Eerlijkheid volgens westerse filosofen

‘Bedrog is het cement van onze beschaving’

Van de NSA-schandalen tot de ontmaskering van fraudeurs – we zijn onverbiddelijk als het om de leugen gaat: mag niet. Toch valt zonder liegen niet te leven.

Medium caspergroene liegen 231

Heeft Immanuel Kant ooit gelogen? In ieder geval één keer, voorzover ik kon ontdekken in de literatuur. Ergens in de laatste jaren van zijn leven werd de filosoof uitgenodigd voor een etentje waar hij geen zin in had. Om onder de afspraak uit te komen, zei hij dat ander gezelschap al op zijn aanwezigheid rekende, precies die avond. Volgens de Neue Preussische Provinzial-Blätter, de krant die deze anekdote optekende in 1848 (Kant was toen al veertig jaar dood), bezorgde dit leugentje hem flink wat gewetensbezwaar.

Het lijkt muggenzifterij. Waarom zou iemand geïnteresseerd zijn in zoiets triviaals als een filosoof op leeftijd die onder valse voorwendselen een uitnodiging afslaat? Een antwoord is te vinden in het essay Over het vermeende recht om uit menslievendheid te liegen, geschreven door Kant in 1797. In deze tekst formuleert de filosoof uit Koningsberg een uiterst strenge moraal: liegen is pertinent verkeerd, zelfs het leugentje om bestwil is een morele overtreding.

Medium caspergroene liegen 232

Kant komt in dit essay met een klassiek gedachte-experiment: stel, een moordenaar klopt op de deur, op zoek naar een beoogd slachtoffer dat zich bij jou schuilhoudt. Moet je de moordenaar om de tuin leiden en zeggen dat er verder niemand thuis is? Natuurlijk, zouden de meeste mensen denken. Een leugentje om een mensenleven te redden, dat is een no brainer. Ho ho, zegt Kant: als we uitzonderingen gaan verzinnen op het verbod op liegen, dan is het hek van de dam. Wie voorwaarden bedenkt waaronder wél gelogen mag worden, verspeelt zijn morele claim op zelf niet voorgelogen worden. Hiermee voerde Kant zijn categorische imperatief (‘doe alleen dat waarvan je wilt dat het als een universele wet geldt’) tot in het extreme door, en vestigde hij zijn reputatie als filosoof die extreem strikt in de leer is. Moraalridders dienen langs hun eigen meetlat te worden gelegd, moet de journalist van Neue Preussische Pronvinzial-Blätter destijds hebben gedacht toen hij op zoek ging naar een smet op het blazoen van de onkreukbare Immanuel Kant.

Filosofen die zich sindsdien over leugens buigen, komen niet om Kant heen. In de bundel The Philosophy of Deception (2010) werpt de kantiaanse theorie een schaduw over alle veertien essays waarin het denken over leugens wordt uitgediept. Kants imperatief werkt als een rode lap op een stier: critici rennen erop af om hem uit elkaar te trekken. En toch, al het gefilosofeer over leugens heeft ons weinig méér opgeleverd dan de stelling die Kant tot in het extreme verdedigde, constateert wijlen filosoof Robert C. Solomon in zijn inleidende essay van deze bundel. ‘In de hele geschiedenis van de filosofie is aangenomen dat bedrog geldt als zonde en eerlijkheid als deugd’, aldus Solomon. Hij wijt dit aan het zelfbeeld van zijn beroepsgroep: de filosoof ziet zichzelf graag als waarheidszoeker. ‘Want als de filosofen niet de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid verkondigen, wat, afgezien van hun belabberde proza, onderscheidt ze dan van dichters en verhalenvertellers?’

We zitten opgescheept met een canon van denkers met een padvindersmentaliteit

En dus zitten we opgescheept met een canon van denkers met een padvindersmentaliteit. Socrates, zo wil het verhaal, stierf om wille van de waarheid. De stoïsche wijsgeer Epictetus vond de waarheid spreken het allerhoogste principe. Augustinus onderscheidt acht soorten leugens en veroordeelt het verdraaien van de waarheid streng. Liegen is een vervloekte zonde die meer nog dan welke misdaad ook vervolgd moet worden, noteerde Montaigne in een van zijn essays. En zelfs denkers als Nietzsche en Sartre, die gelden als ontmaskeraars van hypocrisie, zijn in wezen fervente liefhebbers van eerlijkheid, merkt Solomon op.

Tegenover de lange lijst filosofen die eerlijkheid verdedigen, staat slechts een handjevol denkers dat het opneemt voor de leugen. En dan nog wordt liegen voorbehouden aan de elite. Plato tolereerde ‘de nobele leugen’ om het volk in toom te houden. Machiavelli vond dat het heersers vrij staat om te liegen als daarmee het belang van de staat gediend is. ‘De grootste successen zijn geboekt door vorsten die zich aan hun woord weinig gelegen hebben laten liggen en op sluwe wijze anderen een rad voor de ogen hebben weten te draaien’, schreef hij in Il principe, het traktaat waarin hij de kwaliteiten van een ideale staatsman omschrijft. Wel moest een vorst volgens Machiavelli doen alsof hij een eerlijk en betrouwbaar man is. Hij neemt het dus op voor de dubbele leugen: lieg en bedrieg, maar wek vooral de indruk dat je eerlijk en oprecht bent. Machiavelli was er dan ook vroeg bij om te constateren dat religie en politiek maar beter gescheiden konden worden: de geloofsleer schrijft immers eerlijkheid voor en in het politieke spel is de leugen noodzakelijk.

Medium caspergroene liegen 235

Machiavelli’s eigen eerlijkheid (‘Ik heb dit boek niet versierd met retorische opsmuk’, schrijft hij in het voorwoord van Il principe) deed zijn populariteit geen goed. Zijn boek gold lange tijd als een duivels traktaat en tot halverwege de twintigste eeuw was de communis opinio, ook onder filosofen, dat Machiavelli toch vooral een foute denker was. Robert C. Solomon biedt een verklaring voor de selectieve ophemeling van de liefhebbers van eerlijkheid: ‘Achter het totaalverbod op liegen kunnen we contouren ontwaren van een aloude filosofische metafoor: de waarheid als licht, duidelijk en helder, die daar staat als een Heilige Graal van de ratio, terwijl oneerlijkheid, aan de andere kant, staat voor donker en misleidend, de slecht geplaveide weg naar irrationaliteit en verwarring.’

Het lijkt in eerste instantie een discussie die vooral bij kamergeleerden blosjes op de wangen brengt, maar de eenzijdige behandeling van de leugen in de filosofie loopt aardig synchroon met hoe er anno 2013 met liegen en leugenaars wordt omgesprongen. Wie de kranten van het afgelopen jaar op een rij legt, ziet dat er geen misdaad is die zoveel beroering teweegbrengt als de leugen. De leugenaar en de voorvechter van de waarheid zijn tegenwoordig dé verpersoonlijkingen van schurk en held. Klokkenluiders als Edward Snowden scoren hoog in de verschillende ranglijstjes voor de ‘persoon van het jaar’. Het afvoerputje is bestemd voor hen die als leugenaar zijn ontmaskerd: de hoogleraar die sjoemelde met data, de sporter die zijn prestatie aan doping te danken had en de bestuurder die een valse voorstelling van zaken gaf.

Natuurlijk is het beter om de waarheid te onthullen dan om anderen een rad voor de ogen te draaien, maar de felheid waarmee de leugenaar wordt verketterd doet denken aan wat Solomon schrijft in The Philosophy of Deception: de algehele afwijzing van leugens verhult meer dan ze laat zien, en veegt de écht belangrijke vragen onder de mat. Zijn alle leugens verkeerd? Wat nu als liegen en bedriegen helpt om een veilige ruimte te creëren voor individuele gedachten en privacy?

Om precies die vragen draait de discussie naar aanleiding van recente stortvloed van onthullingen over hoe inlichtingendiensten stelselmatig onze doopceel lichten. De reactie op het nsa-schandaal komt in twee varianten. Eén: diepe verontwaardiging, vooral onder een kleine bovenlaag van kritische burgers, journalisten en activisten. Twee: schouderophalen, het antwoord van het merendeel van de bevolking, zowel in Nederland als elders, ingeven door de aloude dooddoener dat wie niets te verbergen heeft, zich niet al te sappel hoeft te maken. Beide reacties, hoe gemeend ook, liggen in het verlengde van de kantiaanse imperatief dat liegen verkeerd is. Edward Snowden, Glenn Greenwald en de kranten die hun bevindingen publiek maken, zijn kwaad over de leugens waarmee de veiligheidsdiensten hun clandestiene praktijken maskeren. Het brede publiek dat vindt dat alleen leugenaars moeten vrezen voor de nsa hangt in feite hetzelfde principe aan: wie de waarheid probeert te verhullen, plaatst zichzelf buiten de morele gemeenschap.

Medium caspergroene liegen 233

En dat terwijl er zoveel meer op het spel staat. De vraag die beantwoord moet worden is hoeveel leugens en misleiding zijn toegestaan voor diensten die onvermijdelijk buiten het zicht om moeten opereren. Het is zinloos te doen alsof er een wereld denkbaar is waarin niemand in het geniep gegevens over anderen wil verzamelen. Omgekeerd moet er gesproken worden over hoeveel burgers moeten kunnen verbergen zonder daarmee de veiligheid van de staat in gevaar te brengen. Hier wreekt het zich dat we een beperkt repertoire hebben aan ideeën over wanneer leugens gezond zijn en wanneer niet.

Probeer maar eens een familiebijeenkomst of eerste date door te komen met niets dan de waarheid

Ook de vaste danspartner van eerlijkheid en oprechtheid kent een lange geschiedenis van pleitbezorgers en slechts een paar opponenten, zo laat de Amerikaanse essayist R. Jay Magill Jr. zien in het boek met de lange titel: Sincerity: How a Moral Ideal Born Five Hunderd Years Ago Inspired Religious Wars, Modern Art, Hipster Chic, and the Curious Notion That We All Have Something to Say (No Matter How Dull). Hij hanteert een definitie van oprechtheid die zo op de wall van de gemiddelde Facebook-gebruiker past: ‘Op zoek gaan naar je eigen diepste gevoelens en emoties en ze onversneden aan de buitenwereld rapporteren, ongeacht de relevantie, hoe schadelijk voor de eigen reputatie of hoe beschamend ze ook zijn.’ Het is volgens Magill een ethos dat grote delen van ons moderne leven bepaalt.

Magill zoekt de wortels van onze fascinatie met oprechtheid in het protestantisme. De Reformatie zette zich af tegen vermeend bedrog van de katholieke kerk. Institutionele doctrine en mystiek ritueel moesten worden vervangen door het individuele geweten van de gelovige en God als alziend oog. Barokke opsmuk moest wijken voor kale soberheid, die zich in één opslag liet doorgronden. Johannes Calvijn vond een ‘oprecht hart’ de voornaamste deugd. In het lutheraanse Duitsland van de zestiende eeuw gold de zwaarste straf niet voor moord of diefstal, maar voor misdagers die zich hadden bezondigd aan bedrog. De Angelsaksische puriteinen waren geobsedeerd door geveins, misleiding en valse voorwendselen. Dat waren de instrumenten van de duivel, bedoeld om de gelovige weg te leiden van God.

Verlichtingsfilosofen – zie Kant – mengden de protestantse strengheid met een dikke scheut ratio om tot de conclusie te komen dat liegen en misleiden absoluut not done is. In de Romantiek kreeg oprecht zijn een nog persoonlijker tintje. Sleutelfiguur in het boek Sincerity is Rousseau, wiens autobiografie Bekentenissen (‘een poging om het meest eerlijke boek ooit te schrijven’, aldus Magill) de toon zette voor een cultuur van soul searching en de opvatting dat jezelf openbaren een goed idee is. Tegenwoordig zijn we allemaal een beetje Rousseau, meent Magill, omdat we ons diepste zelf graag in de etalage zetten.

Medium caspergroene liegen 234

Nu is het de vraag of bij de inlichtingendiensten de geschiedenis van de westerse filosofie op de boekenplank staat, maar het is niet moeilijk om te zien dat hun datahonger enerzijds wortelt in de Verlichting, waarin liegen geldt als vijand van de ratio, en anderzijds in de Romantiek, die hamert op het openbaren van je diepste zelf. Hetzelfde geldt voor grote technologiebedrijven als Google en Facebook. Hun ethos sluit naadloos aan bij wat er in de filosofie eeuwenlang is verdedigd: vertel de waarheid en verberg jezelf niet. Geheimen zijn leugens, privacy is diefstal, zoals het motto luidt van The Circle, het fictieve sociale mediabedrijf in Dave Eggers’ recente roman.

In de praktijk kunnen we echter nauwelijks uit de voeten met het gehamer op eerlijkheid en oprechtheid. Probeer maar eens een familiebijeenkomst, bedrijfsvergadering of eerste date door te komen met de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid. Ruzie en ellende zijn het gevolg. ‘Bedrog, en niet eerlijkheid is het cement van onze beschaving. Het houdt ons niet zozeer bij elkaar, maar het vormt een isolatielaag tussen ons en onze gedachten en de anderen’, schrijft Robert C. Solomon in The Philosophy of Deception. Tweeduizend jaar geschiedenis van de filosofie hebben de waarheid een vals aura gegeven, constateert hij, en daarmee houden we onszelf voor de gek. ‘Het is glashelder dat zelfs ons meest basale sociale verkeer niet zou kunnen bestaan zonder de schaduw en duisternis die leugens en misleiding bieden.’

Hoe verschrikkelijk een wereld zonder leugens kan zijn, is een van de dingen die we leren van Gulliver’s Travels. In het vierde deel van Jonathan Swifts boek komt Gulliver terecht bij de Houyhnhnms, een hyperintelligent paardenras dat in volslagen redelijkheid, kalmte en stabiliteit samenleeft. Ze zijn de tegenpool van de Yahoo’s, het wilde volk dat zich laat meeslepen door ongetemperde driften en emoties dat Gulliver eerder ontmoette. De sleutel tot de stabiliteit van de Houyhnhnms is dat de ze de leugen niet kennen. Ze hebben er niet eens een woord voor. Hooguit kunnen ze spreken over ‘het ding dat niet is’. Als Gulliver aan de leider van de Houyhnhnms probeert duidelijk te maken dat hij van overzee komt, stuit hij op onbegrip. Houyhnhnms kunnen niet begrijpen dat iets wat ze niet zien wel degelijk kan bestaan. De samenleving van de Houyhnhnms mag dan volslagen gespeend zijn van leugen, ze is ook doodsaai.

Het ware venijn zit ’m uiteindelijk in de staart, zo betoogt filosoof Lee Perlman in een lang essay over Gulliver’s Travels. Eenmaal thuisgekomen spiegelt Gulliver zich aan de Houyhnhnms. Hij verklaart zichzelf, net als Kant, een fel tegenstander van alle leugens en bedrog. Het gevolg is dat hij een diepe minachting ontwikkelt voor zijn eigen verwanten. Het liefst verblijft hij in de paardenstal waar de aanwezige dieren hem herinneren aan het volk dat hij op reis ontmoette. De Gulliver die terugkomt van zijn reizen mag dan een liefhebber van de waarheid zijn, een aangenamer mens is hij er niet van geworden. Jonathan Swift begreep het, in tegenstelling tot zijn Verlichte tijdgenoten: de waarheid mag bevrijdend werken, maar het is de leugen die ons menselijk maakt.