Basisinkomen: boze droom of paradijs?

Sociaal-economische discussies maken doorgaans geen grote emoties los. Er is een uitzondering: het basisinkomen. Zelden kreeg De Groene zoveel ingezonden brieven als toen de hoofdredacteur zich eens waagde aan een korte beschouwing waarin hij deze zogenaamde sociale hervorming ontmaskerde als een verachtelijke truc van lanterfantende pseudo-intellectuelen om hun geestelijke luiheid gesubsidieerd te krijgen.

Vandaag de dag is het niet anders. Nu waait de wind echter uit een heel andere hoek. Twee paarse ministers, van wie de een over ‘slands financien gaat en de ander over 'slands bedrijvigheid - Zalm en Wijers dus - hebben zich onlangs openlijk bekend tot een vorm van het basisinkomen: de negatieve inkomensbelasting. Iedere Nederlander boven een zekere leeftijd krijgt als het aan hen ligt van de overheid een bescheiden inkomen.
Daarmee wordt een van de kernelementen van de sociale zekerheid - de plicht tot werken en het recht op een uitkering - afgeschaft. Het is de natte droom van iedere werkende burger: geen belasting betalen maar belasting krijgen. En tegelijk het ultieme angstbeeld: straks ben ik de laatste werker in dit land en kan ik de kost verdienen voor iedereen die te lamlendig is om vuile handen te maken.
De krantekolommen staan ook deze keer bol van de commentaren. De een ziet alle vrouwen weer achter het aanrecht verdwijnen, de ander juist niet, een volgende voorziet grootschalige klaploperij, een ander juist een heropleving van het saamhorigheidsgevoel. Kortom, de gedachte van een arbeidloos inkomen werkt als een prachtige spiegel van maatschappelijke dromen en angsten.
Maar de meeste politici dromen niet (meer). En dus overheersten in de - over het algemeen afwijzende - politieke reacties vooral de financiele argumenten. Is een basisinkomen betaalbaar, of is het een financiele tijdbom? Maar dat is niet het eigenlijke probleem. Financieel betekent het basisinkomen een herverdeling van inkomens, niet dat het land ten onder gaat omdat iedereen ineens pakweg zevenhonderd gulden meer moet hebben uit de staatskas, zoals Nova Flip de Kam op de achterkant van een sigarendoos liet voorrekenen.
De werkelijke discussie gaat over rechten en plichten en dus over de verhouding tussen staat en burger. Zalm noemde met een verwijzing naar de fraudegevoeligheid van het huidige systeem van sociale zekerheid dan ook een heel andere overweging toen hij zijn idee lanceerde: de beheersbaarheid. 'Het is’, zo zei hij in Brandpunt, 'niet langer mogelijk en het wordt ook niet meer geaccepteerd burgers op zo'n manier te controleren.’
Nog lastiger wordt het voor de politici omdat de discussie ook een nieuw debat inhoudt over de betekenis van werk. Juist nu het credo van elke zichzelf respecterende politicus 'werk, werk, en nog eens werk’ luidt, zou men moeten leren leven met de mogelijkheid van zoiets ongelooflijks als 'vrijwillige werkloosheid’. Het is niet toevallig dat juist twee liberale nieuwkomers in het politieke circuit met dit soort ideeen komen. De toekomst zal leren of de traditioneel meer op beheersing ingestelde sociaal- en christen- democraten bereid zijn het werkelijke debat te voeren en de mogelijkheid tot experiment te scheppen. Dromen kan ook met open ogen.