Sport

Beer

Rintje Ritsma is een beer. In overdrachtelijke zin dan. En hij komt uit Lemmer. Dat kan wel letterlijk worden genomen. De Beer uit Lemmer mag binnenkort aan zijn vijfde Olympische Winterspelen gaan beginnen nu hij zich heeft geplaatst, op het Nederlands kampioenschap allround, als reserve van de ploegenachtervolgingsploeg, net als Mark Tuitert. Het is misschien niet echt het meest indrukwekkende, en misschien enigszins beneden zijn stand, en beneden zijn vroegere kunnen, maar reserve van de ploegenachtervolgingsploeg is beter dan niets. Zeker voor Ritsma, die inmiddels 35 is en over wie al een paar jaar door de commentatoren wordt geroepen dat hij nu toch echt moet gaan stoppen met schaatsen. Anders wordt het een treurig nachtkaars-verhaal voor de Beer uit Lemmer.

Er was nog een Beer in de Nederlandse topsport. Die keepte. In de Meer, het knusse stadion van het toen nog knusse Ajax. Ajax-doelman Piet Schrijvers was de Beer van De Meer. Groot en sterk en nauwelijks te passeren. Toen hij na enkele succesvolle jaren ouder begon te worden, en naar (toen nog) PEC Zwolle ging, en hij niet echt dunner maar wel dikker was geworden, werd Schrijvers’ bijnaam vanzelfsprekend de Bolle van Zwolle.

Het liep bij PEC allemaal niet geweldig, ook niet in verdedigend opzicht, en het aantal tegendoelpunten groeide angstaanjagend. Schrijvers’ bijnaam werd het Lek van PEC. Hij zou nog een keer van club veranderen, en eindigde als de Kolos van Oss, bij TOP.

Nederlanders zijn niet echt goed in het bedenken van bijnamen voor hun geliefde sporters. Lange Jan voor Jan Vennegoor of Hesselink. Omdat hij een paar centimeter langer is dan de gemiddelde Nederlander. De Tank, voor Theo Laseroms, omdat hij een beetje stugger was dan de doorsnee verdediger. De Vuurtoren, voor John van Loen, omdat hij lang was en rood haar had. Vaantje voor Gerald Vanenburg. Snelle Jelle voor Jelle Nijdam. Jerommeke voor Jeroen Blijlevens, omdat hij enigszins gedrongen was. De Kneet voor Gerrie Knetemann, omdat hij Knetemann heette. Dolle Dries, voor Dries van Wijhe. De Kraai, voor Richard Krajicek, omdat hij Krajicek heet. De Lucifer, voor Co Stompé, omdat hij goed kan darten.

Nee, dan zijn de Italianen en Fransen en Spanjaarden en Portugezen en eigenlijk alle anderen een stuk inventiever. Zet de Parel van Mozambique (Eusebio) tegenover de Spijker (Adri van Tiggelen), of de Galopperende Majoor (Ferenc Puskas) tegenover Floppie (Floris Jan Bovelander). Of de Keizer van Kameroen (Roger Milla) tegenover IJzeren Rinus (Rinus Israël).

Er zijn wel een paar mooie Nederlandse bijnamen. Die vallen meestal in de categorie «De Tovenaar van Tatabanja» (Jozef Kiprich), wat natuurlijk het beste genre is. Jaap Stam is de Rots van Kampen. Co Adriaanse de Tiran van Tilburg. Leo Halle was de Leeuw van Deventer. De Zwarte Tulp (Ruud Gullit) valt hier net buiten, maar het Orakel van Betondorp (de latere Johan Cruijff) kan weer wel.

Een mooie bijnaam is mooi omdat hij iets uitdrukt van de be wondering, de waardering en zelfs liefde voor de sporter. De Argentijn Daniel Pasarella was de Strijder van Chacabuco. Hakan Sukur is de Stier van de Bosporus. Wielrenner Bahamontes was de Adelaar van Toledo. Johan Museeuw is nog steeds de Leeuw van Vlaanderen.

Wij hebben de Lama, Frank Rijkaard, omdat hij eens een klodder spuug spuugde in de nek van Rudi Völler, destijds team genoot van Lothar Matthäus, de Naaimachine. De Spanjaarden hebben El Buitre, de gier, voor Emilio Butragueño.

Maar wij, wij hebben André Hoekstra, de Koning van de Kluts.