Syrische leger strijdt dapper’, zegt Mirna, óók manager, ‘maar ze kunnen de verliezen niet verbergen. Ze vechten al bijna vijf jaar en velen zijn gesneuveld, en honderdduizenden jonge mensen zijn het land ontvlucht. Laat Rusland en Iran ons helpen, maar niet het commando overnemen. Het Syrische leger moet aan de knoppen blijven.’

De burgers van Damascus – een van de oudste steden ter wereld en mogelijk zelfs de oudste nog bewoonde stad – bewaren, al lang vóór de Assads, vanouds een zekere afstand tot de macht. ‘De Fransen, de Engelsen en de Turken kwamen hier allemaal om ons zogenaamd te bevrijden’, zegt Mary, ‘waarna ze het land annexeerden. De Russen en het Iraanse leger zijn hier op uitnodiging van de regering en ik hoop dat ze iets goeds betekenen voor het land en het Syrische leger ondersteunen.’ Ze zegt het met een fijne glimlach; in propaganda gelooft hier niemand meer.

Grote billboards hangen in Damascus met een vrouw met een hoofddoek en het geweer schietklaar. ‘Het Syrische leger is voor mannen en vrouwen. Meld je aan om je land te verdedigen!’ ‘Ja. Steeds meer vrouwen vergezellen hun mannen naar het front’, zegt Mirna, ‘en het leger beleeft een wedergeboorte.’

‘Vrouwen zijn gevaarlijker dan mannen’, zegt Mary. ‘Koelbloediger en meer vastbesloten om hun mannen en hun kinderen te wreken. En als een IS-strijder door een vrouw gedood wordt, is dat voor jihadisten een trap in hun kruis.’

En nu? De laatste veldslag? De bombardementen op de buitenwijken van Damascus zijn afgenomen, de laatste dagen. Dat duidt op toenemend succes voor het regime. Maar aan drie kanten is de hoofdstad nog door rebellen omsingeld: alleen het westen van Damascus ligt buiten schootsbereik. En: deze week opeens weer een paar mortieren op het stadscentrum, dat was lang geleden! En – nieuw – zondag is een fiets ontploft, beladen met explosieven. Sindsdien worden bij de roadblocks de kofferbakken weer grondig gecontroleerd.

Een laatste stuiptrekking in Damascus van al-Nusra en de Free Syrian Army? Wellicht. Elders in het land gaat de strijd knalhard verder. Alleen al in het gouvernement Latakia zijn het afgelopen weekend meer dan driehonderd doden gevallen, melden eensgezind het regeringspersbureau Sana en het oppositiegezinde Observatory for Human Rights. ‘Driehonderd terroristen’, zegt Sana. ‘Waaronder 178 burgers’, zegt het ohr. Vele honderden doden zijn deze week gevallen bij Raqqa, Homs, Hama en Aleppo. Een tweedeling van het land, de de facto opdeling van Syrië met in het westen het regime met de grote steden en in het oosten IS met de woestijn en de oliebronnen, is volgens de Syrische regering geen optie.

‘De Syrische regering zal alle 185.000 vierkante kilometer van Syrië terug onder haar gezag brengen’, zegt minister Migdad. ‘Er zal geen oost zijn en geen west, geen noord en geen zuid. Er is maar één optie en dat is één Syrië. We zullen vechten tot de laatste vierkante centimeter van het land.’

Mary is sceptischer: ‘De regering zal Aleppo bevrijden en Homs en Hama en de snelweg die de drie steden verbindt. Het leger trekt zich daar nu samen. Raqqa op korte termijn heroveren, lijkt me een illusie. Het consolideren van het westen van het land is, denk ik, op dit moment het hoogst haalbare. Het conflict zal voorlopig nog niet over zijn, en dus zullen we al tijdens de oorlog het land opnieuw moeten opbouwen. En het regime? Dat heeft het in de oorlog al vijf jaar uitgehouden, en zal dat nog wel vijf jaar doen.’


Beeld: (1) Damascus, 10 oktober. Foto Mikhail Voskresenskiy / RIA Novosti / HH; (2) Damascus, George aan het front, geweer gericht op de Souk van de Kleermakers. Foto Marijn Kruk