HET EINDE VAN DE WEDEROPBOUW

Beatrixstraat, Den Helder

Rond 1968 was de wederopbouw vrijwel voltooid. De idealen van het Nieuwe Bouwen – efficiëntie, helderheid, openheid, duidelijkheid – verbleekten. Truttigheid zette in. Trefwoorden: zitkuil, woonerf.

Den Helder is geen bijzondere stad. Je komt er voor de boot naar Texel, het strand, de Vlootdagen misschien, maar niet voor de architectuur. Dat komt door de oorlog: de Duitsers bombardeerden de havens en werven, en sloopten daarna, tijdens de bezetting, een groot deel van de oude stad om een vrij schootsveld te creëren. Na de oorlog werd Den Helder opnieuw bestemd tot thuishaven van de Marine, en die zou zeer groot worden. Dat betekende dat de stad razendsnel moest worden herbouwd, de kades, de werven, de hijskranen en de woningen van hen die daar zouden gaan werken, inclusief kerken, scholen en winkels. Dat voltrok zich in vijftien jaar. Het is meer dan een typische wederopbouwstad: Den Helder is eigenlijk bijna uit het niets ontstaan.

Dat wederopbouwgevoel, dat ooit-helemaal-nieuwe, heeft Den Helder vijftig jaar later nog altijd. Het open karakter van de wederopbouwarchitectuur wordt versterkt door het klimaat. Er waait onophoudelijk wind uit zee, die het loofbomen lastig maakt, en er is veel zon – de meeste zonuren van Nederland, zeggen ze. Het is er aan de kale kant. Je kunt gebouwen goed zien.

De wederopbouw begon al tijdens de bezetting. Aanvankelijk, in Middelburg bijvoorbeeld, in de stijl van de Delftse School, een behoudende stroming die een voorkeur had voor oude vormen en gedachten, in een traditionele, zoutarme stijl. Voor de oorlog had de Delftse School met enig succes de strijd aangebonden met de hemelbestormers van het Nieuwe Bouwen, de mannen van het staal, het glas en het beton. Na de oorlog zouden die laatsten echter prevaleren.

De wederopbouw, en vooral de bouw van woningen, werd door het rijk aangepakt op een schaal die bij nader inzien veel weg heeft van de rücksichtslose planeconomie van het Oostblok. De overheid besloot tot vergaande rationalisatie en standaardisatie van de woning en de bouwmethode. Het rijk gaf voor gemeenten en corporaties kant-en-klare bouwplannen uit, compleet met werktekeningen, verkavelingsschema’s en kostprijsberekeningen. Alle plannen van lagere overheden die op rijkssubsidie aanspraak wilden maken, moesten worden getoetst aan een programma van eisen, de ‘Voorschriften en Wenken’, dat in 1951 van kracht werd en waarvan de kernwaarden al in de oorlog waren voorbereid door een werkgroep waarin Nieuwe Bouwen-architecten als Van Tijen, Merkelbach, Berghoef en Van den Broek zaten. Mannen die van het moderne hielden. Van hoogbouw, bijvoorbeeld.

De standaardisatie ging heel ver. Het rijk stelde standaardmaten vast voor de breedte van deuren, de hoogte van verdiepingen en de helling van trappen. In de sociale woningbouw mat een woonkamer altijd achttien vierkante meter. Esthetica kwam achteraan. Vormgeving bleef beperkt tot wat variaties in het metselwerk of in het arrangement van bouwblokken over de wijk, meer niet. Begin jaren zestig werd de bouwcampagne verder geïntensiveerd. De techniek werd nog ‘industriëler’, nog efficiënter, wat leidde tot enorme gelijkvormige wijken als Ommoord in Rotterdam en de Bijlmermeer bij Amsterdam, waarvan de honingraatstructuur niet werd bepaald door de visie van de architect, maar door de meest efficiënte positionering van de hijskranen. Door die extra inspanning kregen alle grote en middelgrote gemeenten in de jaren zestig een gordel met galerijflats tot veertien verdiepingen hoog. Eind jaren zestig bestond bijna zeventig procent van de bouwproductie uit gesubsidieerde woningbouw, in maar drie typen: de doorzonwoning, de portiek-etageflat en de galerijflat. Vrijstaande woonhuizen werden bijna niet gebouwd. In de stadscentra werd gekozen voor bebouwing tot vijf lagen hoog, gecombineerd met winkels op straatniveau. Daarbij gold de Lijnbaan (1951) in Rotterdam, van Bakema en Van den Broek, als een lichtend voorbeeld.

Maar dat was niet alles. De moderne, functionele architectuur van de jaren vijftig liep gelijk op met de modernisering van het leven zelf, van het huishouden, het interieur, de opvoeding. De jaren vijftig waren een tijd van gezondheid, hygiëne en discipline, termen die nu bijna ddr-achtig aandoen, maar die wezenlijke invloed hadden op hoe al die honderdduizenden woningen eruitzagen. Met lichte kleuren, lichte meubels, afwasbare oppervlakken, grote vensters, schone, efficiënte keukens waarin steeds meer ruimte was voor apparatuur. Dat gevoel voor helderheid vertaalde zich ook naar de straat en de buurt en de wijk. De wederopbouwers bouwden grote vrijstaande bouwblokken, omgeven door groen, met brede doorgaande straten in een rechthoekig patroon. Dat alles had onmiskenbaar de aantrekkingskracht van overzichtelijkheid en openheid. Een wereld, fris en schoon, als gewassen in Dato, Biotex of All. Zo ook Den Helder.

Den Helder kreeg in de jaren vijftig en zestig een nieuw ‘stadshart’. Een breed plein – ook geschikt voor parades op Koninginnedag – omgeven door flats van vijf, zes lagen hoog, winkels, voorzieningen. De bouwjaren daarvan vertellen het hele verhaal. Het NS-station: 1958. De Nicolaaskerk: 1962. Flatwoningen aan het Julianaplein: 1965. De schouwburg: 1965. Het postkantoor: 1967. In dat stadshart verrees ook, in 1962, de vestiging van Vroom & Dreesmann aan de Beatrixstraat, van de architect Kersbergen. Een langgerekte gevel, waarvan de vier verdiepingen aan de straatzijde zijn bekleed met witte platen, bekroond door een gekartelde dakrand. Daarvoor, als eyecatcher, een ronde uitbouw, waarin het restaurant, op één poot, verbonden met het hoofdgebouw door een smalle traverse.

Dat V&D-restaurant was het meest flamboyante gebouw dat er in Den Helder te vinden was. Bijna frivool, te midden van de kalme efficiëntie van de straat. Eigenlijk is het een minitoren, een gebouw dat honderd meter boven de straat had moeten uitsteken, zoals de Euromast die in 1960 in Rotterdam werd voltooid. In de vroege jaren zestig hielden ze van hoge torens, van Seattle tot Toronto, van Moskou tot Londen, bijna altijd met een (al of niet ronddraaiend) restaurant in de top, en dit is er ook een. In die uitbouw van de V&D in Den Helder zit een verlangen naar een grotere architectuur, een interessanter leven – en dan was het ook nog eens een restaurant, waar je coupes ijs met vruchtjes en een parapluutje kon krijgen. Dat was wat. Bij de Hema ernaast verkochten ze worst, maar het V&D-restaurant was de plaats waar de schaarste van de jaren vijftig voor het eerst zichtbaar overging in welvaart, en de efficiënte soberheid opeens een zekere artistieke ambitie verried.

Tegen de grote, rechtlijnige visioenen van de wederopbouw was eind jaren vijftig al een reactie zichtbaar. Architecten als Aldo van Eyck keerden zich tegen de standaardisatie. Ze reisden door Afrika. Ze pleitten voor meer gevarieerde architectuur. Bouwen hoefde niet alleen ‘groot’ en ‘veel’ te zijn, maar moest een ‘configuratie’ van tegenstellingen zijn, groot én klein, veel én weinig. Ze hadden de wind mee. Het verzet van architecten tegen het grote, monolithische gebouw – zoals tegen De Nederlandsche Bank in Amsterdam (1968) – liep gelijk op met het maatschappelijk verzet tegen de grote, monolithische instellingen die die gebouwen bevolkten. Alles wat ‘groot’ en ‘van bovenaf gepland’ was, was verdacht.

De mantra van de late jaren zestig werd dus ‘kleinschaligheid’. Architectuur moest gecompliceerder, gevarieerder en daardoor spannender worden. Het huis moest weer als afzonderlijke plek herkenbaar zijn en op verschillende manieren kunnen worden ingedeeld. De straat moest gezellig zijn. Dat zou de creativiteit van de burger versterken. Er werd weer gebouwd met hout en metselwerk, rode en bruine pannendaken, luifeltjes boven de voordeur, bielzen plantenbakken in autovrije straatjes met pleintjes, poortjes, plantsoentjes en een grote variatie in dakvormen en zichtlijnen. Hetzelfde gebeurde in het interieur: niet meer strak, wit, licht, maar rommelig, bruin, donker. In twee woorden: zitkuil, woonerf.

Met die kleinschaligheid leek de ‘verbeelding’ in de architectuur aan de macht te zijn, en soms was dat ook zo, origineel en komisch als in Piet Bloms paalwoningen in Helmond (1972). Soms ook succesvol, zoals in Herman Hertzbergers kantoorgebouw voor Centraal Beheer in Apeldoorn (1968-1972), ‘de Apenrots’. Dat gebouw was inderdaad groot en klein tegelijk, een enorm kantoorgebouw, maar ook een doolhof, een aaneenschakeling van kleine paviljoens met torentjes, tuintjes, zaaltjes en koffiepunten, geschikt, volgens de bouwmeester, voor een ‘spontane inbezitname van de ruimte’ door de gebruikers.

Na de helderheid van de wederopbouw keerde de architectuur rond 1968 dus terug naar het onoverzichtelijke. De kasjba. Het erf. Het multifunctionele gebouw. Architectuur waar je de weg niet in vindt. Kronkelende straten met planten-, dieren-, molen- en scheepsnamen. Zaagmolen. Zwenkgras. Kiefteglop. Bakboord. Galjoen. Het was verbeelding, maar het was de verbeelding van de macramélap, de opoefiets, de Weekendkwis, Rien Poortvliets Kabouter. Een knusse wereld. De architectuur ervan werd al gauw ‘Nieuwe Truttigheid’ genoemd.

De wederopbouwarchitectuur bereikt de leeftijd van vijftig jaar. Daarmee komt ze voor bescherming in aanmerking. In Den Helder is daar stevige belangstelling voor, omdat ze daar weinig anders hebben om te beschermen, maar ook omdat er iets te zien is, in die zakelijke helderheid, die moderne, hygiënische ambitie die merkwaardig interessant is. Die gebouwen zijn misschien lelijk, maar ze zijn niet slecht. Het is zeer goed mogelijk er een zeker verlangen naar te voelen.

Koos Bosma, et al. (red), Bouwen in Nederland, 600-2000. Waanders, 688 blz., € 39,95.
Met dank aan Mary Laan