Een Koninklijk Museum

Beelden

Begin negentiende eeuw werden de zeventiende-eeuwse Hollandse meesters van het alledaagse leven plotseling modern in Frankrijk. Hun kunst was voor de Franse republikeinen en latere bonapartisten het summum van de nieuwe ‘art democratique’. Tijdens de Franse tijd drong deze nieuwe waardering van hun oude kunst ook tot Nederlanders door. Dat kwam vooral door de inspanningen van Lodewijk Napoleon, die in zijn korte regeerperiode (1806-1810) de Hollanders maande trots te zijn op hun eigen taal, verleden en vooral schilderkunst. Zijn beleid was erop gericht eenheid te creëren in het verdeelde land, dat in zijn ogen ten onder dreigde te gaan aan de onderlinge strijd tussen verschillende facties en regio’s. Onderdeel van dit beleid was onder andere het instellen van een ridderorde, het oprichten van verschillende instituten van wetenschappelijk en staatsrechtelijk belang, maar bovenal de krachtige poging tot het verbeelden van een sterk nationaal zelfbewustzijn. Lodewijk, de enigszins tragische maar literair en kunstzinnig meest getalenteerde vorst die ons land ooit heeft gekend, voerde als eerste in Nederland een bewust cultuurbeleid. Het eerste besluit dat hij nam, was de oprichting van een Koninklijk Museum in zijn eigen woning, het paleis op de Dam, dat hem was geschonken door het Amsterdamse stadsbestuur. Hij verbouwde het paleis voor een half miljoen (een mooi grachtenpand kostte in die tijd zesduizend gulden), verwierf een imposante collectie en maakte het museum gratis toegankelijk voor het publiek.


De tentoonstelling Een Koninklijk Museum: Lodewijk Napoleon en het Rijksmuseum geeft een indruk hoe dit museum van Lodewijk eruit moet hebben gezien. Schilderkunst, vitrines en objecten roepen een beeld op van de kunst en geschiedenis van toen, zoals de huidige museumdirecteur Ronald de Leeuw dat voor ogen heeft voor de binnenkort te realiseren vaste opstelling. De voor museale doeleinden volstrekt ongeschikte wanden van het paleis moeten vol hebben gehangen met schilderijen. Op de grond en in de vitrines waren attributen en rariteiten geplaatst van vooral patriottistisch-historisch belang: het harnas van Piet Hein, de leunstoel waarop Van Oldenbarnevelt zijn vonnis afwachtte, de sabel van De Ruyter, een door de Hollanders buitgemaakt kanon. Ook de historische schilderkunst had zijn warme belangstelling. De eed van de Batavieren in het Schakerbos was zijn lievelingsvoorstelling. Nergens anders in Europa werd zoveel aandacht besteed aan vaderlandse geschiedenis als in het Koninklijk Museum in Amsterdam. De Duitse Therese Huber noteerde in haar reisverslag dat ze een museum voor nationale geschiedenis had bezocht, wat overigens niet de bedoeling van Lodewijk kan zijn geweest, want die meende dat zijn museum ook moest verduidelijken dat er een kans bestond op een herleving van het luisterrijk verleden. Daartoe organiseerde hij, meteen bij de opening van het museum, een expositie van levende meesters: de eerste tentoonstelling in ons land van ‘eigentijdse’ kunstenaars. Bovendien ontpopte hij zich als protagonist van de in het slop geraakte Nederlandse schilderkunst en als mecenas voor jonge, talentvolle kunstenaars.


Op de tentoonstelling is ook te zien dat Lodewijk het beeld van de Nederlandse geschiedenis wilde bijstellen. Zo beoogde hij de rol van de Oranjes terug te dringen. Daarmee was al een voorzichtig begin gemaakt tijdens de Bataafse Republiek. Onder Lodewijk werden afbeeldingen van de latere Oranjes zelfs gemeden. De nadruk in het museum lag op portretten en attributen van tegenstanders van Oranje, zoals Hugo de Groot, de gebroeders De Witt en Rombout Hogerbeets. Prominente plaatsen werden toebedeeld aan schilderijen als De overwinning van graaf Floris bij Utrecht en De arrestatie van Oldenbarnevelt door de misdadige Maurits.


In dit licht moet ook de allereerste aankoop van het museum worden gezien: De bedreigde zwaan van Jan Asselijn (ca. 1640), een schilderij dat nog altijd op zaal hangt en voor de gelegenheid van zijn plek is gehaald. Het doek werd voor 95 gulden verworven, nog voordat Lodewijk naar Nederland kwam. Het werd, zeker ten tijde van het Koninklijk Museum, beschouwd als een allegorie op Johan de Witt, die een zwaan in zijn wapen voert. Hij verdedigt zijn land tegen Engeland, dat verbeeld wordt door een zwemmende hond. De waarschijnlijk in de achttiende eeuw aangebrachte teksten expliciteren deze analogie. De raadspensionaris verdedigt zijn land gelijk een zwaan zijn kroost.


Wat Lodewijk Napoleons belang voor het land is geweest valt moeilijk vast te stellen. Van welk belang het land voor hem was, is eenvoudiger te achterhalen. Uit een briefroman die hij schreef vlak nadat zijn broer hem had gedwongen te abdiceren, blijkt nadrukkelijk dat Lodewijk Nederland boven Frankrijk had verkozen. Ook uit de enigszins pathetische memoires blijkt hoe sterk Lodewijk zijn hart aan Holland had verpand. Zijn ideaal, zoals in ieder middelbare-schoolboekje is te lezen, was Hollander met de Hollanders te zijn. En het streven van zijn cultuurbeleid was samen Nederlander-zijn door de Hollandse geschiedenis te verheerlijken. Misschien is dit ook iets voor Rick van der Ploeg, die alleen maar hamert op het belang van een cultuurpolitiek die toegesneden is op de pluriforme samenstelling van de Hollandse samenleving. Buitenlanders, zelfs een vorst als Lodewijk Napoleon, brengen niet alleen iets mee, maar willen nog veel liever iets ontvangen. Nederlandse kunst en geschiedenis kunnen bijdragen om ze een nieuw vader- of moederland te geven. Als iemand dat verlangen heeft getoond, is het wel Lodewijk Napoleon. Hoe hij vorm gaf aan dat verlangen, is tot eind juni te zien in het Rijksmuseum.



PIETER VAN OS