Beeldhouden

Nee, we neuken niet, Esther, de beeldhouwster, en ik. Zij heeft een vriend en ik een vriendin. Maar onze geesten ‘doen’ het met elkaar. Onze ontmoetingen vinden plaats in Het Nieuwe Stedelijk en dan praten we over kunst. Ik praat meestal, want ik weet alles beter, denk ik. En ik praat graag. En ze luistert toch niet echt naar me.

Esther vindt het beeldhouwen wat zij doet een vorm van ‘Vergane Kunst’, zo noemt zij dat. Niemand weet meer iets van beeldhouwen, niemand is erin geïnteresseerd, niemand weet meer hoe je naar een beeld moet kijken, betoogt zij. ‘Alleen collega’s weten wat ik met een beeld wil.’ Ze kan mooi spreken over beeldhouwen. In de boekwinkel van het Stedelijk laat ze me kunstboeken met beelden zien. Toen ik zei dat ik Rodin eigenlijk kitsch vond, steeg ik in haar achting. Dat ik mijn ex napraatte, zal ze vermoed hebben. Ik weet me bij haar nog door de beeldhouwkunst te bluffen door af en toe een zin te zeggen als: ‘Ik ben nog naar het atelier geweest van Barbara Hepworth. Eigenlijk omdat ik weg ben van Henry Moore.’ Maar goedbeschouwd heb ik geen benul van wat ik zeg. En echt indruk maakt het niet op haar. Ze vindt het leuk dat ik oprecht van Calder houd.

Vergane Kunst, waarom noemt ze dat toch zo, en waarom wil ze die kunst maken?

Ze zegt: ‘Lees je ooit iets over beeldhouwen of een beeldhouwer of over de invloed die een beeld heeft? Ja, een oorlogsmonument geeft wel wat aandacht, maar wat ik doe, daar heeft niemand wat aan, dat wil ook eigenlijk niemand kopen. Ruimtelijke vormen zijn niet populair als er niet iets schokkends over te vertellen is dat in een minuut op de televisie getoond en gezegd kan worden.’

‘Waarom houw je dan toch beeld?’

‘Ik hou van klei, van steen, van hout. Ik hou ervan om aan die harde materialen vorm te geven. Dat het niemand interesseert, kan me niets schelen.’

Ik geloof dat niet, maar goed; het maakt het somberen door het museum wel aangenaam.

Ik vertel haar dat ik de literatuur dezelfde kant op zie gaan. ‘Er bestaan geen gevaarlijke, invloedrijke boeken meer’, zeg ik.

‘Dan moet jij ze schrijven.’

‘Kan ik niet goed genoeg, denk ik. Ik bedoel. Zelfs Houellebecq is niet echt invloedrijk, en Grunberg of Nooteboom al helemaal niet. Dat hoeft ook niet. Misschien komt het nog. Maar ik denk dat de rol van de literatuur voorbij is. Het is nu film. Ik praat alleen nog met mijn vrienden over film. En eigenlijk praten we alleen nog over tv-series: The Sopranos, The West Wing, Breaking Bad, Mad Men, Judge John Deed…’

‘Ja, wij ook’, zegt Esther, ‘Bong kijkt ook altijd tv-series en leest nooit eens een boek.’

Haar vriend heet Bong. Althans, dat versta ik steeds.

Ik zoek in het Stedelijk naar een boek over televisieseries – volgens mij op het ogenblik de meest invloedrijke kunstvorm – maar ik vind niets.

‘Film is misschien meer literatuur dan beeldende kunst’, zegt Esther.

Ik schud mijn hoofd en roep: ‘Belachelijk. Het zijn godverdomme allemaal beelden achter mekaar!’

Dan wil Esther een boek kopen, maar ze heeft te weinig geld bij zich. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik ken haar pas. En ik heb eigenlijk niets met haar. Hoewel… Nee… Nou ja, ik geef haar dat boek en zeg dat ik dan een keer op haar atelier wil komen kijken. ‘En ik wil ook kennismaken met Bong’, zeg ik.

Ze is blij. Dan vraag ik: ‘Hoe kom je eigenlijk aan je geld? Uitkering?’

Ze schudt haar hoofd en vertelt dat ze achter de bar staat in een café waar ik vroeger elke dag kwam.

We gaan naar het café.