Jazzsaxofonist Frank Morgan

Bebop na de bajes

San Quentin, Tehachapi, San Luis Obisbo — jazzsaxofonist Frank Morgan heeft de Amerikaanse gevangenissen van binnen gezien. Maar hij kan het navertellen en speelt weer met grote inzet pure bebop.

«Nee, het is geen kwestie van proberen de verloren tijd in te halen», zegt Frank Morgan bedachtzaam. Van zijn 69 jaren bracht de altsaxofonist er 28 in de bajes door. In inrichtingen met welluidende namen als Chino, Tehachapi, San Quentin (twee keer), San Luis Obisbo en Synanon. Altijd voor het gebruik van verdovende middelen. Dat was in 1954 in Amerika een zwaar misdrijf, en daar is niet veel aan veranderd. Pas in ’84-’85 wist Morgan uit de tredmolen zitten-vrij-arrestatie-zitten-vrij-arrestatie te ontsnappen en begon hij aan een comeback. En zo toerde hij eerder dit jaar met het trio van bebop-professor Rein de Graaff door Nederland. Niet zozeer om verloren tijd in te halen, maar meer om van elke nieuwe dag gretig te genieten.

Als je Morgan hoort spelen, begrijp je waarom hij als veertienjarige door andere muzikanten in Los Angeles «Little Bird» werd genoemd. De erfenis van Charlie «Bird» Parker ligt hecht verankerd in het spel van Frank Morgan. Zijn toon is droger en de noten vloeien wat minder moeiteloos, maar als hij het op zijn heupen krijgt, sproeit hij zijn frasen met superieur gemak over de hoofden van het publiek in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg. Dan zitten we even in het New Yorkse restaurant The Royal Roost in 1949, waar Charlie Parkers combo voor de muziek zorgt.

Zijn pa, Stanley Morgan, was jazzgitarist en speelde onder meer met de Rockets van saxofonist Harlan Leonard, met trompettist Howard McGhee en met The Ink Spots, de beroemde vocal group. Frank Morgan: «Van mijn vader heb ik gehoord dat hij naast mijn wiegje zat te oefenen. Daar werd ik dan heel rustig van. Hij vertelde ook dat ik altijd die gitaar wilde vastpakken.» Achteraf, beaamt Morgan, lijkt het er sterk op dat senior hem bewust de kant van de muziek op heeft willen duwen. Het duurde dan ook niet lang of de kleine Frank had een eigen gitaar. Hij was toen drie.

Dat ging allemaal prima totdat zijn vader hem op zijn zevende meenam naar een optreden van het orkest van Jay McShann, met daarin Charlie Parker, in het Paradise Theater in Detroit. Morgan: «Mijn vader werkte daar in een club met Howard McGhee. In de paasvakantie liet hij me overkomen. Toen Bird opstond om zijn eerste solo te spelen keek ik mijn pa aan en zei: ‹Het is wel mooi geweest met die gitaar, nu wil ik zó’n ding.›» Senior nam kleine Frank mee naar de kleedkamer om mijnheer Parker een handje te geven. Ze kenden elkaar van de Rockets, waar Bird een paar weken bij had gezeten.

Na een veelbelovend debuut op de jam sessies waar Los Angeles zo beroemd om was en een halverwege afgebroken tournee met rhythm-and-bluesdiva Dinah Washington (geelzucht door vuile naalden) vernam decennia lang niemand meer iets van Little Bird. Op het Haagse North Sea Jazz Festival van 1987 dook hij ineens op. Aangespoord door organisator Paul Acket («De mensen staan in de ríj in New York! Ze dragen hem op handen. Enórm succes. Hij zit niet in de lift, nee, hij zit enórm in de lift in Amerika!») ging ik naar hem luisteren. Maar ik vond het tegenvallen. Wél had Morgan een intrigerend achttienjarig trompettistje meegebracht. Ene Roy Hargrove.

Drummer Eric Ineke begeleidde de Amerikanen. «Een arrogante kwal, die Morgan», oordeelde hij. Dat had allemaal te maken met slechte vibraties, legt Morgan achteraf uit. Hij heeft zijn excuses inmiddels aangeboden, bevestigt Erik Ineke. Het was de eerste keer in Europa, met een wonderkind op trompet, de druk van de pas verworven roem en organisatorische perikelen.

Ook zijn verslaving aan heroïne en cocaïne had Morgan in zekere zin aan Charlie Parker te danken: als tiener wil je jezelf graag in alles aan je idool spiegelen. Dat was indertijd ook pa Morgans grote angst geweest. Hij wist dat Parker een begenadigd muzikant was, maar ook een onverbeterlijke junkie. Dat zoonlief van de geliefde gitaar overschakelde op altsaxofoon was op zich niet zo’n ramp, wél dat Frank op zijn zeventiende, op school nog, hopeloos verstrikt raakte in een zware habit. «Bird zat er zelf ook erg mee dat de mensen hem na-aapten en zichzelf de dood injoegen», zegt hij. «Hij was een krachtige persoonlijkheid, ook afgezien van de saxofoon. Ik was ooit aanwezig op een jamsessie in Pasadena, ergens hoog in de heuvels. Daar waren nogal wat lui van Cal Tech. Ik zag Bird met atoomgeleerden praten en die krabden zich achter de oren: hoe was het mogelijk dat die knaap zoveel over hun vakgebied wist? Hij moet een geheugen als een ijzeren pot hebben gehad.»

Saxofonist Dexter Gordon, zelf een stevige innemer, heeft zich eens laten ontvallen dat er ook positieve aspecten aan drugsgebruik zitten. Je zou dingen scherper zien en dichter bij je gevoel komen. «Wel», zegt Frank Morgan diplomatiek, «ik weet niet of ik het daarmee eens ben, maar ik betwist het zeker niet.» Morgan heeft altijd twee levens geleid. In de periodes dat hij gebruikte was er geen muziek en omgekeerd, wanneer hij moest optreden gebruikte hij niet. Domweg omdat hij dan in fysieke topconditie wilde zijn. Ja, een reefer om je een beetje te ontspannen, dat kon geen kwaad. Hij blowt sinds zijn negende. Of zijn achtste, zo precies weet hij dat niet meer.

De politie van Los Angeles, waar de familie Morgan zich in 1947 had gevestigd, stond bekend om haar onverholen racisme en haar ijver om zwarte junkies te pakken. Zwarte junkies en gemengde paartjes. Dat was de voornaamste oorzaak van de teloorgang van Central Avenue, die twintig jaar lang het centrum was geweest van het zwarte entertainment in Los Angeles. Dat daar nogal wat blanke filmsterren in het nachtleven doken zinde het gemeentebestuur allerminst. Vanaf de late jaren veertig kamde de politie systematisch de bars en danszalen uit. «Dat was de basis van alles, racial intermingling», beaamt de saxofonist. «En tot op de dag van vandaag, hoor. Het verschil met vroeger is dat wat ze ook doen, het mij niet meer zal raken. Ik heb nu een beter leven.»

Op zijn twintigste werd Morgan voor de eerste keer opgepakt, net toen hij op het punt stond met het combo van Max Roach en Clifford Brown op tournee te gaan. In de nor kwam hij behalve doorgewinterde criminelen ook veel artiesten en andere onaangepasten tegen. Hij speelde er met collega-saxofonist en -junkie Art Pepper en andere topmuzikanten. Ook ontwikkelde hij er een passie voor het schaakspel en speelde hij interpenitentiaire toernooien.

Frank Morgan: «San Quentin was geen leuke plek om te zijn. Maar er zaten vijfduizend man op een klein oppervlak bijeen en ik heb dus veel mensen zitten observeren. Echt verbazingwekkend; wanneer je mensen als Charlie Manson ontmoet, een heel aardig gastje. In die periode ben ik volwassen geworden.

Van alle gevangenissen was San Quentin in zekere zin het ergst. Ik bedoel, daar heb je de gaskamer. De laatste keer dat ik er verbleef zaten er bijna tweehonderd man op death row. Die zitten in volstrekte afzondering van de rest. Je hebt er de dead man walk. Als zo’n gast van de ene plek naar de andere wordt gebracht, gaat hij vergezeld van een bewaker vóór hem en een bewaker achter hem, terwijl een derde hem vanaf een andere verdieping onder schot houdt. Veiliger dan op death row kun je je het niet wensen! Echt volkomen krankzinnig.»

Hij is er goed vanaf gekomen, van al die jaren in San Quentin, de «living hell» in de woorden van zanger Johnny Cash, en in de andere gevangenissen. Geen gelooid junkiebekkie, geen tatoeages per strekkende meter. Wel een mank been. Maar dat is het gevolg van een attaque, een paar jaar geleden, die zijn rechterhelft verlamde. Morgan: «Mijn rechterhand is wat langzamer dan mijn linker. Maar dat kan ik wel compenseren. Ik heb geluk dat ik nog leef. Toen het net gebeurd was heb ik de Schepper gevraagd of ik alsjeblief mijn toeter weer kon gaan spelen. Dan zou ik een manke poot of zo voor lief nemen. Hij antwoordde me niet, ik kreeg geen ja of nee te horen. Maar moet je nu zien: ik loop mank, maar ik spéél.»

Als ik opmerk dat hij deze kant van de tralies ongetwijfeld prefereert, blijft het lange tijd stil. «Yeah», zegt hij uiteindelijk. «Ach, toen was toen en nu is nu. Het leven is geweldig en ik blijf niet graag in het verleden hangen. Als ik niet oppas, blíjf ik over Charlie Parker en drugs en de nor praten.»

Frank Morgan speelt, begeleid door Trio Rein de Graaff, vrijdag 11 juli op het North Sea Jazz Festival

Yardbird Suite, Contemporary OJCCD-1060-2, ZYX Music

Reflections, Contemporary OJCCD-1046-2, ZYX Music