J.M. Coetzee, Elizabeth Costello

Beelden van het kwaad

Lezend over afstomping door de dagelijkse stroom van beelden van geweld, mag je je afvragen of de voortdurende afweer niet even afstompend werkt. Want dat komt in feite neer op gemakzucht: niet willen zien, niet willen kijken

Coetzee heeft een ideeënroman geschreven. Dat is in zoverre waar dat elk van de zes hoofdstukken om een idee draait, of liever om een begrip — werkelijkheid, orale cultuur, humanisme, kwaad, goddelijkheid, geloof — waarna in een kort slotwoord alle woorden letterlijk tussen aanhalingstekens worden gezet.
In Lives, een boek met lezingen, voerde J.M. Coetzee een oudere Australische schrijfster sprekend op: Elizabeth Costello. Het nieuwe boek is naar haar genoemd en zij is ook de hoofdpersoon aan wie Coetzee de ideeën toeschrijft. Dat kan een literaire truc lijken; in elk geval is het een bewuste manoeuvre waarvoor in het eerste hoofdstuk «Realisme» een regieaanwijzing wordt gegeven.
Als ideeën vaak de vorm van spreuken aannemen, laat Coetzee de achterkant van het borduur- of broddelwerk zien. Om Elizabeth Costello te citeren: «Wanneer het om ideeën gaat, zoals hier, is men in het realisme gedwongen situaties te bedenken waarin personages uiting geven aan tegenstrijdige idee en en ze daarbij in zekere zin belichamen. Het begrip ‹belichamen› blijkt cruciaal te zijn.»
Erg nieuw klinkt dit niet; elke schrijver die wel eens nadenkt, zal ongeveer hetzelfde beweren. Het verschil is alleen dat Coetzee laat zien hoe die belichaming in z’n werk gaat. Wordt een idee te abstract, dan is een probaat middel — zegt Costello — tegen het woord te tikken om te horen hoe het klinkt en op zoek te gaan naar de ervaring die eraan ten grondslag ligt. Dat klinkt net als het belichamen van ideeën niet mooier maar wel gemakkelijker dan het is.
Elizabeth Costello leest in hoofdstuk vier, «Het probleem van het kwaad», een roman over de wrede terechtstelling van Graaf von Stauffenberg die met een aantal oude mannen een mislukte aanslag op Hitler pleegde. «Waarom doe je me dit aan?» wil ze tijdens het lezen uitroepen. Ze wordt misselijk van de gedetailleerde beschrijving en haar valt het woord «obsceen» in: «Obsceen omdat zulke dingen niet mogen gebeuren, en dubbel zo obsceen omdat ze als ze zijn gebeurd niet aan het licht mogen worden gebracht maar, wil men zijn gezond verstand bewaren, voor altijd moeten worden toegedekt en verborgen in de ingewanden van de aarde, net als wat er in de slachthuizen van de wereld gebeurt.» Ze wordt ziek van wat ze leest, ze legt niet uit wat een gezond verstand in dezen is.
De onverkwikkelijke roman doet haar ingaan op de uitnodiging voor een congres in Amsterdam onder de titel Zwijgen, medeplichtigheid en schuld? Wat grote woorden betreft is ze selectief, want waarom valt ze niet meteen over de trits begrippen van die titel? Ze veronderstelt dat ze wordt gevraagd vanwege een andere lezing waarin ze de vleesverwerkende industrie het model noemde voor de dodenkampen en had beweerd dat de massale slachting van dieren «niet onderdoet voor wat wij dé holocaust noemen».
Het woord obsceen doet haar nu denken aan een ervaring die ze ooit als negentien jarige student opdeed. Ze had een dokwerker opgepikt en toen ze vervolgens niet meer wilde meedoen, werd de man handtastelijk en uitermate gewelddadig. Over die aanraking door de duivel heeft ze nooit gepraat en ook nooit geschreven; nu is ze blij dat ze die ervaring een halve eeuw in zich weggeborgen heeft gehouden. «‹Obsceen.› Ga terug naar dat talismanachtige woord, houd het stevig vast. Houd het woord vast en reik dan naar de ervaring erachter.» Zij vindt dat ook de schrijver over het moordcomplot tegen Hitler er beter het zwijgen toe had kunnen doen. Nu iemand het heeft gedaan, is de vraag van collega Costello of de schrijver er ongeschonden vandaan komt, én of het gezonde kost is voor de lezer. Ze heeft het over schrijvers die hun lezers meevoeren «in de donkerder contreien van de ziel» — zijn het misschien zulke woorden die de verkeerde vragen uitlokken?
Costello heeft het over de boodschapper en de boodschap, niet over de inhoud: het kwaad, ook al zo’n groot woord. Is de scène van de terechtstelling op zich dan zo duister? Het gaat om wraakzucht en gekwetst machtsgevoel, en in ruimer verband om de willekeur van de absolute macht, waarvoor zelfs de dood, althans die van anderen, geen grens is.

Ik ga hier niet het hele hoofdstuk bespreken — hoe zij in een Amsterdams hotel haar lezing voorbereidt, de verwarring van haar overwegingen, nog gecompliceerd door het feit dat toevallig de schrijver van het door haar geïncrimineerde boek, Paul West, ook aan het congres blijkt deel te nemen. De roman over Stauffenberg bestaat trouwens echt, hij is van 1989, Costello houdt haar lezing in 1994.
Ze heeft het niet over het kwaad of het geweld, ook niet over de afbeelding, maar over de vraag of iemand zulke extreme situaties mag uitbeelden en zich in daders en slachtoffers mag inleven. De plegers van de aanslag, in ontklede staat een stelletje hulpeloze oude mannen, worden door de beul eerst verbaal vernederd. In Costello’s woorden worden de mannen «…genoodzaakt aan te horen hoe deze proleet, deze slager met de bloedkorsten van vorige week nog onder zijn nagels, hen hoonde…» In het door mij gecursiveerde stukje zin gebeurt iets vreemds, waar drie schrijvers en twee lezers mee zijn gemoeid. Een van die twee lezers ben ik, de andere is de schrijfster Costello die met walging deze passage leest — en de drie schrijvers zijn West, Costello en de buiten beeld blijvende Coetzee.
Een beul met bloedkorsten onder zijn nagels van vorige week is een smeerlap van een slager, maar was hij als hij zijn handen tien keer per dag zou wassen geen sadist geweest? Zo’n typering als vieze sadist hanteert iemand die er niet zeker van is of de lezer wel beseft hoe erg het is. Als het een zin van West was geweest had lezerschrijver Costello of anders Coetzee iets over de overdrijving moeten zeggen. Nu zegt het tussenzinnetje hoe erg de lezer het moet vinden, en daardoor wordt het meteen kitsch.
Wat dan te denken van de vraag of iemand als Paul West «zo diep het naziwoud van gruwelen in kan dwalen» en daar ongeschonden uitkomt? Of mis ik in «woud van gruwelen» een Dante-verwijzing? Maar dan nog.
Coetzee haalt in dit hoofdstuk over het kwaad veel overhoop, onbedoeld laat hij iets zien wat ook te denken geeft. Iedereen heeft het over afstomping door de dagelijkse stroom van beelden van geweld. Je mag je afvragen of de voortdurende afweer niet even afstompend werkt, in dit geval het niet (beschreven) willen zien van gruwelen die mensen andere mensen aandoen. Wanneer er geen onderscheid meer gemaakt kan worden tussen een mus, een kever, slachtvee en mensen, of tussen mensen die om bepaalde daden geweld wordt aangedaan of mensen die opgesloten, gemarteld, vermoord worden om wat ze zijn, is het resultaat ook onverschilligheid.
Ogenschijnlijk het tegendeel van een cynische kijk waarvoor alles één pot nat is, leidt het verbod op de afbeelding van het kwaad, zoals Costello in feite bepleit, tot onverschilligheid, want als men niet meer kijkt, kan men ook niet vergelijken en dus ook geen verschillen meer maken.

Het afbeeldingsverbod ten aanzien van geweld is net als de bij extreme situaties gebruikelijke prevelementen over onvoorstelbaar en onzegbaar, hoe goed ook bedoeld, en hoe diepzinnig ze ook klinken, in feite gemakzucht: niet willen zien, niet willen kijken. Costello heeft het over besmetting, en maakt ten aanzien van de beelden van het kwaad niet eens onderscheid tussen nieuwsgierige toeschouwer en aandachtige kijker.
Precies op dit punt had het nieuwe boek van Susan Sontag de lezer bij kunnen springen. Dertig jaar na haar befaamde bundel opstellen over fotografie heeft Sontag nu haar gedachten laten gaan over het kijken naar afbeeldingen van geweld en pijn, uiteraard, zoals de titel ten overvloede aangeeft, «Kijken naar de pijn van anderen».
Iemand die kijkt is altijd toeschouwer en moet meestal werkloos toezien bij wat anderen overkomt of wordt aangedaan. Die waarheid als een koe wordt breed uitgemeten, zoals het boek — in feite een aangeklede lezing voor Amnesty — heel veel dubbel zegt. Iedereen zal begrijpen waarom Sontag het zonder plaatjes heeft willen doen, even afgezien van die ene foto van haarzelf op het omslag. Niettemin is het een gemiste kans. Met afbeeldingen had de lezer kunnen meekijken; nu worden ook beschrijvingen beweringen.
In haar verhaal heeft zij veel wetenswaardigheden over «de iconografie van het lijden» en de geschiedenis van de fotografie verwerkt, veel nieuws levert het niet op. Dertig jaar geleden was zij met haar «ecologie van beelden» zo’n beetje dezelfde mening toegedaan als Elizabeth Costello: de media stompen de kijker af, beelden van geweld kunnen besmettelijk zijn. Ze is van mening veranderd en deelt niet meer het cultuurpessimisme van de cynici in hun spreekwoordelijke «luie stoel». Een tegengif voor de afstompende stroom van beelden die aandacht voor de ene afbeelding van pijn en geweld onmogelijk maakt, is het woord: de context van krant en bijschrift.
Waar zij opeens dat vertrouwen vandaan haalt, is niet duidelijk, of het moet zijn dat ze het commentaar voorbehoudt aan direct getroffenen of betrouwbare ooggetuigen, mensen die wel ooit een oorlog van dichtbij hebben meegemaakt, zoals Sontag, die in Sarajevo gastregie voerde. Alleen moedige oorlogsfotografen, slachtoffers en betrouwbare ooggetuigen hebben recht van spreken.
Ik heb de indruk dat Sontag helemaal niet van mening is veranderd, ze maakt alleen uitzonderingen op haar vroegere regels. In elk geval maakt zij wel verschil tussen enthousiast publiek en geïnteresseerde waarnemer. En in tegenstelling tot Coetzee’s hoofdpersoon stelt zij het willen begrijpen van geweld niet gelijk aan begrip voor de daad én de daders. Susan Sontag is niet meer bang voor besmetting.

J.M. Coetzee
Elizabeth Costello
Vertaald door Peter Bergsma en Irving Pardoen
Uitg. Cossee, 219 blz., € 19,90

Susan Sontag
Kijken naar de pijn van anderen
Vertaald door Heleen ten Holt
Uitg. De Bezige Bij, 125 blz., € 19,90