Batavus dorknoper

Een rots in de branding van bestuurlijk Rommeldam, van kinds af aan goed in rekenen, goudeerlijk, niet ongeestig en nu kandidaat voor de post van commissaris der Koningin in Zuid-Holland. Ambtenaar eerste klasse Batavus Dorknoper.(

BATAVUS DORKNOPER (55), wie kent hem niet?
Hij geldt, gegeven zijn staat van dienst, als een belangrijke kandidaat voor de, plotseling vrijgekomen, post van commissaris der Koningin in Zuid-Holland, de provincie zijner inwoning, met de eveneens vacante betrekking van gemeentesecretaris van Amsterdam als aantrekkelijk alternatief. ‘Maar als ik mijn bescheiden talenten tot het eind mijner dagen in dienst van de gemeente Rommeldam mag stellen, zal ik daar geen nacht van wakker liggen’, verklaarde de hooggeplaatste beambte desgevraagd in de Rommelbode, het lokale nieuwsblad.
Rommeldam is, zoals bekend, van oudsher een centrum van kunst en cultuur, met zijn gouaches uit de Rommeldamse School, het literaire kwartaalschrift De Bolderknar, de gevierde dichter De Canteclaer, de performer Waggel en niet in de laatste plaats de dichter-musicus ('Geld en rol - bol en hol - Prollebol!’) Slingervinger. Batavus Dorknoper, allesbehalve een homme de lettres en al helemaal geen muzische persoonlijkheid, wil eigenlijk niets - het moet worden geconstateerd - van dit soort artistieke fratsen weten. 'Dat dichten leidt alleen maar tot het niet betalen der directe belastingen’, pleegt hij te zeggen. Zijn kracht ligt in zijn bestuurlijke onkreukbaarheid. Bekend is het incident rond perceel folio XY 666, Donkere Bomenlaan 45, in de periferie van de gemeente, dat de expansiebeluste burgermeester Dickerdack ten faveure van de Zuid-Bevelandse Oliehandelsmaatschappij wenste te onteigenen. De burgemeester had buiten de waard gerekend. Dorknoper zei hem, dwars tegen de hiërarchische verhoudingen in, ongezouten de waarheid: 'Burgemeester, als u mij niet euvel duidt, wat u gedaan hebt is een ernstige overtreding, strijdig met artikel 25934b van de gemeenteverordening.’
Hij geldt als een typische PvdA-centrist uit de school van Willem Vermeend en W. Drees jr., al vergt zijn compromisloze rechtlijnigheid soms wat van iemands geduld. Zijn motto is: 'Dit is een vrij land, maar de vrijheid moet in ordelijke banen worden geleid.’ Bekend is het feit van het flevelhuisje dat zijn stadgenoot, de kasteeleigenaar Olivier B. Bommel, eigenhandig, dwars tegen de voorschriften in, van zijn terrein had verwijderd. Toen Bommel door Dorknoper op zijn handelwijze werd aangesproken ontstak de wetsovertreder in woede en sprak, volgens oorgetuigen, de onberaden woorden: 'Mooi is dat! Fraai hoor! Rood fasjisme, dat is het! Bovendien is het mij vrij op te ruimen wat ik wil, want ik beschik over de vermogens!’
Dat Bommel uiteindelijk kansloos was in zijn gevecht tegen de, in het algemeen belang, allesbestierende overheid, behoeft geen betoog.
OVER OLIVIER B. BOMMEL, de bekendste ingezetene van Rommeldam, is in de loop der jaren menige studie of deelstudie verschenen. De Dorknoper-kunde heeft zich daarentegen merkwaardigerwijze nooit ontwikkeld omdat de man, schrijft de Rommeldamse Bommel-specialist H.R. Mondria, 'meer een systeem vertegenwoordigt dan menselijke eigenschappen bezit’.
Het is een bewering die elke grond ontbeert. In werkelijkheid is Dorknoper een der markantste figuren in het straatbeeld van het bruisende havenstadje, met zijn beproefde regenjas en zijn eeuwige bolhoed. Er is niet veel over zijn verleden bekend, behalve dat hij een typische self made man is, die zijn positie heeft verworven door een cursus fiscale econometrie aan de Leidse Onderwijsinstellingen. In de loop der jaren heeft zijn dossierkennis indrukwekkende proporties aangenomen. Probeer hem niets wijs te maken. Men krijgt onmiddellijk de kous op de kop. 'Wij zullen zien of het hier een overtreding van artikel 94 of van 94a betreft. Ik voor mij houd het op het eerste.’
Want ongeestig is Dorknoper niet, in ambtelijke termen gesproken. De kranten hebben vol gestaan over de moedige wijze waarop voornoemde Olivier B. Bommel enige jaren geleden de belastinggelden uit de klauwen van de lokale onderwereld redde, eenvoudig door uit een kastanjeboom te tuimelen, waarbij de aanvoerder van de bende midribs werd getroffen. De opgeluchte Dorknoper drukte de kasteelheer vervolgens warm de hand en sprak: 'Hartelijk dank, meneer Bommel. 'Het zal mij een eer zijn u te mogen aanslaan.’
Het is een soort klerkse humor die niet iedereen zal aanspreken, maar toch zijn eigen, dorknoperiaanse charme heeft.
Nee, de man valt, tegen de uiterlijke schijn in, onmogelijk een dorre, in zijn folianten begraven, regelneef te noemen, bij wie drukinkt in plaats van bloed door de aderen stroomt. Het is slechts bij intimi bekend dat hij een keer per week het buurtcafé pleegt te bezoeken om daar een verfrissing te gebruiken. Eén verfrissing, liefst, indien aanwezig, een glas karnemelk. In alle opzichten is hij een gematigd mens. Toen de stad zijner inwoning in de vroege jaren zestig door een golf van dropverslaving werd getroffen, was het Dorknoper, samen met voornoemde Bommels vleugeladjudant Poes, die het hoofd koel wist te houden. Moeiteloos wist hij de verleidingen te weerstaan. 'Snoepen kan ik mij in mijn positie niet veroorloven’, zei Dorknoper. 'Een enkel pepermuntje op zondag misschien, maar geen onmatigheid met drop of suikerwerk. Wij overheidspersonen moeten nuchter in het leven kunnen staan.’
Men ziet, er is niets mis met zijn communicatieve vaardigheden, behalve het feit dat hij zich, zoals menige collega-ambtenaar, soms wat omslachtig pleegt uit te drukken. 'U begrijpt me niet’, zei hij eens tegen voornoemde Bommel, in een poging deze de consequenties van de wet-Oort uit te leggen. 'Het gaat om de inkomensverhoudingen, die aan een grotere eenvormigheidsnivellering onderworpen zullen worden, zodat het differentiepotentieel adaptief-concordant wordt.’
'Goempf…’ verzuchtte voornoemde Bommel.
Het ambtelijk jargon is nu eenmaal niet voor iedere leek even gemakkelijk te volgen. Voornoemde Bommel, niet alleen de bekendste, maar ook de welvarendste en dus hoogst aangeslagen ingezetene van de stad, is hierdoor menigmaal tussen de wieken van de ambtelijke molen geraakt. Nóg een voorbeeld: 'Uw belastingafhandeling is geproblematiseerd’, zei Dorknoper eens, 'door het terugkoppelen van de fiscaalvriendelijke concordantievarianten. Dat heeft tot chaotisering geleid, zodat wij nu in een postvariabel beslissingsmoment zijn geraakt.’
'W-waar zijn w-we in ge-geraakt?’ sprak de kasteelheer, achteruit deinzend.
HET JARGON van de betreffende functionaris moge af en toe wat versluierd klinken, het versluiert niet een ambtelijke inborst die goudeerlijk is. Toen eens (niet voor het eerst) voornoemde Bommel het slachtoffer dreigde te worden van de bestuurlijke willekeur van voornoemde Dickerdack was het weer Dorknoper die, manmoedig zijn promotiekansen in de waagschaal stellende, beleefd maar krachtig protesteerde. 'Het voorgestelde is questieus’, constateerde hij. 'Prognostiserend zou ik willen opmerken dat er het voorgestelde nog niet genoeg jurisprudentie bestaat; en bovendien is Bommel onschuldig, zolang zijn schuld niet rechtmatig is vastgenageld. En een onschuldige moet politioneel tegen onlustonvriendelijkheid worden afgeschermd; daar is de wet héél duidelijk in.’
Zijn lijfspreuk is 'Saevis tranquillus in undis’, ontleend aan A. Alberts’ beroemde Inleiding tot de kennis van de ambtenaar (1986). Een functionaris die zich, in de marge van de wet, buiten de gebaande paden beweegt is hem een gruwel. In het weekblad Bestuurlijk Rommeldam heeft hij onlangs een principiële beschouwing geschreven over ongewenstheid van bijvoorbeeld een bankierende overheid, een thema dat de laatste weken, zoals men weet, alom in de belangstelling staat. Dorknoper sprak in onverbloemde termen over 'ambtelijke doodzonden’, de treurige tegenstelling tussen de 'nieuwe bestuurder’ en de 'vroegere, zogenaamd stoffige’ ambtelijke staven, die tegelijkertijd 'de uitvoerders en tegelijkertijd de hoeders van de regels’ waren. Hoe komt het dat het woord 'bureaucratie’ plotseling een negatief begrip is geworden? De auteur zei daarvan niets te begrijpen. Wat is er tegen een fatsoenlijke bureaucratie? 'Nog steeds zorgt een goede bureaucratie voor gelijke kansen, faire behandeling, gaat ze vriendjespolitiek, willekeur en botte beslissingen tegen en zorgt ze voor een klimaat waarin het overheidshandelen de kans krijgt legitimiteit bij de burgers te verwerven.’ Dat konden zowel voornoemde Dickerdack als mevrouw J. Leemhuis-Stout in der lui zak steken!
DE AMBTENAAR DER eerste klasse Dorknoper, zegt een goed ingevoerde bron ter griffie, is een uitvoerder, een doener, die ten principale niet tot contemplatie is geneigd. Het is ongetwijfeld waar. Maar een enkele keer, in de beslotenheid van zijn werkkamer ten stadhuize, mag hij graag overpeinzen hoe hij zich, jong en nog onervaren, bekwaamde in de eerste beginselen van het hoofdrekenen, een vaardigheid die hem later, in zijn loopbaan, van grote waarde zou worden. Het was een eenzelvig kind, de kleine Batavus, altijd met de neus in kasboeken, met als enig gezelschap de sprekende kauw die hij ooit van een aangetrouwde oom ten geschenke had gekregen.
'Twee plus een is drieëneenhalf’, had hij het dier geleerd te zeggen. Typisch Batavus Dorknoper! In een tijdperk van een terugtredende overheid, waarin het profijtbeginsel regeert en de verantwoordelijke regeerders behalve de post en het spoor ook liefst alle ambtenaren zouden willen privatiseren, is en blijft hij een rots in de branding van bestuurlijk Rommeldam.