Beeldkracht

Pas nu zag ik de documentaire Maandi van Frank Zichem en Rudi Kross, in het najaar op zondagmiddag door de NOS uitgezonden. Destijds zag ik alleen intrigerende slotbeelden van een door Paramaribo joggende rasta-jongen en vermoedde dat ik iets van belang had gemist. ‘Waarom zou een mooi tv-programma minder zijn dan een mooi boek?’ vroeg Ireen van Ditshuyzen. Ik zeg het haar na en bewijs dat de vraag retorisch is.

Ik geef het keuzevak Surinaamse geschiedenis. Er is het nuttige overzicht van Stan Verschuuren, Suriname: Een geschiedenis in hoofdlijnen, dat inmiddels is bijgewerkt tot het begin van de periode-Venetiaan. Maar het houdt zich meer met economische en politieke dan met sociale ontwikkelingen bezig. Dus gebruik ik daarnaast kranteartikelen over onder meer de ‘sociale werkelijkheid nu’. Vrijdag, laatste les, bleek weer eens de impact van het beeld, mits in handen van integere en intelligente televisiemakers. Geen geschreven reportage wist zo beklemmend de zwaarte van het leven aan de onderkant duidelijk te maken, ondanks, maar misschien ook wel juist dank zij het feit dat de makers als centraal personage hadden gekozen voor die hardlopende jonge Creool die zijn waardigheid, die van zijn familie en van andere lotgenoten overeind probeert te houden en daarin - mede gesteund door de ideologie die hij in zijn haardracht toont - nog lijkt te slagen ook. Hij is hongerig, maar ook jong en sterk en daardoor kan hij wat de oude man niet meer kan: door hosselen wat geld binnenbrengen waarmee de meest primaire levensbehoeften worden aangeschaft. De oude man is op na een leven werken in het binnenland, maar zijn pensioen is door inflatie niets meer waard. Ma moet hem en haar kinderschaar in leven zien te houden met volstrekt ontoereikende middelen, met de eigen eenden en kippen, waarvan de kuikens door ratten worden opgevreten, en met de groenten uit het tuintje, die altijd veel te jong worden gegeten omdat honger en wachten elkaar slecht verdragen. Ze heeft een 'baantje’, maar door een bankstaking krijgt ze haar loon niet. 'Als ik dood ga ben ik tenminste van alles af, maar hoe moet het met de kinderen?’
De jonge man wacht met vrienden op de 'arbeidsmarkt’ op passerende pick-ups die arbeiders zoeken voor een klus, waarvoor de beloning via onderhandelen tot stand komt, soms als het werk al bijna is gedaan. Ze kunnen zich geen vaste baan permitteren (zou die er zijn?) vanwege het lage loon. Maar daardoor zijn ze niet verzekerd, zodat planken laden levensgevaarlijk wordt: een ongeluk en je bent je enige bron van inkomsten - je lichaamskracht - kwijt. De jongen is aandoenlijk belerend: hij veegt het erf en legt uit dat dat nodig is uit hygienisch oogpunt, want geld voor een dokter is er niet, en ook omdat je, hoewel arm, toch netjes moet blijven. Zijn maat eet rijst en groente, biedt hem een hap, en hij legt uit hoe solidair de armen zijn. Navertellen van een documentaire in een weekblad - het slaat waarschijnlijk nergens op. Maar ik was zo onder de indruk dat ik er nog op terugkom. En wie weet volgt ooit herhaling.