Beeldende kunst

Leermeester Daan van Golden (1936) vertegenwoordigt Nederland tijdens de Biënnale van Venetië. Protégé Aloysius Donia (1973) beleeft ondertussen zijn eerste museale tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam: ‘Bad Paint’. Een onalledaagse tentoonstelling over vriendschap en meester-leerlingverhoudingen, maar vooral over existentiële en echte pijn.

Daan van Golden besloot als gastcurator van het Stedelijk Museum Schiedam de jonge, bevriende kunstenaar Aloysius Donia te vragen voor een solotentoonstelling. In Bad Paint maakt de van nature eenzelvige Van Golden ruim baan voor een talent dat nog volop in ontwikkeling is. De betrokkenheid van Van Golden is ontroerend en gaat ver. Niet alleen fotografeert hij al jaren liefde vol en precies het werk van Donia, hij ontfermt zich ook met vaderlijke onbaatzuchtigheid over diens artistieke toekomst. Een voornemen dat speels bekrachtigd wordt met Signatures, een doek helemaal volgeschreven met de handtekeningen van beide kunstenaars. In 1992 debuteerde Donia in het kunstcircuit met het project Kruizen ruimte in een voormalig winkelpand in Rotterdam. Slechts acht uitverkorenen, onder wie uiteraard Van Gol den, mochten de volledig met zwarte kruizen beschilderde ruimte betreden. Zij zagen hoe een levensgrote witte pop in een badkuip een Barbie baarde in een ruimte waar verder alleen nog een eveneens met kruizen bedekt televisietoestel stond. Kruizenruimte visualiseerde beklemmend de beperkte ontsnappingsmogelijk heden tussen de twee polen leven en dood. Sinds tien jaar lijdt Donia aan onverklaarbare pijnen. In ‘pijn’-boeken houdt hij nauwkeurig bij op welke dag en op welk tijdstip hij klachten heeft. Veel van die klachten horen thuis in het bekende rijtje psychosomatische, ME-achtige klachten, zoals moe-zijn, steken, hartkloppingen, duizeligheid en maagpijn. In kolommen registreert de kunstenaar het hele proces compleet met cijfers van 1 tot en met 10 om de mate van pijn en angst aan te geven. De dwangmatige notities lijken bezweringen om de extreme paniekaanvallen te pareren. Donia maakte zijn school niet af en bleef vanaf zijn zestiende thuis. Ziek en angstig. Misselijk van het leven, bang voor de dood. De confrontatie met pijn als inspiratie voor kunst brengt de toeschouwer in verwarring. Is Donia een patiënt of een hypochonder? Autistisch of hysterisch? Of misschien gewoon een sensitieve realist? Want dit ondermaanse is op de keper beschouwd natuurlijk geen pretje en eigenlijk alleen geschikt voor de overgrote meerderheid van botteriken die blijmoedig weigeren de deprimerende werkelijkheid onder ogen te zien. Voor wie niet meedoet aan het dagelijkse theater, dat het leven van kalmerende inhoud voor ziet, is angst vaak de enige realiteit. Zodra de zenuwen van het bestaan bloot komen te liggen is pijn, bad pain, onvermijdelijk. Donia zoekt troost in de kunst en maakt een intuïtieve analyse van de levensangst en de doodspijnen die hij voelt. Zo ontdoet hij het fenomeen huilen - een bijproduct van pijn - van alle sentimentele franje in het drieluik Cryings, dat hij zelf als zijn meesterwerk beschouwt. Drie simpele tekeningen van gezichten waar langs tranen als zwarte rechte lijnen naar beneden stromen, volstaan om te voelen wat lijden is. Tegenover het drieluik hangt het schilderij Mensen engel met een bloedrood, gevild, vlinderachtig wezen dat de rauwe kwetsbaarheid van angst, pijn, troost en verlangen belichaamt. Die vreemde mengeling van pijn en troost zit in al het werk van Donia. Hairballs, enorme braakbalen van hennep en sisal, die er griezelig echt uitzien, suggereren de mogelijkheid van loutering. Met tanden bewerkte T-shirts refereren aan de pijnlijke troost van zelfmutilatie. Wie lijdt aan het leven, kiest ook voor pijn. Donia koestert, geheel in de eeuwenlange traditie van sm-heiligen, pijn als een lichamelijk en existentieel fenomeen, dat naast angst en (doods)verlangen ook troost en inspiratie oplevert. Donia noteert zelf ergens in een van zijn schetsboeken: 'Pain is sometimes easier than joy.’ Zeer persoonlijk, maar niet gespeend van ironie spreekt hij in Bad Paint de bezoeker aan over de universele fascinatie voor extreem lijden en plaatst kanttekeningen bij de geaccepteerde verslaving aan het pijnloze, 'normale’ leven.¶