Baskisch pact

In Bilbao opent deze week een filiaal van het New Yorkse Guggenheim Museum. Na jaren met zijn museum langs diverse Europese cultuurcentra te hebben geleurd, heeft directeur Krentz eindelijk zijn plaats van bestemming gevonden. En net als bij het hoofdkwartier, dat is gehuisvest in een conus, het unieke spiraalvormige gebouw aan Fifth Avenue, ontworpen door Frank Lloyd Wright, is opnieuw gekozen voor een ontwerp dat bij voorbaat een icoon van deze tijd zal worden, van de hand van een der bekendste architecten van dit moment, Frank O. Gehry.

Er is veel talent verspild voor het zover was. Jarenlang circuleerde een uiterst gewaagd ontwerp van Hans Hollein in de internationale pers. Hij had in 1990 voorgesteld om de befaamde rots van Salzburg uit te hollen als een negatieve replica van de witte kegel van Wright. De bezoeker zou hier beneden zijn kunstroute beginnen en langzaam opstijgen, als ware hij het object van zijn eigen apotheose. Met de bekende Holleiner ruimtebewerking in het vooruitzicht stond hier een absoluut hoogtepunt van hedendaagse architectuur op stapel. Het heeft niet zo mogen zijn. Uiteindelijk deed het zelfrespect van Salzburg het project de das om. De Oostenrijkers waren niet bereid zo naar de pijpen van Krentz te dansen dat zij slechts tot veredelde financiers werden gereduceerd.
De Basken waren daar wel toe bereid. Bilbao is een stad op zoek naar nieuwe wegen maar zonder eigen munitie om op nieuwe doelen te mikken. Om sterk te staan in de strijd om het vlottende mondiale kapitaal moest het een pact sluiten met de Amerikanen. Het moest de eigen culturele soevereiniteit uit handen geven om een culturele magneet van jewelste binnen de muren te kunnen halen. Zo betaalt het de bouw- en beheerkosten, terwijl de architectuurkeuze en de gehele programmering voor rekening van het moederbedrijf zijn. Omgekeerd heeft het Guggenheim voor een habbekrats een afdeling in het avondland gerealiseerd. In feite heeft het door simpele naamsverlening zijn imperium uitgebreid.
De Amerikanen weten wat een magnetisch spektakel is. Het gebouw is meteen al een onovertroffen staaltje van deconstructivistische glamour. In de wat vervallen stad ligt nu een glimmende rotspartij. Vanuit elke hoek word je verrast door de schijnbaar chaotische constellatie van uitstekende volumes. Every inch een Gehry. Het museum zit nu al met de handen in het haar omdat trekpleister nummer 1, Picasso’s Guernica, niet conform een eerdere afspraak uit Madrid zal worden overgebracht. Het was de bedoeling dat dit oorlogstafereel, hoogtepunt der moderne kunst, de beoogde 400.000 bezoekers per jaar trok. Deze ambitie moet nu, vanwege de afwezigheid van één enkel schilderij, worden bijgesteld. Maar wie het gebouw door half gesloten ogen bekijkt, ziet er zelf een Guernica in, letterlijk en figuurlijk een gebombardeerde architectuur. Gehry’s architectuur is die van het perfect gedimensioneerde slagveld, een ruïne, de esthetiek van de ineenstorting. Het gebouw lijkt eigenlijk zelf een magneet, zo één die juist een groot aantal stukken metaal heeft aangetrokken, die er nu schots en scheef tegenaan gekleefd zitten. Wat je er ook van zeggen kunt, Gehry heeft voor een onovertroffen sculptuur gezorgd en wat dat betreft alle beloften ingelost. Er is geen twijfel mogelijk dat de eerste twee jaar de streefcijfers gehaald gaan worden, en dan vooral als gevolg van het mondiale architectuurtoerisme dat zich dit hoogtepunt niet zal laten ontgaan.
Maar wat er daarna gebeurt is een andere vraag. Een vraag die de gemeentelijke beslissers van nu waarschijnlijk niet meer hoeven te beantwoorden. Zij zullen hun oogst bijtijds hebben binnengehaald. Maar als de architectonische attractie geconsumeerd is, zal zeer vermoedelijk de kunstcollectie niet voldoende kwaliteit hebben om de publieksstroom op gang te houden. Er zijn in Europa al te veel musea met hun eigen Merz, Buren, Judd of Beuys. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat het in Bilbao veel anders zal worden.