Beatrice wacht

‘Schakel fladderende woorden tot een zwerm aaneen/ nieuw met oud, vertakking en verstrakking tot monding/ cirkels op het water tot een toverspreuk, sneeuwzeker/ verzen zwaar en licht tot een gedicht, misschien/ doornen tot een roos’. Het zijn de laatste regels van het gedicht ‘Sneeuwroos’, het laatste gedicht uit de tweede afdeling van Dwangbuis van Houdini, het debuut van de Antwerpse dichter Peter Holvoet-Hanssen. Natuurlijk streepte ik ze aan. Zo'n passage over wat met woorden moet gebeuren, lees je onmiddellijk als een verklaring die licht moet werpen op wat tot dan tamelijk duister bleef. Hier worden fladderende woorden tot een zwerm aaneengeschakeld, ‘nieuwe’ zowel als ‘oude’ woorden, en die woorden ‘vertakken’ zich inderdaad.

Een voorbeeld. In het gedicht ‘Sneeuwroos’ bloedt op een zeker moment iemand leeg op een wit tapijt, 'ijlend met een jakobsladder in haar kous/ naar de hemelboog’. Dat is niet meteen helder, maar het woordspelletje is duidelijk: ladder in de kous wordt jakobsladder - en bij dat woord denken we natuurlijk onmiddellijk aan het bijbelverhaal en de ladder naar de hemel. In het woordenboek vinden we ook nog dat een jakobsladder een touwladder is, en dat sluit weer mooi aan bij het gegeven dat binnen dit gedicht (maar eigenlijk binnen de hele bundel) veelvuldig naar scheepvaart wordt verwezen. Maar de jakobsladder vertakt zich binnen het gedicht nog verder. 'Salomonszegel niet verbreken’ staat een paar regels lager, en Salomon brengt ons opnieuw in bijbelse sferen, terwijl het woord 'salomonszegel’ de aanduiding is voor een plantje dat ook wel 'jakobsladdertje’ wordt genoemd.
Dit soort verbanden tussen woorden maakt vooral iets duidelijk over het hóe van deze gedichten. Ook het feit dat Holvoet-Hanssen kinderliedjes gebruikt, krantekoppen lijkt te citeren ('Olifant verdwenen aan boord van het spookschip Budapest’, begint het titelgedicht van de bundel), teksten uit popsongs citeert ('whole lotta shakin’ going on’) en refereert aan bijvoorbeeld Dante en Van Ostaijen, zegt in eerste instantie iets over het mechaniek van de gedichten, zoals ook het feit dat eenmaal geïntroduceerde elementen verspreid door de bundel als 'fladderende woorden’ terugkeren. 'Hij schrijft woorden op die nog verwant zijn aan de/ dingen. Buda. Pest’, lees je negen gedichten nadat Budapest in de krantekop opdook. Van Van Ostaijens gedicht 'Berceuse Nr. 2’ ('Slaap als een reus/ slaap als een roos,/ slaap als een reus van een roos/ reuzeke/ rozeke/ zoetekoeksdozeke/ doe de deur dicht van de doos/ Ik slaap’) wordt in een gedicht de eerste regel geciteerd, waarna elf gedichten later de laatste regels uit dat gedicht worden aangehaald.
En wie dan toch in Van Ostaijens gedichten aan het bladeren is geslagen, ontdekt daarin nogal wat verwijzingen naar Sinterklaas, de goedheiligman waarnaar ook Holvoet-Hanssen meermalen verwijst. 'Ik ben de schimmel van Sinterklaas, de druiper van Zwarte Piet’, lees je bijvoorbeeld in het gedicht 'Inferno IX’ - een titel die dan weer naar de Divina commedia lijkt te verwijzen, hoewel het in het gedicht onder andere over Karel de Grote gaat. Wie vervolgens Dantes dichtwerk uit de kast pakt, ontdekt dat in de negende zang van het Inferno door Dante gerefereerd wordt aan de begraafplaats Les Alicamps bij Arles, waar volgens de overlevering de strijders van Karel de Grote begraven lagen na de nederlaag van Roncesvalles.
Natuurlijk staat het hóe van de gedichten nooit los van het wát. En de verwijzing naar bijvoorbeeld Van Ostaijen is niet enkel erudiet vertoon. Zij heeft ook te maken met wat Van Ostaijen in en met zijn poëzie probeerde te bereiken en dat ik nu grofweg samenvat als de poging de dingen te zien 'als was het voor de eerste maal’. De 'vertakking en verstrakking’ van woorden lijkt een poging te zijn om los te komen van de meer vastomlijnde betekenissen, van het 'tot beu-wordens geziene’, zoals Van Ostaijen het omschreef.
De taal, de cultuur, de geschiedenis: ze vormen een dwangbuis waaruit de dichter als een Houdini probeert te ontsnappen. 'Hier zit je gevangen’, heet het in 'Inferno(IX’, 'Als een woestijnvos in een iglo of een Belg/ aan de Costa del Sol. Als een dolfijn in het dwangbuis van een/ dolfinarium of een zeeleeuw in de zoo. Als Sex in Tirol’. En in het titelgedicht zit Houdini in een kist onder water en noteert in zijn dagboek: 'Waar ben ik, op welke grond? New York? London?/ In Melbourne vond ik een lijk op de bodem. Er wordt geklopt./ Buikvliesontsteking. Beatrice wacht Waar is de sleutel?’
Beatrice wacht. Het is opnieuw een verwijzing naar de Divinia commedia, zij het dat de nadruk hier ligt op het wachten. Beatrice wordt niet gevonden. De nadruk ligt op de poging om te ontsnappen. 'Escape artist punched in the stomach by a young man’, zo luidt de krantenkopachtige regel waarmee het titelgedicht eindigt, en als ik me niet vergis, stierf Houdini ten gevolge van een dergelijke stomp. De bundel eindigt ook met een afdeling die de ondertitel 'smorzando’ heeft (wegstervend; de eerste afdeling heeft als ondertitel 'sforzando’, sterker wordend). Of, om het anders te zeggen: de dertigste zang van het Purgatorio uit Dantes gedicht, daar waar de dichter Beatrice terugziet, wordt hier niet gehaald, laat staan het extatische Paradiso. Er is weliswaar een gedicht dat 'In Paradisum’ heet, maar daarin gaat het er weinig paradijselijk aan toe ('Het winterde onbarmhartig, het zomert genadeloos’, zo begint het, er wordt iemand neergeschoten, terwijl aan het slot nog een bus 'slipt tot aan de rand van een ravijn’).
De nadruk ligt hier dus op het pogen te ontsnappen: schakelend, afdalend in de taal, onderliggende betekenissen blootleggend, associërend, combinerend, de meest uiteenlopende betekenisvelden aan elkaar knopend, gebruik makend van verschillende taalregisters, puttend uit zowel de zogeheten 'hoge’ als uit de 'lage’ cultuur. Het leidt tot soms buitengewoon geestige regels, soms tot meligheid, soms tot duistere, maar ook tot ontroerende gedichten, tot gedichten die nog het meeste weghebben van een kinderliedje (als bij Van Ostaijen), maar ook tot epische gedichten, tot lamento én vrolijkheid. En al lezend word je meer en meer bevangen door die mengeling van ongeloof, verbazing en bewondering die ook de toeschouwers van Houdini bevangen moet hebben. e begrijpt ineens wát Holvoet-Hanssen aan het doen is en ineens niet meer hóe hij dat precies voor elkaar krijgt.