Beeeeethleheeeeeem

Op 4 oktober 1226 overleed Franciscus van Assisi. De ongelovige Kees ‘t Hart ging op bedevaart om de sterfdag ter plekke te herdenken. Hij vond de heilige: een halve gare met een sikje, pratend tegen de grond.
WOENSDAG 29 september. 'Een filosoof, een onderlegd en welsprekend man, zei eens over zijn preken: “Wanneer ik naar andere predikanten luister, onthoud ik hun preek woord voor woord. Alleen wat de heilige Franciscus zegt ontsnapt me steeds weer en als ik eens iets onthoud, dan schijnen mij zijn uitspraken toch heel anders dan toen ze van zijn lippen vloeiden.”(’ Ik lees dit in het vliegtuig naar Rome, het is rond 1250 geschreven door Thomas van Celano, Franciscus’ eerste biograaf. In de zomer van 1988 las ik het voor het eerst in een boerderij dicht bij Cortona. Ik moest erom grinniken en begon alles van en over Franciscus te lezen. En in 1989 kwam mijn roman Land van genade uit, over geschiedschrijving en verveling, maar vooral over Franciscus van Assisi (1181-1226).

Ik ben op weg naar Assisi om daar op maandag 4 oktober de sterfdag van Franciscus - Werelddierendag - te herdenken. Ik heb me goed voorbereid, alles over zijn leven gelezen, daar veel plezier aan beleefd, moderne interpretaties van zijn geschriften bestudeerd en gediscussieerd in het café tot ik er bij neerviel. Wat ga je daar toch zoeken jongen? Je gelooft nul komma nul, je bent niet katholiek opgevoed, dat wordt niks, nepkatholieken, daar zitten ze niet op te wachten, overdrijf toch niet altijd zo, straks ga je nog van die bidprentjes verzamelen, weet je wel. Met van die heiligen erop met omhooggeslagen ogen. Kijk maar uit dat je niet wordt opgepakt door aanhangers van Padre Pio, de nieuwe lievelingsheilige van Italië. Ik zit in het propvolle vliegtuig niet bij het raam en niet naast mijn vrouw. Zij zit voor me, naast me zit een vrouw die over Rome vertelt. Zeg niet: het waren de stenen van Assisi, schreef ik lang geleden, zeg: het waren mijn stenen van mijn Assisi.
We gaan per gehuurde auto naar de boerderij vlak bij Cortona. We komen er al twaalf jaar. Eerst rijden we naar Greccio, waar Franciscus in het begin van de dertiende eeuw de huidige kerstviering uitvond, compleet met dieren, een kribbe en herders. Thomas de Celano maakt er in zijn biografie een verbluffende scène van die ik onvoorwaardelijk geloof, zo gek kun je het zelf dus niet verzinnen. ‘Als hij (=Franciscus) Jezus’ naam wilde noemen, liet zijn brandende liefde hem af en toe “Kind van Bethlehem” zeggen. En wanneer hij “Bethlehem” zei, leek hij wel een blatend schaap. Het genot dat de naam hem gaf, benam hem bijna de adem. Bij het uitspreken van “Bethlehem” of “Jezus” likte hij met zijn tong langs zijn lippen, alsof hij proevend genoot en de zoete woorden langzaam inzoog.’
Wanneer we bij Greccio zijn, open ik het autoraampje en laat ik mijn eigen gemekker over de velden schallen: Bèèèèthlehèèèèm. Een paar schapen kijken verveeld op, alweer zo'n op hol geslagen Franciscus-gek, deze keer nog niet-gelovig ook, je ziet het ze denken. Beschaamd maakt mijn vrouw een foto van het bord waarop staat dat Greccio en Bethlehem zustergemeenten zijn. Doe niet zo raar man. Vlakbij het dorpsplein is een steen waarop Franciscus ooit predikte. We bekijken hem, er staat zo'n lelijk beeldje op van een heilige met vogeltjes erbij waar Italië mee vol staat. De steen is verweerd. Als Franciscus hier ooit op heeft gestaan, ben ik een boon, zegt mijn vrouw. Toch vind ik hem mooi, het is wel een oude steen, zeg ik.
Daarna rijden we verderop in de heuvels naar het kleine klooster. Het is stokoud, bestond al voor Franciscus’ tijd. Er is niemand. We gebruiken bij onze bezichtiging het onvolprezen en af en toe geestige reisboekje van Gerard Pieter Freeman, franciscaan, voormalig hoogleraar in de franciscologie in Utrecht: Umbrië, in de voetsporen van Franciscus. We bezichtigen de plaats waar het eerste kerstfeest werd gevierd, een grotje waar hoogstens een kleine os met een lam in kan en dan zou je de kribbe nog net kunnen zien. Vlak daarbij is de cel van Franciscus. De slaapzaal boven is prachtig, een diepbruine houten constructie. We moeten bukken om naar binnen te gaan. Er zijn piepkleine ruimten aan beide kanten: de cellen. Ze stammen nog uit de dertiende eeuw. We lopen verbijsterd rond, onze voetstappen klinken hol op, we loeren door de gesloten deurtjes van de cellen, er ligt een tas, een jasje. Ze zitten d'r nog, fluistert mijn vrouw. We krijgen iets baldadigs omdat we alleen zijn, fluisteren onnodig zacht, lachen daarna veel te hard. We discussiëren over de lengte van de mensen in de dertiende eeuw. Ze waren aan de deuren hier te zien niet veel langer dan 1,60 meter, denken we, piepkleine mannetjes die hier heen en weer liepen. En Franciscus was nog kleiner. Celano schrijft over hem: 'Hij was tamelijk klein van gestalte, had een vrij klein, rond hoofd, de vorm van zijn gelaat kon je langwerpig ovaal noemen, hij had een laag voorhoofd, nogal kleine zwarte heldere ogen, donker haar, rechte wenkbrauwen, een goedgevormde dunne rechte neus, kleine rechtopstaande oren en vlakke slapen.’ Laten we zeggen dat hij 1,50 meter lang was, zeg ik en ik wijs ergens halverwege op mijn borstkas, en dat hij ook flaporen had, net als ik. Ja hoor, straks beweer je nog dat je op hem lijkt, zegt mijn vrouw.
In een gesloten deur zit een sleutel, we draaien hem om en gaan naar binnen: een gang, een paar kamers, er staan computers, dozen, lege wijnflessen, op een hoop gegooide kleren. Snel keren we weer terug, nog net niet betrapt. Ze hebben computers, zeg ik teleurgesteld. Blijkbaar vind ik dat kloosterlingen alleen bij kaarslicht droog brood mogen eten, dat ze met roestige emmers water uit kilometerdiepe putten moeten takelen, geen elektriciteit mogen hebben, geen telefoon, nooit televisie kijken en zich niet vaker wassen dan drie keer per jaar.
Op een pleintje buiten staat een ongehoord lelijk, modern Franciscus-beeld. Ik word woedend, vloek en tier als een kind wiens lievelingspop wordt afgenomen. Franciscus als halve gare met een sikje die tegen de grond staat aan te praten. Een praatzieke, ijdele kwast, op 5 juni 1999 aangeboden door de Lyonsclub. Plotseling wil ik alleen nog zwijgen.
DONDERDAG 30 september. We rijden naar Assisi. Waarom rij ik hier? Wat bezielt me? En wat bezielde Franciscus toen hij aan het einde van de twaalfde eeuw de omgeving hier onveilig maakte? Presenteerde hij een parodie op het leven van Jezus met de bedoeling de kerk van die tijd nieuw leven in te blazen? Er valt veel voor te zeggen. Hij was een performance-artiest in hart en nieren, dat blijkt overduidelijk uit alle biografieën. Hij is in veel opzichten te vergelijken met komieken die ook nu nog graag Belangrijke Persoonlijkheden persifleren. Hij gaf voorstellingen met zang en dans waar de bevolking geweldig veel plezier aan beleefde, imiteerde in de omgeving van Assisi opgewekt en schaamteloos het leven van Jezus, omringde zich net als hij met elf broeders, beschouwde als het hem uitkwam het Lago di Trasimeno als het meer van Galilea, Rome als Jeruzalem, en demonstreerde een zo radicale armoede dat de plaatselijke bevolking er zich zowel kapot om lachte als ook gefascineerd en bedremmeld toekeek. 'Zij scholden hem uit voor waanzinnige gek’, schrijft Celano, 'en gooiden hem met modder en stenen.’ En elders: 'Veel mensen kwamen toelopen om dat reuze schouwspel te zien.’ Franciscus toonde, demonstreerde, wees aan maar zweeg altijd over zijn bedoelingen. Bij hem geen ingewikkelde verhalen over pretenties, geen potsierlijke uitleg. Zijn leven is op te vatten als een uitputtende omtrekkende beweging, een poging via beeldende, zintuiglijke demonstraties tot spreken te komen. Tot zwijgen. Franciscus opereerde als een kunstenaar.
Assisi is nu een bouwput, alle kerken staan achter reusachtige steigers. We kunnen niks vinden, de drie mogelijke geboortehuizen van Franciscus zijn of dicht of onvindbaar. We lopen met de drommen mee, ik ben zo'n beetje pelgrim, net als de anderen. Alleen de onderkerk van de kathedraal is open. We lopen om het graf dat in een smetteloze, smakeloze pretparkachtige ruimte staat opgesteld. Het is vorig jaar geopend, waarbij eregast Lee Towers I did it My Way ten gehore bracht. Openbare bidders aan alle kanten, sommigen vooraan midden in het licht zodat iedereen ze kan zien bidden. Geen zwijgers dus maar zwetsers. Opzichtige bidders, ondraaglijk prevelende monden. Ze zijn niet stil te krijgen, het bloed stijgt naar mijn hoofd, er klinkt gebrom en gezoem alsof ieder ogenblik vanuit het duister een trein het perron op kan komen rijden. Ik moet snel weg voordat er ongelukken gebeuren. Dan raakt een vrouw voor me het hek even aan waarbinnen de graftombe hoog staat, we lopen aan de achterkant van de tombe, zodat voor in de bedompte ruimte niemand haar kan zien. Ze wilde het hek niet aanraken. Ze had zich voorgenomen er stil langs te lopen, gebaarloos. Ze wilde tot het uiterste voorkomen dat iemand haar geheimen raadde. Zo stil was ze nog nooit. Maar dan ineens raakt ze het hek toch aan, heel even, vrijwel zonder het aan te raken. Ik ben diep ontroerd.
In de grote tuin van het kloostertje Carceri, vlakbij Assisi, bezoeken we ’s middags de grot van broeder Leo. Het is zonder meer verpletterend. Er hangt een rotsblok boven een piepklein gat. Daar zat-ie dan, een van de eerste gezellen van Francesco, van Il Poverello, van oom Frans zoals mijn vrouw hem wel noemt, Fransje, kleine meneer Frans. Uit het bos beneden ons duikt een vrolijk lachende monnik op, bruine pij, sandalen, geen baard. Dit is mijn kans om met een monnik te praten. Waarom bent u monnik?, wil ik vragen. Waarom loopt u hier? Hebben monniken computers? Hij knikt ons stralend toe. Buon giorno, zeg ik. Achter hem komen een man en een vrouw. Ze praten alledrie Duits en lopen haastig door.
VRIJDAG 1 oktober. Vannacht veel te laat naar bed gegaan, ja doe nog maar een fles open, onnavolgbare gesprekken. ’s(Middags rijden we door de laagvlakte van Cortona. Mijn vrouw maakt foto’s van verlaten boerderijen. 'Nothing compares 2U’, zoemt door mijn hoofd, in de versie van Sinead O’ Connor. Daarna zingfluister ik minutenlang 'What do you want to make those eyes at me for’, van Emile Ford.
ZATERDAG 2 oktober. We zijn uitgenodigd om bij Stefania en Lucio Sansone de lunch te gebruiken. We komen al jaren bij hen thuis. Er zijn een paar andere gasten, buren en vrienden uit Florence. We maken een Italiaanse maaltijd mee, aanhoudend heen en weer golvend gepraat, iedereen lijkt door elkaar te praten, het gelach klimt, blikken flitsen heen en weer, af en toe vertelt Lucio of Stefania in het Engels waar het gesprek over gaat. Mijn vrouw vraagt wat die vreemde stukjes groente in de sla zijn. Grote hilariteit. Het heet vinocchio, venkel, en in Italië is dit ook een woord voor homoseksueel. Hij is vinocchio, zeggen ze wel. Het geschater is nu niet van de lucht. Waarom dan?, vraag ik. De man naast me, leraar geografie in Florence, legt uit dat men denkt dat je van het eten van vinocchio een wijdere anus krijgt. Dat weten we dus ook weer, er heerst aan tafel nu een waarlijk uitgelaten sfeer.
Tegen het einde van de maaltijd moet ik vertellen wat ik toch met die Franciscus heb. Bij deze ontkerkelijkte Italianen lopen de rillingen over de rug wanneer iemand positief over heiligen zeurt. Dan begin ik te praten. Ik hoor mezelf vertellen, in stotterend Engels-Italiaans, dat Franciscus een voorbeeld voor me is, een beeld van kunstenaarschap, dat hij zonder meer de eerste grote kunstenaar was, dat hij middelen van de kunst gebruikte om mensen en dieren te bekeren, dat hij opereerde als een kunstenaar, dat hij danser was, performance-artiest, groot dichter, architect, beeldhouwer, dierentemmer, goochelaar, armoedzaaier, dat hij een oogziekte had, een ziekte van de ogen wil ik zeggen, maar dat zeg ik niet, dat hij recht de zon in keek om te kunnen huilen, dat hij niets weg had van zo'n enge bidprentjesheilige, dat hij opvliegend was, boosaardig soms, dat de broeders ook bang voor hem waren, dat hij geestig was, voor niemand bang, onbevangen, opgewekt. Ongegeneerd. Dat het heel moeilijk is geworden om deze ongegeneerde onbevangenheid nog onder de dikke deken van het rooms-katholicisme vandaan te halen. Ik praat veel te lang, ik kan niet meer stoppen, ik vertel dat ik verlang naar zijn zintuiglijke manier van werken, van optreden, dat ik zijn radicaliteit en onbevangenheid in mijn werk wil laten doorklinken, dat ik nu eenmaal bij mijn eigen schrijfwerk dwingende voorbeelden nodig heb, dat daar niets aan te doen is. Dat ik zintuiglijk wil zijn, empirisch, dat ik niet precies weet wat ik daarmee bedoel en dat ik het ook niet wil weten, dat ik eigenlijk, net als Franciscus, helemaal niets wil weten en dan het liefst nog wat minder. We lopen later op de middag de tuin in en kijken naar de druiven, de zon breekt door. We gaan straks naar Celles, zeg ik, een kloostertje vlak bij Cortona waar Franciscus kort voor zijn dood nog een paar dagen verbleef.
ZONDAG 3 oktober. We zijn voor een kleine privébedevaart op weg naar Foligno, naar een berg daarachter, de Sasso di Pale, hij staat op de kaart. Begin juli 1994 verdween hier tijdens een wandeling een Nederlandse geestelijke. Zijn lichaam werd pas op 14 augustus in een ravijn van de Sasso di Pale gevonden. Ik herinnerde me de beroering die destijds ontstond, mijn eigen verslagenheid omdat ik me met hem verbonden voelde en ik ben nu op zoek naar de plaats van het ongeluk. We rijden eerst richting Vescia en zien in de verte een zeer steile berg opdoemen, daarbovenop een groot kruis en elektriciteitsinstallaties, dit moet hem zijn. Ik vraag de weg aan een voorbij fietsende man. Ja, dat is de Sasso di Pale, rijdt u maar naar Vescia, hier rechtdoor en dan naar links richting Pale, een klein dorpje. De man heeft een hoedje op dat veel Italiaanse wegwerkers dragen, hij praat gebroken Duits met me. Daarboven is geen restaurant, zegt hij breed grijnzend. We geven elkaar een hand.
We naderen Pale, de berg is werkelijk zeer steil, hoe kun je hier ooit een wandeling maken, er is nauwelijks begroeiing, over de berg liggen uitgesleten routes van steenlawines. Pale zelf is een vrijwel verlaten dorp, er is een verwaarloosde kasteelruïne, wat huizen, een verlaten school. We lopen wat rond en kiken af en toe omhoog naar de Sasso di Pale. Plotseling wijst mijn vrouw naar een paar grotten, zeer hoog en verstopt. Daar is iets, zegt ze, er staan ook steigers of zo. Uit een van de huizen komt een man en ik vraag hem wat dat daarboven is. Ah, si, zegt hij, il Eremo. Het is een verlaten kluizenarij, zeer oud. Een paar jaar geleden is hier iemand om het leven gekomen, zeg ik, een Nederlander. Hij weet het nog, o ja, die was naar boven gelopen, naar de kluizenarij en daarbij, of op de terugweg, verongelukt. Maar niet aan deze kant van de berg, zegt hij, hij is aan de andere kant naar beneden gegaan en daar verongelukt. Ik wil weten of je er kunt komen, mijn vrouw kijkt bedrukt de steile wand omhoog. De man neemt ons een eindje mee door het dorp en wijst dan op een pad dat het dorp uitloopt. Hij maakt me duidelijk dat ik dit pad moet nemen en dat ik dan vanzelf boven kom. Is het moeilijk, hoor ik mezelf zeggen. Nee, nee, het is niet moeilijk, maar wel piano, piano, zachtjes, zachtjes. Hij wijst geruststellend en gaat dan weer terug naar huis. We beginnen te lopen. Na vijftig meter keert mijn vrouw terug, ze heeft last van hoogtevrees en links van het smalle pad gaapt een scherp ravijn. Ik ga door, zeg ik, en dan klim ik langzaam naar boven, het pad is ongeveer zestig centimeter breed en bezaaid met stenen en rotsblokken, het slingert omhoog, steiler en steiler, plotseling bemerk ik dat ik als een vlieg langs een steile rotswand loop, met rechts van me een verwoestend ravijn. Ik durf niet meer te kijken, aanvallen van hoogtevrees verlammen me, ik loop te trillen op mijn benen, ik weet zeker dat ik nooit maar dan ook nooit terug zal durven gaan, mijn vrouw moet maar een reddingshelikopter bellen. Paniek giert in mijn keel, overal zijn kolkende diepten. Ik stap wanhopig door, hijgend, bijna in tranen, woedend op mezelf, vloekend, hoger en hoger ga ik, wie hier even zijn grip verliest of duizelig wordt, slaat onmiddellijk te pletter. Nu snap ik wat er is gebeurd. De geestelijke is destijds naar de kluizenarij geklommen, net als ik nu, en is via een ander pad teruggelopen en toen is het gebeurd. Af en toe staan langs het pad stalen kruisen. Gedenktekens? Waarvan? Ik maak er foto’s van. Vlak voor de kluizenarij gaat het wat makkelijker, ik kijk strak voor me uit op het pad. Dan ben ik boven, ik tril van angst, ik zweet, spuug, maak een paar foto’s en loop weer naar beneden. Ik loop langzaam, kijk nergens naar, vreemd genoeg is de terugtocht makkelijker, op een gegeven moment zie ik ook een pad naar rechts, ik ga rechtdoor. Al met al ben ik ongeveer een uur weggeweest. Beneden wacht mijn vrouw op me, ze is blij, daarna woedend, je bent een lul, zegt ze. Ze is opgelucht, ik had het nooit mogen doen. Ze vertelt dat ze niet heeft durven kijken, dat er een oudere man bij haar was komen praten en dat die met veel gebaren had uitgelegd dat het wel degelijk gevaarlijk was. Pericoloso, had hij gezegd, pericoloso. Ze had het woord in het woordenboekje opgezocht, 'gevaarlijk’ stond er, godverdomme gevaarlijk, je lijkt wel gek.
Langzaam komen we tot rust, we giechelen wat, ik zweet van top tot teen, ben oneindig opgelucht, heel stil, in de auto lachen we naar elkaar. Heb je foto’s gemaakt? vraagt ze.
MAANDAG 4 oktober. De sterfdag. We bezoeken in Assisi eerst de ochtendmis. De bovenkerk is nog steeds gesloten voor publiek, ik moet me de benedenkerk zo ongeveer invechten, de Rai verzorgt een directe televisie-uitzending, ik kan nog net het altaar zien. Het gezang is prachtig maar ik voel me verontrust en bedrukt, hier is niet te vinden wat ik zoek, mensen om me heen doen uit volle borst mee met de gezongen teksten. Om vier uur ’s(middags gaan we naar de vespers, kardinaal Alberto Giglioli verzorgt de mis. Weer dezelfde verontrustende bedrukking, ik wil hier tegelijkertijd zijn en verdwijnen. Op het einde zegent hij ons met een beroemd relikwie dat in deze kathedraal wordt bewaard: de door Franciscus zelf geschreven tekst met de zegening van broeder Leo. Hoog tilt Giglioli het relikwie boven ons uit. Daarna worden in de kerk olijftakken uitgedeeld waar een grote run op ontstaat. Iedereen wil koste wat het kost zo'n olijftak hebben, schermutselingen, mensen duwen, er klinkt geschreeuw. Zie ik daar mijn vader? Achter hem een paar oude vrienden van me, nog niet dood. Een wiskundeleraar, tantes waar ik vroeger logeerde, mijn lerares Engels, mijn broer, vriendinnetjes van vroeger, mijn oude hond, mijn grootvader. Ik haal een olijftak en geef hem aan mijn vrouw.