Economie

Baudets gelijk

Er bestaat al twintig jaar een groot gevoel van ongenoegen onder het Nederlandse electoraat. Het is amorf en ongearticuleerd en onttrekt zich in grote mate aan het zicht van de bestuurlijke en politieke kaste. Af en toe, bij verkiezingen, wordt er een glimp van waargenomen. En dan begint een even wanhopige als tijdelijke zoektocht naar de bronnen ervan. Een oprechte zoektocht is het nooit geweest. Sinds eind jaren negentig weten denktanks als het SCP en de WRR, journalisten van media als de Volkskrant en NRC Handelsblad en politici van de middenpartijen namelijk al op voorhand wat er mis is. Kiezers laten zich verleiden door het xenofobe geluid van eerst Fortuyn, toen Wilders en nu Baudet, luidt de comfortabele consensus. Domme, boze burgers zijn het, laagopgeleide, onbeschaafde provincialen die niet beter weten. Beter uitleggen, opvoeden en het onderhuidse racisme actief bestrijden is het parool.

En als dat niet helpt is er altijd nog het kiezersdiploma. Onder de middenpartijen leeft een grote, groeiende en ten principale ondemocratische afkeer van de domme kiezer. Het verklaart het veranderend getij jegens directe democratie. Ooit de bestaansreden voor een partij als D66 keert diezelfde partij zich thans opmerkelijk fel tegen het referendum. Kennelijk heeft de onderwijspartij haar emancipatiehoop eraan gegeven en kiest zij er nu voor de kiezer de mond te snoeren. Het frame van de domme kiezer heeft quasi-progressieve partijen als D66 en GroenLinks electoraal geen windeieren gelegd. Pechtold, Halsema en Klaver danken hun politieke carrière en hun zetels louter en alleen aan hun retorische strijd met de PVV. En hebben daarmee hun eigen ideeënarmoede lange tijd aan het zicht weten te onttrekken.

Maar het heeft Nederland tevens diep gespleten langs breuklijnen van wederzijds onbegrip. Met zelfgenoegzame blindheid voor het eigen institutionele racisme aan de kant van hoogopgeleide centristen. En terechte grieven over hypocrisie en badinerend paternalisme aan de kant van laagopgeleide periferen.

Want waarom het racisme van Zwarte Piet breed uitmeten en achteloos voorbijgaan aan het feit dat op de universiteiten waar de antiracisten werken de schoonmakers steevast migranten zijn? Dat de scholen waar de kinderen van de antiracisten heen gaan lelieblank zijn? Dat diezelfde antiracisten er via het zogenaamde schaduwonderwijs alles aan hebben gedaan om het gekleurde vmbo te ontlopen? Dat de schouwburgen, musea en operahuizen die zij frequenteren hagelwit zijn? En dat dit exact dé publiek gefinancierde mechanismen zijn waarmee de eigen privileges worden gereproduceerd?

De elite zorgde steeds beter voor ­zichzelf

Wat in dit frame nu al decennia over het hoofd wordt gezien is dat dit slechts de vernederingen zijn die boven op serieuze krenkingen zijn gekomen. Voor iedereen met hbo en hoger is Nederland een prachtig land waarvan de elite zichzelf kan feliciteren met hoge posities op lijstjes die alleen de eigen klasse aangaan. Voor de lagere middenklasse en daaronder is er een totaal andere realiteit. Torenhoge huurlasten, stagnerende inkomens, dure zorg en onderwijs, afkalvende bescherming, toenemende precariteit en een oplopende mortaliteitskloof. Dat is de echte voedingsbodem van het grote ongenoegen. En daar is sinds enige jaren groeiende ergernis over bestuurlijke incompetentie en corruptie bij gekomen. Terwijl de onderklasse haar salaris heeft zien stagneren, is de elite steeds beter voor zichzelf gaan zorgen. De legitimatie is meritocratisch, maar het vertoonde gedrag is niets meer of minder dan inhalig. Het stupide grote-mannengedrag van jongetje Zijlstra die meent te kunnen schermen met ontmoetingen die nooit hebben plaatsgevonden en met diplomatieke kennis die half gehoord en half verteerd is, is symptoom van hetzelfde syndroom dat de corrupte partijvoorzitter annex uitvaartondernemer Henry Keizer heeft gebaard.

Het is illustratief voor een postpolitieke elite zonder visie of ideeën, die nu al te lang de lakens uitdeelt in een land met te hechte relaties tussen openbaar bestuur, grote ondernemingen, zelfstandige bestuursorganen en partijen die al heel lang geleden hun maatschappelijke wortels zijn verloren. Zoals de Amsterdamse politiciloog Van der Meer heeft laten zien, worden bestuurders in Nederland geworven uit een poel van pakweg dertigduizend mensen die er min of meer hetzelfde uitzien, min of meer hetzelfde denken en min of meer hetzelfde doen.

Visie, kennis, gedrevenheid, idealisme, passie, nonconformisme – het wordt in de Nederlandse politiek, op een paar opvallende uitzonderingen na, node gemist. In plaats daarvan inwisselbare vertegenwoordigers als Halbe Zijlstra of personeelsmanagers als Mark Rutte, die niet meer het verschil kennen tussen mijn en dijn, privaat en publiek, staat en bedrijf, politiek en bestuur. En die, daarop aangesproken, alleen maar homerisch gelach laten horen. Dat is het grote gelijk van Baudet.