Bedwelmend en versuffend

De nieuwe gedichten van ruimteschip Peter Verhelst lijken de ijstijden te willen doen herleven en herbeleven. Met als nieuw sterrenbeeld een Siamese tweeling ‘op de zwarte lakens van de nacht gestikt’.

‘Poetry My Arse’. Het moet voor Brendan Kennely een genot zijn geweest die titel op een kaft van zijn dichtbundel te zien toen hij in 1995 zijn ambt als literatuurprofessor aan Trinity College in Dublin neerlegde. Het kon hem gestolen worden, dat ambt, maar hij bleef schrijven: vier bundels zouden erop volgen. ‘die poesie ist mein schiesshund’, is een gevleugelde titel van een gedicht van de Duitser Lutz Seiler. ‘Als ik het woord poëzie hoor, trek ik mijn wapen’, dreigde Colin Newman, zanger van de Britse punkgroep Wire en auteur van opmerkelijke teksten. ‘Je moet íets zingen.’
Gedichten schrijven – en die ook nog eens naast andere gedichten in een boekje zetten en dat een dichtbundel noemen, is dat niet een beetje te veel van het goede? Zoiets moet Peter Verhelst gedacht hebben toen hij in 1997 aankondigde het dichterschap voor gezien te houden. Na zeven dichtbundels en drie romans was het welletjes geweest. Hij debuteerde in 1987 met Obsidiaan, een romantische bundel met reproducties van Francis Bacon. Opvallend is de bundel Witte bloemen (1991), waarin hij Baudelaire laat spreken, en De boom N (1994), een lang zinnelijk tuingedicht. Verhelst heeft er een handje van daarin het laatste woord van een regel als een losse tegel te plaatsen, waarop je zowel terug kunt naar de voorafgaande regel als door naar de volgende. Dubbelzinnigheden zijn hem niet vreemd. Hij is een liefhebber van de allegorie, en de bedwelmende werelden in zijn geschriften doen denken aan fantasy. Hij maakt graag gebruik van suspense. Misschien vormt het werk van Verhelst wel de grens van de literatuur. Het getuigt van een zeer sensitieve voeling met hedendaagse beeldende kunst. Na zijn in De Revisor aangekondigde dichtersstop begonnen zijn romans angstaanjagend op te zwellen. Het wekt geen verbazing dat hij zich niet aan zijn woord hield, hij moest stoom afblazen. In 2003 verscheen de bundel Alaska en nu is er de lijvige bundel Nieuwe sterrenbeelden.
Bij de eerste oogopslag is het flink schrikken. De bundel bevindt zich meer dan tevoren op de rand van de kitsch en esoterie. Onafgemaakte zinnen met als onderwerp een suggestief ‘het’ of ‘iets’ dat vaak een dier of substantie lijkt te zijn. Veel blijft oningevuld. ‘Ooit moet en zal het/ zichzelf geloven’, schrijft Verhelst. Zijn metaforiek zoekt hij in de natuur, maar telkens liggen valkuilen op de loer. ‘de avondzon als olijfolie over de rug/ van een landschap’. Vulkanen en gletsjers zijn geliefde attributen om de beeldspraak organisch te krijgen. Nieuwe sterrenbeelden suggereert een constante extase. Maar de liefdesscènes waar de gedichten in uitmonden, krijgen vaak iets statisch en slepends. Of hij het nu heeft over het redden van een kind dat op de reling van een brug staat, of in de serie Crash stills de spanning tussen erotiek en ongeluk zoekt, zijn gedichten zijn zo intiem dat het lastig is de beelden een kader te geven. ‘Het is windstil, en toch/ bollen onze kleren als druppels op’. Of: ‘In de hoek van het tuinhuis pulseert de gele/ tuinslang alsof hij nog leeft’.
Verhelst heeft twee registers, een snel, nonchalant, gemakzuchtig, en een indringend en beklijvend. In zijn reeksen en series rijgt hij die registers aan dezelfde ketting. Hallucinatoir is een understatement geworden – Verhelst beitelt de taal keihard flou. Intelligente afbrekingen heeft hij overboord gekieperd. Deze poëzie wordt niet regel voor regel opgebouwd maar gonst en stroomt als een lawaaiig kanaal.

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt,
zodat de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.

De vermenging van object en subject, en de verschrijving en omkering van gebroken naar heel is typerend voor Nieuwe sterrenbeelden. Een muur is bij Verhelst een organisch ding, iets waar je je hoofd in kunt leggen. Een muur wordt bij hem gemaakt van horizontaal in elkaar hakende mensen. ‘Een beeld valt net zo min samen met de werkelijkheid/ als de ijsvogel met het meer waar hij overvliegt’. Toch doet Verhelst niets anders dan suggereren dat dat wel samenvalt. Als op het eind van de bundel mensen als een ritselend berkenbos op een plein staan, is er de theatrale setting waar Verhelst naartoe wil: een eenwording van beeld en taal, zintuiglijkheid en waarneming, van mens en materie.
Het werk van Peter Verhelst is van grote invloed. De stempel van Verhelst is terug te vinden in De vloeibare jongen van Thomas Möhlmann en in de gedichten van Jan-Willem Anker. Maar de ontwikkelingen binnen zijn eigen oeuvre zijn ongewis. Zijn obsessiviteit lijkt als een poort te fungeren voor veel lezers. Tegelijk wil zijn poëzie zozeer genot zijn dat die met steeds meer moeite op de lezer overslaat. Eerder raakt de lezer bedwelmd en versuft.
‘Welkom in de 21ste eeuw’, staat er op het achterplat van de bundel. Dank je wel, ruimteschip Peter! Zijn nieuwe gedichten lijken de ijstijden te willen doen herleven en herbeleven. Met als nieuw sterrenbeeld een Siamese tweeling, ‘op de zwarte lakens van de nacht gestikt’.

Peter Verhelst, Nieuwe sterrenbeelden. Prometheus, 128 blz., € 22,95