Bedonderd

Al mijn hele leven ben ik bang voor de dood.

Bang ook voor het lijden, voor het verdriet.

Te pathetisch?

Toen ik jong was, besefte ik dat ik niets had gedaan wat mijn leven rechtvaardigde. Integendeel. Als ik achterom keek, zag ik teleurgestelde ouders, weggelopen vriendinnen, in de steek gelaten vrienden, niet afgemaakte studies, mislukte dichtbundels en verhalen die zo armoedig van taal en structuur waren dat het papier zich van schaamte vanzelf verscheurde.

Ik mocht toen niet dood. Er was een schuld te vereffenen.

Maar dat lukte niet, en de angst voor de dood nam toe.

Hoewel.

Toen ik vader werd, en ik voor het eerst mijn kind in mijn armen hield – ze was te vroeg geboren en paste precies in de palm van mijn hand – voelde ik mijn doodsangst op haar overgaan. Ik bedoel: ik was niet meer bang dat ik zou sterven, maar zij.

Maar al snel veranderde dat in angst dat of ik of mijn dochter het loodje zou leggen.

Verdomme.

En ik moest nog wat doen. Want als ik achterom keek zag ik nog steeds rokende ruïnes.

Doodsangst. Ik had het omdat ik niet als mislukkeling wilde sterven. Mijn ouders stierven, mijn vrienden stierven, mijn vriendinnen gingen dood en ik werd angstiger en angstiger.

‘Rook dan niet!’

Maar ik rookte wel. Ik kon niet stoppen. Een sigaret geeft je leven even zin.

‘Drink dan niet zo veel.’

Het lijkt of ik schuld zweet. Of het in mijn kleren zit. Of ik het constant ruik. Schuld ruikt naar dood

Ik dronk wel en bleef drinken. Een borrel weet je angst te misleiden.

Ik bleef bang. Want ik had schuld. Soms is een mens zo ver heen dat zijn schuld nooit meer vereffend kan worden. En de mislukkingen zijn zo ostentatief dat er ook niets meer te herstellen valt. Het is alsof je bewust naar een reden toeleeft om te sterven.

Op een dag stonden er kleinkinderen op mijn stoep. Ze kwamen binnen en speelden met mijn vulpennen en computer. Op het papier waarop ik graag schrijf, maakten ze tekeningen.

Het grootvaderschap is een duidelijke aanzegger van een naderende dood.

Dat is nu eenmaal zo. Een opa is de oudste in de familie. Je zou kunnen zeggen dat hij een voorbeeldfunctie heeft.

En nu ben ik bang dat mijn kleinkinderen iets overkomt.

Soms loopt opa door de stad en denkt hij: daar, daar op die zolder van dat huis… hoe heet die meid ook alweer die ik daar heb geneukt… En daar… Jezus, wat was ik gelukkig. Maar wat heb ik de boel toen bedonderd! En godverdomme, ze is alweer tien jaar dood!

Wat is dat toch met schuld?

Het lijkt of ik schuld zweet. Of het in mijn kleren zit. Of ik het constant ruik. Schuld ruikt naar dood. Misschien is dood wel je ingeloste schuld.

De boekhandel waar ik naar binnen loop wordt beheerd door een vlotte dame. Ze is de tafel met de best verkochte boeken aan het inrichten. Er zijn boeken met een optimistische boodschap bij. Ik heb zin om te vragen: ‘Ik wil iets lezen van een klootzak over een klootzak.’

De vrouw adviseert mij een boek van een vluchteling. Hij heeft in een poëtische stijl, met zijn mobiele telefoon, over zijn vlucht geschreven. Ik wil het niet. De aanschaf wordt een kinderboek voor mijn kleinzoon. Voor mezelf koop ik een dichtbundel met gedichten die ik waarschijnlijk niet begrijp, maar dat kan me niets schelen. Soms vang ik een regel die ik mooi vind, en soms vliegt er een zin in mijn hoofd als een vogel die daar een nest heeft.

Ben ik depressief?

Nee, niet echt. Mijn depressies bestonden uit lege gevoelens zonder reden. Nu zijn er redenen te over.

Maar soms hè… soms zoek ik mijn doodsangst.

Echt… en ben ik bang dat ik niet meer bang ben.