De worsteling van de Frankfurter Schule

Bedolven onder het verleden

Aangevuurd door de crisis zoekt de Frankfurter Schule naar moderne alternatieven voor het kapitalisme. Het gevaar schuilt dat het fameuze instituut een Adorno-museum wordt.

FRANKFURT - Het dakterras biedt uitzicht op de skyline van de financiële hoofdstad van Europa: hoog torenen Deutsche Bank, Commerzbank en Volksbank de lucht in. Aan het oog onttrokken, maar slechts even verderop, beslist de Europese Centrale Bank (ECB) dezer dagen over de toekomst van de eenheidsmunt. Of de nabijheid van het grootkapitaal stimulerend werkt? Axel Honneth, directeur van het Institut für Sozialforschung, beter bekend als de legendarische Frankfurter Schule, lacht zuinigjes: ‘Het helpt.’
Veel meer inspiratie vindt de internationaal gelauwerde filosoof in het ontluikende verzet tegen het hyperkapitalisme. Ook in Frankfurt hebben Occupy-activisten hun tenten opgezet, op het grasveld tegenover de ECB. Honneth spreekt van een belangrijk 'moreel verzamelbekken’: 'Occupy probeert onder een politiek extreem verdeelde bevolking een gemeenschappelijke, antikapitalistische gezindheid te kweken. Het verricht daarmee het broodnodige voorwerk - cultureel, moreel, taalpolitiek - om na jaren van verlamming terrein terug te winnen. Terrein waarop in een later stadium een beweging kan ontstaan die zich tegen de ontketening van de markt teweerstelt.’
Op de achtergrond klinkt het lawaai van een bouwplaats. Er wordt druk vertimmerd en gerenoveerd in de negentiende-eeuwse villawijk Westend. Het hindert Honneth - bril, snor, blauw vest over lichtblauw overhemd - niet om uiterst bedachtzaam zijn gedachten te formuleren. Wat Occupy voorstaat, heeft volgens hem wel wat weg van hetgeen de laatste jaren onder zijn leiding het paradepaardje is geworden van de Frankfurter Schule: 'erkenning’. Het komt er kort gezegd op neer dat sociale en economische conflicten niet enkel draaien om 'het vreten’, om met Brecht te spreken. Het gaat minstens zozeer om respect, om de wens gezien en gehoord te worden. Je kunt veel zeggen van de Occupy-activisten, meent Honneth, ze stellen in elk geval de minachting van de '99 procent’ door de financiële elite aan de kaak. Dat alleen al maakte deze beweging tot een belangrijke voorwaarde voor een daadwerkelijk alternatief.
Tegelijkertijd is daar meer voor nodig, betoogt Honneth. 'Het probleem op dit moment is niet dat er geen kritiek is op het neoliberale kapitalisme. Het probleem is dat niemand erin slaagt oplossingen te geven. De oudere generatie werkt nog steeds met de tegenstelling marktkapitalisme versus planeconomie. Dat is voorbij - voor altijd, denk ik. De nieuwe scheidslijn verloopt tussen markten die volledig vrijgelaten zijn, of juist zo veel mogelijk aan banden worden gelegd, als het ware ingebed in de rest van de maatschappij.’ In het mee-ontwikkelen van zo'n alternatief ligt wat de ambitieuze Honneth betreft de missie van de Frankfurter Schule in de 21e eeuw. Een van de maatregelen die hij daartoe wil nemen, is het herstellen van de verbroken link tussen economie en filosofie. Daarom is Honneth op dit moment actief op zoek naar economische zwaargewichten: 'Dat is moeilijk, want er zijn niet veel economen meer die voor zoiets met ons willen samenwerken. De economische wetenschap is een volledig geïsoleerde discipline geworden. Gelukkig groeit de onvrede daarover.’
Honneth zelf kan er weinig aan doen, maar de geschiedenis geeft zijn woorden automatisch extra gewicht. Sommige van zijn medewerkers spreken zelfs van een loden last. Wat zij ook doen, het Institut für Sozialforschung (IfS) zal nooit een 'normaal’ sociaal-wetenschappelijk instituut zijn. Dus als Honneth hardop nadenkt over alternatieven voor het crisiskapitalisme, dan spreekt er niet zomaar een linkse filosoof. Dan spreekt de representant van de Frankfurter Schule, de laatste filosoof in de lijn van Adorno, Horkheimer, Benjamin, Marcuse en Habermas.

DIE ROEMRUCHTE geschiedenis komt je overal tegemoet in de modernistische kubus, na de oorlog met Amerikaans geld opgetrokken. Het begint al direct bij binnenkomst, in het halletje. Op een bronzen gedenkplaat prijkt het gezicht van Felix Weil, de marxistische rijkeluiszoon met wiens fortuin in 1924 het instituut werd opgericht. Maar ook verderop, in de gangen, is het verleden nooit ver weg. De korrelige zwart-witfoto’s aan de muren herinneren aan enkele van de meest toonaangevende linkse denkers van de twintigste eeuw. En dan is er natuurlijk Adorno. Zijn persoonlijke bibliotheek is er nog te vinden. Of althans wat daarvan over is. De studenten van Adorno, die na zijn dood diens vrouw verzorgden, hadden de gewoonte bij ieder bezoek een paar titels mee naar huis te nemen. Proletarisch winkelen is er anno 2012 niet meer bij. De oude werkkamer van Adorno is zelfs enkel te betreden met een speciale magneetpas. In het midden van het vertrek glimt de zwarte vleugel waarop de filosoof de werken van Schönberg speelde.
Critici spraken in zijn tijd smalend van 'Grand Hotel Abgrund’. De Frankfurters waren salonsocialisten. Minzaam toekijkend vanaf het balkon, met een aperitiefje in de hand, zouden ze filosoferen over de wereldse ellende. Voor anderen, bewonderaars, waren Adorno en de zijnen niets minder dan de schatbewaarders van het marxisme. Stadhouders van de uitgebleven revolutie. Maar ook, na de oorlog: het morele geweten van naoorlogs Duitsland.
Dat het instituut ook in de 21e eeuw nog intense reacties oproept, werd afgelopen jaar duidelijk na het bloedbad dat de rechtspopulist Anders Breivik aanrichtte onder de Noorse sociaal-democratie. De Frankfurter Schule bleek een hoofdrol te spelen in diens samenzweringstheorieën. In zijn vijftienhonderd pagina’s tellende manifest A European Declaration of Independence wordt de Frankfurter Schule een 'cultureel-marxistisch’ complot in de schoenen geschoven. Dat zou de traditionele sociale verhoudingen hebben omgeploegd. Met als gevolg dat Breiviks idool, de 'christelijke, Europese, heteroseksuele man’, in de verdrukking is geraakt. Niet alleen in Europa. Nadat de nazi’s hun instituut in 1933 sloten, waren de Frankfurters immers via Genève, Parijs en Londen naar de andere kant van de oceaan gevlucht. Overigens een keuze die met aarzeling werd gemaakt: Amerika stond voor alles wat in de ogen van Horkheimer en Adorno plat en banaal was. Aan Columbia University bouwden ze een nieuw bestaan op. Bij die gelegenheid hebben ze, volgens Breivik, ook de Verenigde Staten besmet.
Zo simpel ligt het natuurlijk niet. Wie de Frankfurter Schule werkelijk wil begrijpen, vertelt Frankfurter Schule-kenner Joel Anderson, verbonden aan de Universiteit Utrecht, moet denken in generaties. Iedere generatie had zijn eigen beslissende ervaring, en reageerde daarop met een eigen theoretisch kader. De oprichters waren getekend door de Eerste Wereldoorlog. Mannen als Adorno en Horkheimer op hun beurt schreven Dialektik der Aufklärung, evenals hun beroemde studie naar de autoritaire persoonlijkheid, tegen de achtergrond van het nationaal-socialisme. Natuurlijk was er door de jaren heen iets van continuïteit. Waar de 'gewone’ sociologie de samenleving bestudeert zoals hij is, gingen de onderzoekers van IfS ervan uit dat de wereld ook te verbeteren is en dat hún onderzoek daarbij een rol kan spelen. Maar binnen de kaders van dat mission statement heeft de Frankfurter Schule zichzelf voortdurend vernieuwd.
Dat ging niet altijd zonder slag of stoot. Iemand die dat als geen ander weet, is Jürgen Habermas. Na een aantal jaren als journalist kreeg hij in 1956 zijn eerste academische aanstelling aan het instituut. Daar botste hij vervolgens hard met directeur Max Horkheimer. Horkheimer was op oudere leeftijd geen schim meer van de man die hij ooit geweest is. Iets soortgelijks gold overigens ook voor Adorno, die op het moment dat rebellerende studenten zijn instituut bezetten, prompt de politie inschakelde. Over de bloemenstrooiende studenten die met ontblote borsten zijn podium beklommen - een Busenattentat - was hij evenmin te spreken. Maar dat alles viel in het niet bij de zuurgraad van Horkheimer. Die gruwde van uiteenlopende ontwikkelingen als de Algerijnse bevrijdingsstrijd, de anticonceptiepil en de protesten tegen de oorlog in Vietnam.
Het liefst wilde Horkheimer de naoorlogse Frankfurter Schule dan ook losweken van zijn revolutionaire wortels. Daartoe schuwde hij niet alle oude jaargangen van het Zeitschrift für Socialforschung, het huisorgaan van de Frankfurter Schule, in de kelder achter slot en grendel te stoppen. Horkheimer zag ook niets in de onderwerpen waar de jonge Habermas interesse in had: het revolutionair potentieel van de studentenbeweging en de rol van de media in publieke debatten. Te activistisch, naar zijn smaak. Het resulteerde erin dat hij Habermas’ proefschrift, het baanbrekende werk Strukturwandel der Öffentlichkeit, afkeurde, waarop Habermas zijn ontslag indiende.
Na de plotselinge dood van Adorno in 1969 (al die blote borsten bezorgden hem een hartaanval, luidt een bekende grap in Frankfurt) brak een andere tijd aan. Met het vertrek van Habermas speelde de vedette van de kritische theorie inmiddels niet meer voor het eigen team. Bovendien wilde Habermas helemaal geen erfgenaam zijn. 'Ik heb nooit de bedoeling gehad om de traditie van een school voort te zetten’, merkte hij eens op tijdens een interview. Zonder boegbeeld, zonder grote namen, maar ook zonder de rijke mecenas van weleer schoof het instituut steeds meer op in de richting van doorsnee wetenschap. 'En dat betekende: meer mainstream sociologie. Vooral op het gebied van industriële verhoudingen, met een vleugje feminisme erbij’, vat Honneth samen. Begrijpelijk, misschien. Maar het maakte de ooit zo spraakmakende Frankfurter Schule steeds minder zichtbaar.

IN DE KELDER van het instituut hangt een muffe geur. De muren zijn in slechte staat. 'Een renovatie is gepland’, vertelt Honneth in het kader van een kleine rondleiding, 'maar het gebouw staat op de monumentenlijst, dus we kunnen niet zomaar een muur wegbreken.’ Achterin, half verborgen, zit een kleine, gietijzeren deur. De goudkleurige knop heeft de vorm van een leeuw. Het is een kluis. Of beter: dat had het moeten worden, want geld heeft hier nooit gelegen. 'Hier had het restant van het kapitaal van Felix Weil moeten komen liggen, toen de onderzoekers terugkeerden uit de Verenigde Staten. Het gerucht gaat dat Horkheimer het achterover drukte. Hoe het ook zij, het wiegje stond klaar, maar de baby is nooit gekomen.’
Geldgebrek is nog altijd hét probleem van het IfS. Voor hun financiering zijn de Frankfurters tegenwoordig geheel afhankelijk van externe geldschieters. En die hebben weinig boodschap aan een onafhankelijk instituut dat onderzoek doet dat de traditionele disciplines overstijgt. Zeker als het dat verbindt met de wens de luis in de pels van de kapitalistische samenleving te zijn. Bovendien wordt het IfS bedreigd door de nieuwe universiteitspolitiek van de Duitse regering. Die wil het wetenschappelijk onderzoek concentreren op de universiteiten zelf. Honneth: 'Iedereen hier wordt heen en weer geslingerd tussen het oorspronkelijke idee van de kritische theorie en de alledaagse beperkingen. Tussen het symbool Frankfurter Schule, als representant van een bepaald soort kapitalismekritiek, en de actuele onderzoeksrealiteit. Dat is ontzettend moeilijk voor de onderzoekers. Hoe meer je met je onderzoeksvoorstellen uit de pas loopt, hoe minder kans je hebt geld te krijgen.’
Daar kan Olivier Voirol over meepraten. De jonge Zwitser - lang, donker haar en een korte baard - is sinds vijf jaar als onderzoeker aan het IfS verbonden, een baan die hij combineert met lesgeven aan de universiteit van Lausanne. Hij doet onderzoek naar reality-televisie. Voirol verbindt Honneths erkenningstheorie aan een klassiek thema van de Frankfurter Schule: de cultuurindustrie. Die term is door Adorno gebruikt om het massamediale vermaak te omschrijven dat, naar zijn inzicht, valse behoeftes aanwakkerde bij het volk. Voirol: 'Als student van het werk van Adorno vraag je je dan af: wat is het belangrijkste nieuwe verschijnsel in de massamedia? Ik kwam uit op tv-programma’s als Big Brother en Idols.’ Volgens Voirol zijn die programma’s een culturele afspiegeling van de hedendaagse kijk op werk. 'Deelnemers aan die programma’s worden constant in de gaten gehouden en beoordeeld door experts. Ze moeten een sterke performance neerzetten. Anders vliegen ze eruit.’
Reality-tv als bril om naar de kapitalistische samenleving te kijken. Het klinkt als onderwerp waar een eigentijdse Felix Weil graag zijn beurs voor zou trekken. Toch moet Voirol stoppen omdat het geld op is. 'Dit soort onderzoek wordt al snel als weinig nuttig gezien, en dus is het moeilijk om er financiering voor te vinden’, zegt hij. 'Iedereen hier wil de traditie van ongebonden, kritisch onderzoek voortzetten, maar de omstandigheden maken dat steeds moeilijker. De neoliberale economische principes die wij bestuderen, gelden ook voor de financiering van het onderzoek. Dat moet liefst een duidelijk meetbaar resultaat opleveren. Zolang je bezig bent met thema’s op het gebied van werk of economie gaat het nog wel. Maar reflecteren op de huidige cultuur - dat wordt niet zo makkelijk als bruikbaar beschouwd.’
De jongste lichting Frankfurters maakt zich dan ook geen illusies, zo blijkt uit een gesprek tijdens de middagpauze met een drietal promovendi in een studentencafé om de hoek bij het instituut. Bij koffie en croissants komt al snel het gebrek aan carrièreperspectieven ter sprake. Alledrie voelen zich uitverkoren dat ze in traditie van Adorno, Habermas en Honneth werken. 'Op het IfS tref je wetenschappers die geloven dat de sociologie de samenleving niet alleen kan beschrijven, maar ook kan veranderen’, zegt Kristina Lepold, die bij Axel Honneth onderzoek doet naar sociale uitsluiting. Maar niemand verwacht in Frankfurt een baan voor het leven te vinden. Werken bij het IfS kan geen doel zijn in je wetenschappelijk carrière, menen ze. Want het instituut heeft nauwelijks geld om eigen onderzoekers aan te nemen.
Bij die financiële malaise komt nog iets anders. Natuurlijk, ook de jongste lichting wordt gedreven door een knagend onbehagen over het kapitalisme. Maar een eensluidende aanklacht rolt daar niet uit. Slachtoffer en dader, vermaak en kunst - de strikte scheidslijnen die de eerste generaties Frankfurters trokken, zijn moeilijk vol te houden. 'Ieder maatschappelijk probleem kun je vanuit verschillende perspectieven bekijken’, merkt Lepold voorzichtig op. 'Ten tijde van Adorno kon je nog zeggen dat “de” cultuurindustrie “de” mens dom houdt. Natuurlijk hebben wij ook de ambitie om brede sociale kritiek te leveren, maar onze aanpak is veel pluralistischer dan die van de eerste generatie.’

DE NIEUWE Frankfurters zijn niet te benijden. Ze moeten voortdurend weerstand bieden aan de eisen die de neoliberale economie hun opdringt. Alsof dat niet lastig genoeg is, dreigen ze ook nog eens te worden bedolven onder het verleden. Allemaal zijn ze trots op de geschiedenis van het instituut. Helaas heeft de interesse hierin van buitenaf algauw iets quasi-religieus, merkt arbeidssocioloog Stephan Voswinkel op met een zucht. 'Je hebt van die mensen die het gebouw willen bezichtigen en dan precies moeten weten waar Adorno heeft gezeten’, vertelt hij in zijn kersvers gerenoveerde kamer; om enige privacy te hebben zijn de gloednieuwe ruiten afgedekt met papier. 'In sommige kringen hier in Frankfurt wordt het instituut als een soort lokaal cultuurgoed te zien. Je hebt Goethe en je hebt Adorno - dat idee. Maar in het nieuwe onderzoek dat wij verrichten, hebben deze mensen minder interesse.’
In een gedurfde poging om aan die spagaat te ontsnappen, heeft directeur Honneth na zijn aantreden gekozen voor de vlucht naar voren. Een van de eerste opdrachten die hij uitdeelde, was het oude meubilair dat nog van Adorno was geweest te vervangen; niks museum dus. Sowieso vond hij het denken van de generatie van Adorno, met Marx in de hand, te materialistisch. En Habermas richtte zich op zijn beurt te veel op het vermogen tot rationeel debat, iets waar niet iedereen in even grote mate over beschikt. Maar ondanks die kritiek weigert Honneth helemaal te breken met de traditie. 'Ik wilde juist de oude identiteit van het instituut zien terug te winnen’, legt hij aan het einde van de dag uit in de keuken van het instituut, terwijl hij voor zijn gasten een niet onverdienstelijke espresso bereidt. 'Niet alleen die van de eerste periode, Adorno en Horkheimer, en ook niet enkel de tweede, onder meer Marcuse, maar ook die van Habermas. En ik dacht: net als de oude Frankfurter Schule hebben wij weer een soort overkoepelend idee nodig waar alle verschillende empirische projecten rond georganiseerd kunnen worden.’
Dat idee kwam bekend te staan als 'paradoxen van het moderne kapitalisme’. Het is een voorzichtige poging weer meer lijn te brengen in het werk van de Frankfurter Schule, aldus Honneth. Daarmee moet het instituut ook weer meer smoel krijgen. 'Horkheimer was een dictator. Samen met Adorno kon hij elke onderzoeker in het gebouw dwingen zijn lijn te volgen. Maar zo kun je tegenwoordig geen wetenschappelijk instituut meer leiden. Ik ben meer van het pluralisme. Nou ja, georganiseerd pluralisme dan. Alles wat kan bijdragen aan een revitalisering van de kritische theorie is welkom.’
Op de vraag of die reanimatie kans van slagen heeft, toont Honneth zich strijdbaar. 'Óf we worden in de toekomst door de universiteit geïncorporeerd. Dan verliezen we onze autonomie en onze identiteit. Óf we kunnen onze onafhankelijke rol behouden door op succesvolle wijze projecten te ontwikkelen waarmee we de concurrentie kunnen aangaan. Dat hangt voor een belangrijk deel af van of we geld kunnen binnenhalen voor omvattender, langlopend onderzoek.’ Hij lacht: 'Inderdaad, bijvoorbeeld naar die alternatieven voor het huidige kapitalisme waar ik het over had.’
En als dat nou toch niet lukt? Naast opgeslokt worden door de universiteit is er nog een mogelijkheid. Eenzelfde lot heeft het gebouw een stukje verderop in de straat getroffen: daar ligt het geboortehuis van Goethe, inmiddels een museum. De secretaresse heeft al de nodige ervaring met de pelgrims van de kritische theorie, vertelt ze aan het einde van de dag, als we op het punt staan te vertrekken. 'Vandaag kwam hier nog iemand uit Brazilië. En vlak voor de vakantie was ik hier ’s avonds. Het werd al behoorlijk laat, ik denk een uur of elf. Ineens stond er een groep jonge mensen voor het raam te zwaaien. Ik deed de deur open. Wat denk je? Ze wilden weten of Habermas er die dag toevallig ook was.’


Kritische Theorie
De vraag ‘Wat is Kritische Theorie?’ is voldoende ingewikkeld om een volledige wetenschappelijke carrière aan te wijden. In de korte beschrijving van deze stroming op het grensvlak van filosofie en sociologie gaat het om de ideeën die werden ontwikkeld door marxistische intellectuelen in het Frankfurt van de jaren twintig. Met Hegel, Marx en Freud in het achterhoofd gingen deze denkers, in meer of mindere mate verbonden aan het Institut für Sozialforschung, op zoek naar de ‘pathologieën’ van de kapitalistische samenleving. De term Kritische Theorie zelf is overigens van latere datum. Max Horkheimer bedacht hem in de jaren dertig tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten.
Onderzoekers binnen de Kritische Theorie bedrijven empirische sociologie in een poging sociale en culturele machtsstructuren bloot te leggen. Het doel: ‘Mensen te bevrijden van de omstandigheden waarin ze gevangen zitten’, zoals Horkheimer het verwoordde. De Kritische Theorie omspant vele gebieden. De generatie van Adorno en Horkheimer richtte zich op literatuur, esthetica en kritiek op het liberalisme. Habermas’ generatie verschoof de aandacht naar democratie, publiek debat en media.