Bedrieglijk

Winter van Max Beckmann is neergezet met straffe lijnen, stevig als een kooi maar passage na passage toch losweg tot stand gekomen.

ER ZIJN bedrieglijke schilderijen die bij nader inzien wonderlijker in elkaar blijken te zitten dan je ze in herinnering had. Dan heb je dus niet zorgvuldig genoeg gekeken en, zoals vaak, gedacht het wel gezien te hebben. Eigenlijk leek Winter van Max Beckmann maar een klein, bescheiden schilderij, eenvoudig van onderwerp ook, gewoon een blik uit een venster dat, gezien het formaat van de ruiten, ook maar bescheiden was. Maar dan: langs de onderkant van het doek en dan ook rechts naar boven is het zwart en heel donkerbruin. In die haakse hoek, die op kozijn en vensterbank lijkt, hangt het lichtbruine rechterraam waarvan de ruiten helder doorzichtig zijn. Het linkerraam rust net iets anders op de vensterbank en hangt ook scheef. De ruiten zijn ondoorzichtig alsof ze beslagen of bevroren zijn. Tenslotte is het winter.

Ging het raam links naar binnen open, zou door de ruiten de witgrijs gekalkte wand van de kamer te zien zijn. Maar het rechterraam draait toch wel naar buiten open. Dat kunnen we aflezen aan de spitse hoek, onderin, tussen sponning en vensterbank. Zo vreemd en scheef is de ruimtelijke opbouw van Winter dat die, hoe langer je kijkt, alleen maar verwarrender wordt. Dus moet je anders kijken. Ik denk dat Beckmann een schilderij is gaan maken met in zijn herinnering een blik uit een raam naar een binnenplaats op, aan de bleke lucht te zien, een vrieskoude middag.

Eerst heeft hij, op basis misschien van de zwarte en witte streep onderaan, het linkerraam erin gezet alsof het van achter de rand van het doek zelf te voorschijn komt. Omdat het zo schuin staat, en dicht is als een paneel of als een coulisse, opent het een informele blik naar buiten toe. Ook het andere raam heeft zo'n ruimtelijke werking. Buiten zien we daar op de witte voorgrond eerst stukken muur en besneeuwde daken, daarachter hogere gebouwen - daartussen bevindt zich kennelijk een tuin met hoekige, geknotte bomen in het zwart, met het wit van sneeuw. Aan zoiets dacht de schilder toen hij aan het werk was, omdat hij het eerder gezien had. Maar dat ging hij niet precies schilderen.

Toen Winter in 1930 werd geschilderd had Beckmann natuurlijk kennis van hoe door de nieuwe abstracte kunst het hele kunst maken van karakter was veranderd. Het figuratieve uitgangspunt voor zijn schilderij was in wezen realistisch. Vroeger had iemand als Monet aan het werk in een landschap het motief niet uit het oog verloren omdat het de ambitie was het toverachtige effect van licht op kleur tot in de finesses in beweeglijke verf te vangen. Beckmann kon zich daarentegen abstracte vrijheden veroorloven omdat de werkelijkheid van zijn motief (blik uit het venster) niet meer dringend was. In Winter zie je een andere artistieke eigenzinnigheid een rol spelen. Bijvoorbeeld: minder dan een gevoelige waarneming van natuur is het schilderij eerst een met die straffe zwarte lijnen neergezette beeldconstructie - stevig als een kooi maar passage na passage toch losweg tot stand gekomen. Zo ontstond er een semi-abstract soort schilderij, strak en stevig als een stilleven: van kleuren. In de zwarte vormgeving spelen ook nog wit (met blauwgrijs) en bruin (met roze) en natuurlijk een ijl blauw, die samen de roerloze stemmigheid van een winterse dag verbeelden, met een bleek licht.

Winter is stroef geschilderd, maar toch denk ik aan zoiets als Grisailles van Ika Huber, dat wil zeggen aan de impulsieve werkwijze van dat schilderij. We zien een linnen vlak dat eerst citroengeel is gemaakt. De kleur van olieverf is vederlicht opgebracht, met lange halen op en neer, dun als waterverf. Op plekken bleef het linnen zichtbaar. Daardoor lijkt het nog meer alsof het koele geel met een zachte windvlaag op het vlak is neergestreken. Links en rechts wordt het geel geflankeerd door passages grijs, ook los geschilderd, bijna achteloos. In de overgebleven tussenruimte zien we, even luchtig en als vanzelf daar komen te hangen, een soort bloesem van een gekrulde, los kronkelende lijn in bruinrood, verstrengeld met slingerende lijnen lichtgrijs en wit. Er zweeft ook roze tussendoor.

Maar wat mij in dit schilderij zo boeit is hoe het eruitziet alsof het zichzelf heeft laten groeien, als een plant, zonder dat er een plan was. Dat is zeker niet helemaal waar. Er is in al het werk van Ika Huber een bepaald licht bewegend handschrift (zoals muziek beweegt), en met zulke bewegingen van hand en penseel kom je nu eenmaal uit bij zulke zwevende vormgeving. In de hand van Beckmann, daarentegen, is de lijnvoering zwaar en stug. De zwarte lijnen buigen maar moeilijk en zijn hoekig en strak. Toch laat ook hij, zoals we zien in Winter, de vormgeving gaan. Net als Ika Huber volgt hij de constructieve lijn waar zij heen wil. De ramen hangen scheef in het kozijn omdat het schilderij het zo wilde. Dat is de schitterende eigengereidheid, ook die van Grisailles, die de abstractie in de kunst heeft gebracht en achtergelaten.

PS Schilderijen van Ika Huber zijn tot eind juli na afspraak nog te zien bij Galerie Onrust in Amsterdam: galerie.onrust@planet.nl. De Beckmann hangt deze zomer in het Van Abbemuseum