COLUMN

Bécasse

Dus daar sta je dan, als kunstenaar, je gooit een poes in de lucht en iedereen roept ‘Schandalig!’ en ook: ‘En dat van ons belastinggeld!’ Terwijl we allemaal weten dat als je die mensen hun belastinggeld zou teruggeven, het gros van hen alleen maar meer plofkippen gaat kopen. En ook dat is schandalig, daar mogen wij, kunstenaars, op onze beurt over klagen in cafés waar het rookverbod is opgeheven (schandalig!) en waar het zo warm is dat je de condenserende verongelijktheid er in dikke druppels van muren en ramen kunt zien stromen. Kan kunst nog choqueren, kan kunst nog schandaal veroorzaken? Natuurlijk! Sterker nog, het is veel en veel te gemakkelijk geworden.

Anderzijds: van het schrijven van een schandalig romannetje kan ik de hypotheek natuurlijk niet betalen, zeker als ik ook nog eens moet gaan aflossen (schandalig!) en dan is het wel zo fijn als je af en toe je pen te gelde kunt maken door iets schandalig te vinden.

En daar, lieve lezer, stuiten wij op het werkelijke probleem dat ik graag tot onderwerp van deze column wens te promoveren: er is zo goed als niets wat ik echt schandalig vind. Iets schandalig máken? No problemo. Iets schandalig vinden? Problemo.

Want zoals ieder rechtgeaard romancier ben ik volledig op mezelf gericht (schandalig!). Ik beschouw het als mijn taak om fictie te creëren gebaseerd op een hoogstpersoonlijke perceptie van wat zich in de wereld om mij heen afspeelt en wel op een dusdanige wijze dat het de lezers raakt, en liefst tot in het diepst van hun wezen. Het gekke is: dat kan alleen wanneer je de gepaste afstand bewaart. En probeer maar eens iets schandalig te vinden wanneer alles materiaal is.

Zo verkeer ik in een opmerkelijke spagaat: al die mensen in meningenland die allerlei zaken schandalig vinden, op opiniepagina’s, in talkshows en op de beroemde sociale media, al die prikkelende meninkjes – het zijn duizenden, tienduizenden, honderdduizenden naalden die zo dicht op elkaar gepakt zitten dat ze niet meer kunnen prikken maar samen een vlak oppervlak vormen waarop ik mij neervlij en in slaap val. Tot ik wakker schrik uiteraard, niet van de pijn, maar van de afgunst en de twijfel: had ík dat niet moeten vinden?

Ik weet hoe het werkt, dat is niet het probleem. Stel. Er is een ludieke actie tegen een vreselijke ziekte en die houdt in: iedereen laat een maand lang zijn snor staan. Wekenlang zie je de foto’s op het internet circuleren: onbekende, bekende en in bepaalde kringen gekende of net niet helemaal vergeten Nederlanders met druistig groeiende snorren en iedereen vindt het leuk. Nou, dan is het simpel zat: dit is zo’n actie waar niemand tegen kan zijn, dus dat is ideaal, je kan de eerste zijn.

Daar ga je, lekker vrij van argumenten, het stukje schrijft zichzelf, het is ­schandalig, het is potsierlijk, het is een aanval op de goede smaak en kijk je column is al bijna klaar, maar! Eerst nog even jouw eigen, toevallig ook net aan díe vreselijke ziekte overleden moeder vermelden, voor het authentieke en de schijn van objectiviteit en daarna in de slotzin ijskoud het favoriete excuus van de ware ­exhibitionist serveren door ten overstaan van honderd­duizenden lezers koelbloedig te beweren dat je zelf liever in stilte geeft.

Wauw, hoezeer ik wou dat mijn leven zo eenvoudig was. Maar ik twijfel te veel, ik vergis me te vaak, ik denk altijd dat iedereen mij doorziet en met goed doordachte argumenten onderuit gaat halen, en zoals een doodgewoon mens overschat ik de statistische kans dat dit ook werkelijk zal gebeuren en betaal ik de verzekeringspolis door te zwijgen – waarvoor ik mij dan weer schaam want ben ik geen schrijver dan? Moet ik daar ook niet staan? Planken zagen, Kamervragen, schandaal schoppen, grote lafaard, en maar verhaaltjes verzinnen en dat van ons belastinggeld: SCHANDALIG!

En zo gaat dat maar door, ik kan geen ziedende column meer lezen of ik denk: is dat niet waar? En als het niet waar is, had ik het dan toch niet kunnen bedenken? En wat met die nieuwe roman, wat als niemand hem schandalig vindt, in hoeveel talkshows zal ik dan opnieuw niet zitten en wat als het schandaal in de tijd tussen het inleveren van het manuscript en de publicatie dusdanig aan inflatie onderhevig is geweest dat niemand er nog om geeft?

Ja, het kan vermoeiend zijn.

Gelukkig volgt op zo’n angstaanval altijd een moment van berusting, waarop ik lekker langzaam een kopje koffie zet, en op de bank ga zitten met een krant. En met verwondering lees ik een woedend betoog van iemand die van dieren houdt, over twee koks die bécasse bereidden in een populaire talkshow, live op televisie – ook koken is kunst trouwens, of kan het zijn – en ik denk: ik heb altijd gedacht dat bécasse patrijs betekende. Elke kerstvakantie breng ik door bij mijn schoonouders in Bretagne en minstens één keer op die veertien dagen eten wij legaal door mijn schoonvader geschoten en door mijn schoonmoeder heerlijk bereide Bretonse bécasse. Blijkt het houtsnip te zijn. En ik weet niet waarom, maar dat klinkt erger, véél erger en hup: daar ga ik weer.