tONEEL

Bedorven etensresten

Breivik ontmoet Wilders

Theodor Holman schrijft dagelijks een stukje op pagina twee van Het Parool. Het zijn goed geschreven, ongemakkelijke analyses van de waan van de dag, die ik als eerste tot mij neem voor ik aan de rest van mijn dierbare Amsterdamse krant begin. Als er voor iedere zin liggende streepjes staan, wordt er een toneelstukje gesuggereerd. Die columns sla ik over. Het klierige en pesterige commentaar waar Holman goed in is, wordt dan verruild voor een vorm waarin hij niet zo goed is.

Onlangs schreef Holman een toneelstuk. Het heet Breivik ontmoet Wilders en is vorige week in De Groene Amsterdammer integraal afgedrukt. Een interview met de auteur, waarin hij vertelde wel iets te begrijpen van de motieven van de Noorse massamoordenaar Anders Breivik, zorgde voor veel ophef, camera’s en eierwerpdreigingen rond het Amsterdamse theater De Balie, waar het toneelstuk in première ging als staged reading, wat betekent dat toneel­spelers ronddrentelen op een kaal toneel en voorlezen uit een script. Dat het hier niet een middle of the road toneelstuk betrof mochten wij vernemen van Balie-directeur Yoeri Albrecht, die in een inleiding sprak over de noodzaak van kunst als ‘commentaar op de tijd’. Wie de snorrende camera’s en de enorme toeloop van opinion-leadende Amsterdammers had aangezien voor het begin van een rel werd gerustgesteld: het betrof hier wel degelijk toneel, waaraan een dramaturg en een regisseur te pas waren gekomen. De auteur verklaarde dat Camus’ stuk De rechtvaardigen een gekoesterd voorbeeld voor hem was geweest. Waarvan akte.

Laat ik Holman uit de droom helpen. Het is een misverstand te denken dat een poging tot socratisch dispuut, waarin de denkbeelden van Wilders over democratie en die van Breivik over een modern soort ridderschap de revue passeren, iets met dialoog van doen zou hebben. En het dispuut wordt niet opeens dramatisch interessant wanneer de gesprekspartners hun inzichten uitwisselen alsof ze bedorven etensresten voor zich uit schuiven. Als de radicale idio­tie van de protagonist (Breivik) uitsluitend en alleen wordt ingezet om een milder licht te werpen op het democratisch gehalte van de antagonist (Wilders), dan is dat op z’n best een van de betere trucs uit de retorica, maar nog geen toneelplot, laat staan een receptuur voor intrigerend theater. Misschien moet Holman Camus’ Les justes toch nog maar eens herlezen, en met name de scène waarin de terrorist wordt geconfronteerd met de moeder van zijn jonge slachtoffers. Camus’ Bezetenen (zijn bewerking van de Dostojevski-roman Duivels), een dramatisch sterke analyse van het brein van putschisten als moderne roofridders, zou een mooie aanvulling zijn op zijn bestudering van het genre toneel. Hij kan het werk binnenkort zelfs op een Nederlandse bühne gaan bekijken.

En de uitvoering van Holmans ‘toneelstuk’? Thijs Römer las Breivik met volle overgave, Hugo Koolschijn deed Wilders met een mooi hoekig verzet in het commentaar van zijn armen. Wat die druk bewegende jongeman er precies tussendoor deed bleef vooralsnog in nevelen gehuld. Holman zat er op de eerste rij bij te kijken als de middelbare scholier die ziet hoe zijn medeleerlingen onder leiding van de docent dramatische vorming een leuk stukje hebben gebrouwen uit zijn proefwerk over de Noorse ridder en de Venlose belletjestrekker, waarvoor hij van meester Albrecht een tien kreeg. Diezelfde meester Albrecht gaf Theodor na afloop vast de opdracht voor een volgend dramatisch werkstuk. Een toneelstuk voor wel drie personages: Geert Wilders, Martin Bosma en Hero Brinkman, als putjesscheppers op de mestvaalt van de geschiedenis. Laat-ie dat stuk in godsnaam tussen zijn eigen schuifdeuren laten spelen.


Breivik ontmoet Wilders is niet meer te zien