Beeldrijm in de stad

Ho Chi Min stad per riksja. de circulatie van het verkeer, het geld en het geweld. Maar kan geweld teder worden verfilmd? Cyclo, een film van Tran Ahn Hung
ONLANGS DEED REMCO Campert een liefdesbekentenis die ik ook graag had willen uitspreken. Op de eerste pagina van ons kale geweten, de Volkskrant, meldde Campert dat zijn liefde voor de stad zo ver gaat dat hij als hij per ongeluk op een groenig weiland stuit, onmiddellijk denkt: dit is de ideale plek voor een wolkenkrabber. Voor hem zou de hele wereld stad mogen zijn. Discussies over groene harten lijken dan prehistorisch. De wereld zal het dan weliswaar zonder longen moeten stellen, maar daar maalt een stadsmens niet om. Het is dan wel het verkieslijkst om hoog boven de aarde te wonen, in de toppen van het stenen oerwoud, of aan een parkje dat is gespaard, waar je de rust vindt om een aardig stukje te schrijven.

Ook ik ben een liefhebber van wolkenkrabbers. Ze kunnen me niet hoog genoeg zijn. Gezeur over de slagschaduw van zo'n kolos, ik ben niet snel geneigd daarin mee te gaan. Wolkenkrabbers schijnen mij elegant toe, statig, wijs want van de aarde afgekeerd. De twee pilaren van het World Trade Center in New York, het zijn voor mij de benen van een dame, die de hemel torsen. Misschien ook daarom dat wolkenkrabbers niet hoog genoeg kunnen zijn.
Stadsromans zijn toch zelden licht en luchtig. Dat was al zo in de vorige eeuw toen in Parijs en Londen de eerste journalisten in de walm van grote fabrieken op zoek gingen naar de misdaad. Ook de detective werd in die lange negentiende eeuw geboren. De boeken van Dickens, Zola en Doblin tonen de stad als een onheilspellend oord waar maar één natuurwet telt: te overleven.
The New York Trilogy van de Amerikaanse schrijver Paul Auster laat de stad, zoals zoveel stadsromans, zien als een labyrint, waar miljoenen Orpheusen speuren naar even zovele Eurydices. Ze zijn het zingen echter verleerd. En ze moeten wel voortdurend omkijken om niet van achteren te worden neergeschoten. De onverschilligheid van de stenen, glazen stad versmelt in veel moderne romans met die van zijn bewoners. Niemand is eenzamer dan de stadsmens, te midden van de velen.
Ook films die in metropolen spelen, kennen vaak slechts een nachtzijde. Metropolis, nog zo ongeveer uit de begintijd van de film, wordt al gekenmerkt door tal van duistere dreigingen en ontmenselijkende mechanieken en techniek. In het schaarse licht tussen de bouwwerken is nauwelijks enig leven te bespeuren. Dat er ooit menselijke bouwmeesters aan het werk waren, is al lang vergeten.
In Blade Runner, een film die in een stad van de toekomst speelt - met Rutger Hauer in zijn eerste Amerikaanse hoofdrol - is het altijd donker. Het regent ook onophoudelijk, op een intens druilerige manier, zodat de stad een onbestemde ruimte vol dolende zielen lijkt. Mutanten uit de ruimte nemen de plaats in van mensen, en niemand kan ze van de echte onderscheiden. Niet alleen omdat ze zo knap gemaakt zijn, maar ook omdat het wezenlijk humane in de mens lijkt uitgedoofd. Al het menselijke is hun vreemd.
Films gesitueerd in de Amerikaanse steden, met de getto’s, de miezerige Chinatowns, de ombunkerde vestingen van rijken en drugsbaronnen, tonen de stad als een steeds onsamenhangender groep eilanden waarin, bij alle mense- lijke beweging, nog slechts het verkeer van het geld telt. Alleen iemand als Woody Allen onttrekt zich stelselmatig aan het idee van de stad als dode steen - hij woont dan ook aan de rand van Central Park op Manhattan. De onveiligheid van de stad, met zijn moeizaam menselijke verkeer, verschaft hem de speciale schichtigheid en spitsheid die hem nog in de verschrikkelijkste doodlopende stegen een uitweg doen ontdekken. De struikeling is voor hem een levensbeginsel dat hem alleen nog maar vlugger ter been maakt. Struikelen gebeurt bij Allen in het hoofd, het opent werelden en ontwapent (bij wijze van darwinistische verklaring, zou hij zelf zeggen).
RECENTE AMERIKAANSE films van Tarantino en Altman, spelend in de psychologische woestijnen van Los Angeles, hebben weinig van dat optimisme. Dit geldt ook voor de Aziatische films van de afgelopen jaren. De steden van de Tijgers schieten dan ook sneller de lucht in dan hun goden kunnen vliegen.
Opmerkelijk is dan het bijna pastorale begin van Cyclo, een film van de Vietnamese cineast Tran Ahn Hung. Ho Chi Minh Stad lijkt in de openingsshots een oord van vrede, waar fietsers, riksja’s en brommers voorbijzoeven, zonder haast, alsof het eeuwig zondag is. Het getoeter van de brommers en de schaarse auto’s heeft iets lieflijks, alsof de stad een lied laat horen, zonder valse stemmen.
Uiteraard is dit slechts schijn, onderdeel van een strategie die de gehele film door zichtbaar is. Steeds wisselt Tran Ahn Hung poëtische momenten af met een bijzonder heftige gewelddadigheid, een sandwich met oneindig veel laagjes die er aantrekkelijk uitziet maar bitter smaakt.
Cyclo, genoemd naar de riksja die hij bestuurt, is een jongeman die met zijn grootvader en twee zussen probeert te overleven in de ogenschijnlijk vredige stad. Als zijn vervoermiddel door een bende wordt gestolen, kan hij zich nog slechts staande houden door zich ook zelf te ontpoppen als een meedogenloze misdadiger. De stad die aanvankelijk een open ruimte leek, laat zich dan zien als een wirwar van stegen waarin niemand traceerbaar is en waarin niemand elkaar kent.
Zijn oudste zuster wordt door de misdadigersbende gedwongen zich te pros- titueren. Beiden wonen aan hetzelfde plein, maar ze weten dat niet van elkaar. Terwijl de camera van de ene ruimte doordringt in de andere, blijven de beide hoofdpersonen onkundig van dit feit. De zuster verliest haar onschuld, zoals hij de zijne verliest, maar ze moeten dit verlies in eenzaam- heid dragen omdat de stad van een vrijplaats tot een gevangenis is geworden.
Door een wonder worden alle familieleden uiteindelijk weer herenigd, waarbij een nieuwe riksja als een soort deus ex machina uit de lucht valt. De beweging door de stad kan opnieuw beginnen.
DE FILM GEEFT geen enkele verklaring of uitleg. Ook wordt er niet gepsychologiseerd. Alle menselijke figuren, hoezeer ook afgetast door de camera, blijven kale gestalten, voortbewogen door onbekende impulsen. Ze hebben de proporties van de velen die opgaan in de menigte. Hoofdpersoon is eerder nog het geld dat voortdurend overgaat van de ene hand in de andere, een oneindige beweging, alsof de mensen dragers van geld zijn en niet omge- keerd het geld het leven draaglijker maakt.
Cyclo is een klein precisiebombardement dat een flink aantal kraters slaat in de ziel. Geluid en kleur zijn tot een zeer hoge concentratie opgevoerd, bijna zoals Rimbaud het zich met zijn poëzie voorstelde. In die zin bewerkstelligt Tran Ahn Hung zo ongeveer het omgekeerde van een stad, die vaak toch een diep verlammende werking heeft door een teveel aan indrukken. De veilige plaats in een bioscoopfauteuil verschaft de mogelijkheid Ho Chi Minh Stad met al zijn geluiden, met zijn hitte, en vooral met zijn onafzienbare reeks korte beeldverhalen optimaal te proeven.
Wat mij echter stoort in Cyclo, behalve de soms wel erg schematische afwisseling van poëtische en gewelddadige scènes, is de esthetisering van het geweld. In interviews heeft de filmer verklaard dat hij het geweld met tederheid wilde tonen. Bij aanslagen met revolver en mes laat Tran Ahn Hung de camera bij herhaling met schokkende bewegingen rond het slachtoffer dansen, alsof met de dood de liefde wordt bedreven. De tederheid van geweld is nog wel een voorstelbare gedachte, maar de inmenging van de camera heb ik daarbij niet nodig. Op dat punt verlaat Tran Ahn Hunh naar mijn smaak zijn idee en uitgangspunt commentaarloos te filmen. Hij registreert dan niet langer een wereld, hij regisseert een ideetje.
Cyclo bevat een ongekend aantal beeldvondsten, beeldrijm, zich als vanzelf voordoende symboliek. Voorwerpen, kledingstukken, een kussen, een goudvis, een revolver, een mes, ze hebben alle sensuele waarde. Te midden van de stad die gromt en bromt kunnen kleine voorwerpen een diep troostende werking hebben - dat over te brengen is de kunst van Cyclo. Tran Ahn Hung heeft een stad geschilderd met diepe kleuren: rood, geel, groen en blauw, naast het zwart en het grauw.