Media en politiek: twee handen op één pot nat

Beeldpoetsen in Den Haag

Het rumoer rond de Teevendeal maakt weer eens duidelijk dat de inhoud van politiek beleid ondergeschikt is aan de presentatie ervan. De beeldcultuur trekt haar sporen in de journalistiek, de politiek en het bestuur.

Medium anp 34813369

Bas de Gaay Fortman, toen al nestor van GroenLinks, wist in 1989 wel waarom zijn partij, die in dat jaar was gevormd, bij haar debuut een tegenvallend verkiezingsresultaat had geboekt: ze had de mogelijkheden van het ‘media-politieke complex’ onvoldoende benut.

In zijn tijd als politiek leider, een kleine twintig jaar eerder, onderkende hij net als zijn generatiegenoten Hans Wiegel en Hans van Mierlo de kracht van het beeld in de politiek. Zo trok hij in een verkiezingscampagne eens het land door in het officiële gala-uniform van een senator, een knellend kostuum, waarvan hij zich voor het oog van het publiek ontdeed. Dus nu vroeg hij zich af: waarom hadden Ria Beckers, Andrée van Es en Ina Brouwer, de drie vrouwen aan de top van de GroenLinks-lijst, niet voor het oog van de camera’s samen in de bossen gejogd? Natuur, vrouwelijke politici, sport: wat een uitgelezen combinatie van wervende semi-politieke reclameboodschappen zou er met dat beeld aan de kiezers zijn overgedragen, stelde hij spijtig vast.

In die tijd was de drang het beeld naar eigen hand te zetten in de politiek nog niet zo groot als nu. 1989 was ook het eerste jaar van de commerciële tv in Nederland, waarna de invloed van de beeldcultuur op de oude domeinen van het woord, zoals de krant en de politiek, zich zwaarder deed gelden. Toch zijn in het voorbeeld van De Gaay Fortman alle mechanismen van het streven naar controle over de politieke boodschap al aanwezig.

‘Net als de reclame draait politiek tegenwoordig primair om message control’, zei Tom-Jan Meeus, politiek journalist van NRC Handelsblad, in zijn dankrede voor de Vondelingprijs 2015. Dat uitoefenen van controle heeft des te meer kans van slagen als het imago dat rond een politicus is opgebouwd overeenkomt met het gewenste beeld. Meeus: ‘Steeds dezelfde boodschap, gebracht door steeds hetzelfde gezicht – alles om optimaal herkenbaar voor de kiezer te zijn. De SP is sociaal bij monde van Roemer. Wilders is tegen de islam. d66 wil hervormen met Pechtold. Formatjes waarmee de complicaties en onvoorspelbaarheden van politiek worden versimpeld tot één thema, één gezicht en één mentaliteit.’

Maar is er ook sprake van een ‘media-politiek complex’, in De Gaay Fortmans woorden? Dat is een te groot woord, voorzover er het beeld van een verkleefd geheel uit spreekt. Dat zou impliceren dat media en politiek onderling niet meer de afstand houden die nodig is om de eigen integriteit te bewaken. In de slepende affaire rond de ‘Teevendeal’ heeft de journalistiek juist haar waarde als waakhond van de macht weer bewezen, met deze keer Nieuwsuur in een glansrol.

Dat neemt niet weg dat de beeldcultuur wel haar sporen trekt in de journalistiek, de politiek en het bestuur.

Tegen deze achtergrond moet ook het nieuws worden bezien over de cover-up die het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft ondernomen om de ware toedracht te verbergen rond de ‘Teevendeal’, een oude schikking met een crimineel. De ambtelijke entourage van de vvd-bewindslieden heeft er alles aan gedaan, met inbegrip van misleidende berichten, om dienstbaar te zijn aan het politiek belang dat de vvd heeft bij het beeld van de partij van de crimefighters. Daartoe moest ook het ministerie zelf, althans het beeldbepalende deel, onderdeel zijn van de machinerie die Veiligheid en Justitie als een vooruitgeschoven post van de vvd behandelt.

Volgens de Leidse bestuurskundige Caspar van den Berg is dit politiek activisme kenmerkend voor de politisering van het bestuur, een verschijnsel dat we al langer kennen in Engeland en de Verenigde Staten. Op alle ministeries is die trend waarneembaar, met het bijkomende gevolg dat voorlichting over het beleid soms de trekken van gekleurde propaganda krijgt. Zo tikte de Reclame Code Commissie in 2015 het ministerie van vws al eens op de vingers, vanwege het al te rooskleurige beeld dat een tv-spotje schetste van de marktwerking in de zorg. Om verschillende redenen kwam dat beeld de beide bewindslieden, Edith Schippers (vvd) en Martin van Rijn (pvda), politiek goed uit.

Aan de top van de ministeries manifesteert zich volgens Van den Berg een steeds bredere kring van politiek georiënteerde adviseurs rond de bewindslieden, een inner circle, waarin de politiek-strategische competentie boven de inhoudelijke gaat. De toegang tot deze vertrouwenskring is exclusief. Ambtenaren die niet bijdragen aan het bewaken van het politieke imago van de bewindspersonen worden genegeerd of op een zijspoor gerangeerd. Een van de gevolgen is dat de klassieke scheidslijn tussen politieke ambtsdagers en ambtenaren op de ministeries heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe tegenstelling, tussen de gepolitiseerde entourage van de bewindslieden aan de ene kant en de beleidsinhoudelijke ambtenaren aan de andere.

Bekende journalisten laten zich in het schnabbelcircuit door ministeries een flinke duit betalen

Ook de betekenis van het begrip ‘loyaliteit’ is daarmee veranderd. Impliceerde dat in de oude cultuur dat ambtenaren, zich bewust van het belang van continuïteit van het bestuur, alle relevante informatie met de minister deelden, ook als dat politiek niet in zijn kraam te pas kwam, nu houdt loyaliteit een soort hondstrouw aan de eerste man of vrouw in. Twee voorlichters van Sociale Zaken dachten zelfs eens loyaal te handelen door stiekem in de computers van gpd-journalisten te gluren, om de verslaggeving over het ministerie op de voet te kunnen volgen.

In 1977 vervoegde Dick Houwaart, een voorlichter van de oude stempel, zich enigszins bevreesd bij zijn nieuwe minister, Hans Wiegel, een meester in het bespelen van de media. Wiegel stelde hem gerust. Houwaart moest vooral zijn werk blijven doen zoals hij het gewend was: het beleid zo goed mogelijk over het voetlicht brengen. Wiegel zei hem: ‘Jij doet de voorlichting, ik doe de propaganda.’

Tegenwoordig worden de afdelingen voorlichting van de ministeries zo veel mogelijk in de inner circle rond de politieke top opgenomen. Anne-Marie Stordiau, tot eind 2015 directeur voorlichting op Veiligheid en Justitie, was in haar afscheidsrede openhartig over het doel van haar werk: ‘We zijn er om het belang van onze bewindslieden te dienen. Dat is ons verdienmodel.’ Bij haar aantreden, twintig jaar eerder, was ze even openhartig over de taakopvatting die hieruit voortvloeit: ‘Alles wat goed is voor de minister en het ministerie dient bevorderd, al wat slecht is dient bestreden.’

In haar voorstelling van zaken dankt een minister zijn overleven in Den Haag eerder aan een gunstig beeld in de media dan aan zijn beleid. Al vóór een Kamerdebat bedacht Stordiau dan ook voor haar minister de quote die het journaal zou halen. Onder de omineuze kop ‘Een minister moet minstens vier jaar mee kunnen’ schreef ze in een publicatie van de Rijksvoorlichtingsdienst onverbloemd: ‘Een minister is voor zijn politieke voortbestaan afhankelijk van het profiel dat hij opbouwt. Was vroeger de beleidsvorming de kern van een departement, nu is (politieke) communicatie doorslaggevend voor zijn of haar succes.’

Jack de Vries, destijds de mannetjesmaker van premier Balkenende, was de cynische verpersoonlijking van de ‘beeldpoetser’, zoals een voorlichter in het Afrikaans al heet. Hij vergeleek zijn vak eens met dat van de stofzuigerverkoper: ‘Liegen mag hij niet, maar eerlijkheid is niet hetzelfde als de hele waarheid vertellen.’ Even cynisch was hij ten tijde van Balkenende IV over het manipuleren van informatie in het nadeel van de pvda, de toenmalige coalitiepartner, en in het voordeel van Balkenende en het cda: ‘De pluspunten van het beleid zijn voor ons, de minpunten voor de anderen.’

Voorzover er sprake is van een complex, een onderling verweven geheel met een gemeenschappelijk doel, maken de coalitiefracties daar zeker deel van uit. Van Kamerleden van de partijen die deelnemen aan de regering wordt stilzwijgend verwacht dat ze bijdragen aan een gunstige beeldvorming van de geestverwante ministers. Tekenend is hoe het cda destijds, op het hoogtepunt van zijn macht, in Den Haag werd geprezen als een ‘geoliede machine’, een gladjes lopende organisatie, gepokt en gemazeld in het spel om de macht, waarin de leider onomstreden was en bovendien geen wanklank viel te beluisteren.

Toenmalig pvda-leider Wouter Bos verheelde niet hoe jaloers hij was op zoveel discipline en eenheid. Ook zijn opvolger, Diederik Samsom, was desgevraagd volkomen eerlijk over zijn taakopvatting. Zijn eerste verantwoordelijkheid is volgens hem het overeind houden van het kabinet, niet het uitdragen van de politieke boodschap van de sociaal-democraten. Het resultaat van dit monisme is dat eigenzinnige, autonome politici die zich niets laten gezeggen een plek op de volgende kandidatenlijst kunnen vergeten. Het complex kotst hen uit.

En maakt de journalistiek deel uit van dit complex? De serieuze kranten, weekbladen en tv-programma’s zeker niet. Toch is waakzaamheid geboden, met het oog op de grensgevallen waarin journalisten ‘knietje vrijen met de macht’, in de woorden van Jan Blokker. Bekende journalisten, vooral van tv, laten zich in het schnabbelcircuit door ministeries en andere overheidsinstanties een flinke duit betalen. In de politieke journalistiek hebben klassieke genres als het verslag en de analyse, waarin de feiten voorop staan, plaatsgemaakt voor een meer impressionistisch getinte stijl, die bevattelijker is voor de invloed van het beeld, de hype, de suggestie en het gepraat van spindoctors.

Tekenend is dat zelfs NRC Handelsblad in de berichtgeving over de verkiezing van een nieuwe Kamervoorzitter de oogst uit de wandelgangen opdiende als ‘anonieme’ roddels over het ‘Marokkaanse accent’ van een van de kandidaten, Khadija Arib. De lezer bleef in het ongewisse over de bron van deze kwaadsprekerij, waarmee het voor hem oncontroleerbaar was in hoeverre partijbelangen of persoonlijke motieven in de beeldvorming rond Arib een rol speelden. In een afstandelijker benadering zou de krant ofwel geen melding hebben gemaakt van de achterklap, ofwel de namen van de roddelende Kamerleden hebben gepubliceerd.

Van een afstandje bezien krijgen de verhoudingen tussen journalisten, politici en voorlichters zo toch de trekken van een ‘media-politiek complex’. De buitenwereld, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau in toenemende mate sceptisch over de politiek, zal zijn indruk bevestigd zien dat ‘Den Haag’ één pot nat is, een samengeklonterd geheel. Dat is géén goede beeldvorming.


Beeld: Minister Ard van der Steur van Veiligheid en Justitie (Bart Maat / ANP)