Media

Beeldverbod

Verschillende media hebben hun publiek sinds het begin van de Syrische burgeroorlog schokkende beelden uit de belegerde steden voorgezet, waaronder foto’s van soldaten met afgerukte ledematen, kinderen gedrenkt in bloed, lichamen van dode burgers. Met voorspelbare reacties: de geschiedenis leert dat veel mensen niet gediend zijn van dit soort verslaggeving.

Zo ontving de Volkskrant, die tijdens de burgeroorlog in Rwanda een serie gruwelijke foto’s van dode lichamen en afgehakte hoofden op de voorpagina bracht, brieven van lezers die meedeelden dat zij bij hun ontbijt van dit soort beelden verschoond wensten te blijven – en anders wel vanwege hun kinderen.

In de reacties van lezers en kijkers klinkt iets door van wat de Amerikaanse feministe en cultuurfilosofe Judith Butler aanduidde als een ‘ongelijke verdeling van betreurenswaardigheid’. Zowel binnen de eigen samenleving als wereldwijd gelden sommige levens als minder kostbaar – de levens van hen die wij zien als ‘de anderen’, met wie we ons niet willen of kunnen identificeren en die we zonder veel wroeging aan hun lot overlaten. Ze worden niet of zelden opgemerkt, hun leed blijft buiten beeld, met alle mogelijke gevolgen vandien. Het is precies deze onverschilligheid, aldus Butler, die het mogelijk maakt dat ontelbare onschuldige doden en gewonden in Irak, Afghanistan en Gaza voor lief worden genomen, als collateral damage van gerechtvaardigde wraakacties voor aanslagen tegen ‘de onzen’.

De schokkende reportages uit Syrië kunnen vanuit dit perspectief begrepen worden als een bewuste poging te breken met deze door Butler bekritiseerde ‘ongelijke verdeling van betreurenswaardigheid’. De beelden trekken de slachtoffers van het geweld letterlijk en figuurlijk ons gezichtsveld binnen, door hun een gezicht – en daarmee waarde – te geven. Een sympathieke en impliciet politieke beslissing, al verdedigen redacties hun beleid doorgaans met – ogenschijnlijk – eenvoudiger argumenten: de reportages zouden de werkelijkheid representeren en als journalisten hebben zij de plicht hun publiek daarmee te confronteren.

De argumenten klinken nobel en professioneel, maar roepen, goed beschouwd, toch twijfel op. Deze gedragslijn wordt immers lang niet altijd gevolgd: we krijgen dan wel beelden te zien van zwaar gehavende Syrische verzetsstrijders en Congolese oorlogsslachtoffers, maar nooit van getroffen Nederlandse of geallieerde soldaten in Afghanistan. Anders gezegd: de confronterende openheid van de beeldredacties strekt zich zelden uit tot westerse doden en gewonden, of het nu gaat om slachtoffers van oorlogen of andere rampen. Nederlandse media staan hierin overigens niet alleen: Amerikaanse journalisten, nooit te beroerd om ellende tot in details uit te vergroten, nemen op dit punt een pijnlijk strikt nulla communio in acht.

Deze gedragslijn vloeit niet uitsluitend voort uit politieke overwegingen, zoals vaak wordt beweerd, om het moreel onder de bevolking niet te bederven en de oorlog letterlijk buiten beeld te houden. Men zal in kranten en op televisie immers niet alleen vergeefs zoeken naar foto’s of filmopnamen van gewonde en gesneuvelde Nederlandse soldaten, maar ook, bijvoorbeeld, van verkeersongelukken waarop slachtoffers duidelijk zichtbaar zijn.

Butlers visie is, kortom, te beperkt. Wanneer het gaat om fysiek lijden, dan blijven niet alleen de mensen buiten beeld tegenover wie wij onverschillig staan en die wij bij voorkeur aan hun lot overlaten, maar óók degenen die ons juist het meest na staan. Tegenover hen tonen wij piëteit.

Op het afbeelden van onze naasten, aangetast in hun fysieke integriteit, rust nog altijd een taboe, een moreel beeldverbod, dat tevens fungeert als een van de laatste bastions van de privé-sfeer. Een redactie die deze ongeschreven regel overschrijdt, kan erop rekenen de volle laag te krijgen, zoals NRC Handelsblad met zijn berichtgeving over Friso en De Telegraaf met haar ziekenhuisinterview met het jongetje dat de vliegramp in Tripoli overleefde.

Daarmee raken we aan een merkwaardige paradox: het niet-tonen van beelden van oorlogsslachtoffers kan enerzijds voortkomen uit een gebrek aan wezenlijke interesse voor de ander, en anderzijds uit piëteit jegens degenen die ons na staan. De foto- en filmbeelden van de oorlogsslachtoffers in Syrië of Congo hebben in dat licht bezien een ambivalent karakter. Aan de ene kant vormen ze een geste, als uitdrukking van betrokkenheid bij degenen die zo makkelijk onzichtbaar blijven: de beelden maken hen – in Butlers woorden – ‘betreurenswaardiger’ – en daarmee waardevoller. Maar aan de andere kant bevestigen de beelden de afstand die wij ten opzichte van deze slachtoffers hebben: we betreuren ze, maar nog niet in de mate waarin wij onze ‘eigen mensen’ betreuren, want dan hadden we hen nooit zo onverbloemd in hun extreme fysieke ellende laten zien.