Nog altijd onopgehelderd

Beerput Lumumba

Het Belgische parlement doet onderzoek naar eventuele politieke betrokkenheid bij de moord op Patrice Lumumba. Het is echter de vraag of de onderste steen boven komt.

De legende leeft voort. Een enquête van het weekblad Jeune Afrique openbaarde enkele jaren terug dat Afrikanen na Nelson Mandela, Patrice Lumumba als belangrijkste staatsman van de afgelopen eeuw zien. Dat is niet vreemd. Tot in het kleinste dorp in centraal Afrika is de hoofdstraat naar de Congolese onafhankelijkheidsstrijder vernoemd. Hij is icoon van de onafhankelijkheidsstrijd geworden, martelaar van het westerse neokolonialisme. Maar hoe langer Patrice Lumumba dood is, hoe meer hij ook in het Westen tot leven komt. Zelfs de meest wilde complottheorieën die sinds de jaren zestig de ronde doen, bleken na gedegen historisch onderzoek een kern van waarheid te bevatten. Dat heeft de filmmakers en literatoren niet onberoerd gelaten. Op dit moment draait in Nederland en België de uiterst getrouwe historisch-biografische speelfilm Lumumba van de Haïtiaan Raoul Peck, die eerder een documentaire (La mort du prophète, 1991) aan het onderwerp wijdde. Volgende week gaat Pecks speelfilm ook in première in de Verenigde Staten, het land waar Lumumba onder zwarte emancipatiebewegingen thans een ware revival doormaakt. Ondertussen werkt theatermaakster Nadine Lavern Coles aan een toneelstuk dat later dit jaar in een van de Nes-theaters in Amsterdam op de planken moet komen en is van Ronan Bennet bij uitgeverij De Geus onlangs de roman Hart van Congo (vertaling van The Catastrophist) verschenen. Dit boek speelt zich af in de entourage van Lumumba in Leopoldstad rond de onafhankelijkheid. In al deze producties wordt Lumumba gepresenteerd als de nieuwe held van de zwarte emancipatiebeweging, de nieuwe Martin Luther King of Malcolm X. «Het klassieke beeld van de communist Lumumba die na crimineel gedrag door een stammenstrijd in de binnenlanden van Afrika vermoord is, heeft de laatste jaren duidelijk een klap opgelopen», zegt ook Ludo De Witte, auteur van De moord op Lumumba. Wanneer de Belgische onderzoekscommissie werkelijk diep graaft, valt te verwachten dat er voor de komende jaren genoeg stof naar boven komt om nieuwe documentaires, films, boeken en theaterstukken te doen verschijnen. Zoals de Belgische commissie van deskundigen immers al schreef: «In bepaalde opzichten overtreft de realiteit de fantasie.»

Donderdag 30 juni 1960, Leopoldstad. Als de Belgische koning Boudewijn in het Paleis der Natie het zojuist onafhankelijk verklaarde Congo heeft toegesproken en de nieuwe president Joseph Kasavubu enige onschuldige woorden van dank heeft geuit, neemt onverwacht ook de nieuwe premier, Patrice Lumumba, het woord. Hij richt zich tot ontsteltenis van de Belgische koning niet tot de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders, maar tot de «mannen en vrouwen van Congo, strijders van de onafhankelijkheid die vandaag overwint». In een vlammend requisitoir vat de jongbakken premier ruim driekwart eeuw koloniaal bestuur samen. Lumumba hekelt de «vernederende slavernij die ons met geweld werd opgelegd», hij prijst de «edele en rechtvaardige strijd» die door de Congolezen gevoerd is. «Wie zal vergeten dat men tegen een zwarte ‹jij› zei, niet zoals men dat tegen een vriend zegt, maar omdat het eerbare ‹u› enkel voor blanken was voorbehouden?» zegt hij onder daverend applaus. «Eer aan de strijders voor de nationale vrijheid!»

De toespraak schoot koning Boudewijn bepaald in het verkeerde keelgat. Dit was niet wat hij van de feestelijke onafhankelijkheidsdag had verwacht. Zoëven noemde hij die onafhankelijkheid in zijn toespraak immers nog «de bekroning van het werk dat door het geniale brein van Leopold II werd ontworpen» en waarschuwde hij vaderlijk: «Brengt de toekomst niet in gevaar door overhaaste hervormingen en vervangt de organen die België u overdraagt niet eer gij zeker zijt dat gij het beter kunt doen.»

Het scheelde niet veel of de Belgische koning had direct na de in zijn ogen brutale en ondankbare toespraak van Lumumba de eerste Sabena-vlucht huiswaarts genomen. Het was volgens de annalen de Belgische premier Eyskens die hem hiervan uiteindelijk wist te weerhouden. Later dan de andere gasten verscheen de koning ’s avonds tegen zijn zin ook nog aan het banket. Maar tussen de Belgische monarchie en de democratisch gekozen premier van Congo zou het nooit meer goed komen.

Maandag 11 juni 2001, Brussel. De correspondent van Radio-Télévision Nationale Congolaise zet zijn memorecorder op scherp. «Zeer geachte luisteraars, broeders van het Congolese volk, u luistert naar de uitzending die u de waarheid zal brengen over de dood van onze eerste premier, Patrice Emery Lumumba.»

De recorder wordt in de nabijheid van de luidspreker geposteerd en registreert het eerste getuigenverhoor van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie. De Congolese radioluisteraars horen de liberale commissievoorzitter Geert Versnick (VLD), die voor dit eerste verhoor Jean Van Lierde, vriend van de Congolese vrijheidsstrijder, heeft uitgenodigd.

Van Lierde neemt het woord en laat het zich niet gemakkelijk weer afnemen. Hij brengt zijn visie op de gebeurtenissen in de dagen voor en na de onafhankelijkheid die uiteindelijk tot de moord op Lumumba leidden. En hij vertelt over de bijeenkomst op 30 juni in het Paleis der Natie, waartoe volgens de klassieke interpretatie de tegenstellingen tussen Lumumba en de westerse wereld allemaal te herleiden zijn. Ofschoon Lumumba zich door niemand werkelijk liet adviseren, was het een voorstel van Van Lierde om in reactie op de koning ook Lumumba het woord te laten voeren, meldt de Belg — «want ja, ik noem me ondanks alles nog steeds Belgisch staatsburger» — meer dan veertig jaar na dato.

De tekst van de toespraak komt echter geheel voor Lumumba’s rekening, zegt hij tot geruststelling van het liberale commissielid Jef Valkeniers, die al meermalen morrend heeft laten weten Van Lierde persoonlijk verantwoordelijk te houden voor de in 1960 zwaar bekoelde Belgisch-Congolese betrekkingen. Maar, zegt Van Lierde: «Het was een formidabele tekst. Patrice heeft ’m zelf geschreven. Hij had niemand nodig om zo'n tekst te maken.»

De Europazaal van de parlementsgebouwen in Brussel raakt ondertussen aardig bezet. Een handvol journalisten betreedt de ruimte die de komende weken decor is van de hoorzittingen die, volgens de onderzoeksopdracht van de commissie, «de precieze omstandigheden waarin Patrice Lumumba werd vermoord en de eventuele betrokkenheid daarbij van Belgische politici moet vaststellen». De publieke tribune is bijna volledig gevuld met Congolezen.

Tot het onderzoek is opgeroepen na de publicatie in 1999 van de gedetailleerde reconstructie De moord op Lumumba van de socioloog Ludo De Witte. In deze vuistdikke reality thriller toonde De Witte aan dat niet, zoals jaren werd aangenomen, de CIA in eerste instantie de verantwoordelijkheid voor de moord draagt, maar dat op beslissende momenten Belgische politici het lot van de Afrikaanse revolutionair hebben bepaald. Al vóór de onafhankelijkheidsdag was er in de Belgische politiek dermate veel weerstand tegen hem dat op alle mogelijke manieren werd gepoogd zijn rijzende ster te breken. De ophefmakende toespraak op 30 juni versterkte het Belgische verlangen naar een meer in de (neokoloniale) pas lopende eerste minister. Immers, de financiële belangen van de Belgische ondernemers die ook ná de onafhankelijkheid de mijnbouw in de steenrijke regio Katanga in handen hadden, moesten gewaarborgd blijven. Of dat zou lukken met een premier die midden in de Koude Oorlog aangeeft niet onwelwillend te staan tegenover hulp uit de Sovjet-Unie, was voor de Belgen nog maar de vraag.

De regering mag vanaf die 30ste juni Congolees zijn, het leger wordt, ter geruststelling van de blanke (Belgische) gemeenschap in Congo nog altijd geleid door Belgische officieren. Om elk mogelijk misverstand weg te nemen, noteert bevelhebber Janssen van de Force Publique bij het ochtendappel provocerend op een krijtbord bij de kazerne: «Avant l'indépendance = Après l'indépendance».

Dat schiet de rekruten in het verkeerde keelgat. Als een voormalige postbeambte als Lumumba opeens tot regeringsgebouwen kan doordringen, waarom verandert er dan niets voor de rest van het volk? Muitend trekken de militairen, reeds vier dagen na de feitelijke onafhankelijkheidsdag, door de straten van de blanke wijken van Leopoldstad, het huidige Kinshasa. Lumumba besluit hun na enige aarzelingen tegemoet te komen en promoveert een flink aantal Congolezen tot officier. Janssen moet het veld ruimen en wordt vervangen door de latere dictator Mobutu. Maar de onregelmatigheden houden aan en op 9 juli besluit de Belgische regering in de jonge soevereine staat Congo te interveniëren.

In Katanga roept president Tshombe ondertussen de onafhankelijkheid uit. Hij wil wél met de Belgen samenwerken, wat hem een koninklijke onderscheiding oplevert. President Kasavubu komt de wes terse wereld tegemoet en ontslaat Lumumba, die vervolgens onder huisarrest wordt geplaatst. Een ontsnappingspoging naar Lumumba’s geboortegrond in Stanleystad, thans Kisangani, mislukt. Halverwege valt hij, in het gezelschap van zijn medestanders Joseph Okito en Maurice Mpolo, in handen van de militairen van Mobutu die hem naar Katanga brengen. De drie worden op 17 januari na zware folteringen onder het toeziend oog van enkele Belgische politiemensen geëxecuteerd. Lumumba’s lichaam wordt door Belgen in stukken gesneden en in een zuurbad gestort.

Een van die Belgen, voormalig hoofdcommissaris Gerard Soete van de politie in Katanga, verscheen in 1999 kort na publicatie van het boek van Ludo De Witte op de Vlaamse televisie. Hij liet trots weten al die jaren twee hoektanden van de Congolese premier te hebben bewaard. Na de onthullingen van De Witte zou hij ze, naar eigen zeggen, in de Noordzee hebben geworpen. Het verhaal van de inmiddels overleden Soete hield België enige tijd in de greep en verhevigde de roep om een parlementair onderzoek.

Die onderzoekscommissie is er in december 1999 gekomen. Door een gezelschap «deskundigen» zijn de tientallen telexberichten en andere bronnen die De Witte bij zijn reconstructie gebruikte tegen het licht gehouden en van commentaar voorzien. Op verscheidene locaties werd bovendien huiszoeking gedaan. Niet alleen bij wijlen Gerard Soete, ook in het paleis van prinses Liliane, de weduwe van koning Leopold III. Haar ordonnansofficier Guy Weber, inmiddels hoogbejaard, was in vroeger tijden militair adviseur van de Katangese president Tshombe. Zijn dagboeken konden wellicht nieuw licht op de zaak werpen.

Twee weken geleden maakten de deskundigen hun eerste bevindingen bekend. «In bepaalde opzichten overtreft de realiteit de fantasie», concluderen ze niet ten onrechte. Op verschillende manieren is in Belgische (regerings)kringen gesproken over de «eliminatie» van Lumumba, blijkt uit de openbare samenvatting van het tussenrapport, al is volgens de experts niet altijd duidelijk of het hier gaat om daadwerkelijke fysieke eliminatie. «Voor de theorie van het grote complot hebben wij geen bewijzen», schrijven ze. Nader onderzoek zal worden verricht naar de rechtstreekse (financiële) lijntjes tussen het koninklijk paleis en Katanga en naar een speciale Belgische oorlogskas waaruit de campagne tegen Lumumba werd gefinancierd. Voor definitieve historische conclusies wachten de deskundigen de hoorzittingen af. «Maar één ding staat vast: voor de Belgische regering mocht Lumumba niet meer terugkeren aan de macht.»

Na de wijdlopige uiteenzetting van Jean Van Lierde, die door volhouder Jef Valkeniers nog enkele malen vermanend wordt toegesproken, betreedt Maryse Hockers de zaal. Als de fragiele dame — indertijd kabinetsattaché in de regering-Lumumba — plaatsneemt, wordt het muisstil. Op fluistertoon spreekt Hockers over de redevoeringen van de 30ste juni. Wat haar betreft was niet de toespraak van Lumumba, maar vooral die van de Belgische koning buitengewoon slecht geplaatst. Na enige vage vragen en opmerkingen van diverse commissieleden neemt Valkeniers weer het woord. «Mevrouw! Is Patrice Lumumba zich bewust geweest van de schade van de toen als agressief beschouwde toespraak?» Hockers stamelt wat, beduusd over de wijze van ondervragen. De onafhankelijkheid is te snel gekomen, stelt ze. Veel te snel. Nog nergens waren er bestuursstructuren die onafhankelijk van de Belgen konden functioneren.

Veertig minuten verder is het getuigenverhoor voorbij. De verslaggever van Radio-Télévision Nationale Congolaise begeeft zich onverwijld naar de dame voor een exclusief interview. De Congolese toehoorders van de publieke tribune komen naar beneden en vormen een cirkel rond Hockers en de journalist. Enkelen krijgen het te kwaad. Hockers zelf spreekt met overslaande stem. Ze herhaalt wat ze zojuist de commissie heeft verklaard: Congo heeft de onafhankelijkheid te snel gekregen en de westerse wereld heeft de eerste regering niet bepaald bijgestaan.

«En madame, hebt u nog een boodschap voor de vrouwen van Congo?» vraagt de Congolese radio.

«Uhuru!» zegt Hockers met gebalde vuist.

«Liberté!» vertaalt de journalist.

Elders in de zaal verdedigt Jef Valkeniers zich voor zijn vele jaren jongere mede-commissieleden. «U moet begrijpen dat ik indertijd arts in het leger was», zegt hij. «U hebt de situatie in België in 1960 nauwelijks bewust meegemaakt, maar ík kon ieder moment naar de Congo gestuurd worden. Dat was het ergste wat me had kunnen overkomen. Belediging van de koning, dat konden wij niet over onze kant laten gaan.»

De gebeurtenissen zijn typerend voor de wijze waarop militairen toen en nu over het dossier-Lumumba denken, vindt Ludo De Witte, auteur van het boek dat de aanleiding vormde tot de oprichting van de onderzoekscommissie. «Militairen hadden een heel extreme houding ten opzichte van de nationalisten in Congo, en Valkeniers was zo'n militair. De royalistische gevoelens in het leger waren enorm groot. De kolonie werd nog altijd gezien als de voortzetting van het bouwwerk van Leopold II. Een jaar voor de onafhankelijkheid is zelfs serieus voorgesteld om diens opvolger, Leopold III, die door de koningskwestie zo weinig eervol was komen te vallen, ter genoegdoening een soort koningschap van Congo toe te kennen.»

De Witte ziet de uitkomst van het parlementaire onderzoek door de vooringenomenheid van bepaalde commissieleden en onderzoekers met weinig vertrouwen tegemoet. Een van de vier ingeroepen deskundigen, Luc de Vos, liet bijvoorbeeld al behoorlijk voorbarig weten dat Guy Weber, de assi stent van prinses Liliane, van iedere schuld gevrijwaard is, belastende dagboeken of niet. De Vos deed dit naar eigen zeggen omdat hij vond dat oud-verzetsman en patriot Weber niet door de media zou moeten worden «gelyncht». De documenten die bij de huiszoeking in het paleis in beslag werden genomen, had de deskundige, die weinig toevallig is verbonden aan de Koninklijke Militaire School, voor dit oordeel niet nodig. Het parlementslid Daniel Bacquelaine concludeerde op grond van de tussentijdse deskundigenrapportage al dat er geen bewijs is voor een aandeel van de Belgische politiek in de moord. Ook ietwat voorbarig, zegt De Witte. «Wat opvalt is dat sommige commissieleden de zaken strikt in een Koude-Oorlogsperspectief plaatsen. Zij kijken hooguit in welke mate de Congolese nationalisten het spel van Moskou meespeelden en trekken daar dan direct hun conclusies uit.» Zo blijft de uitkomst van de hele Lumumba-exercitie «heel onzeker», aldus De Witte. «De meeste mensen lijken helemaal niet te willen dat deze beerput opengaat. De meerderheid in het parlement, de meerderheid van de onderzoekscommissie, wenst niet tot op het bot te gaan, is mijn indruk. De commissie is er gekomen omwille van de media, die sinds de affaire-Dutroux alle stinkende zaakjes opgeruimd willen zien. Maar in Brussel zit niemand op de waarheid te wachten.»

Vrijdag 15 juni 2001, Brussel. In tegenstelling tot maandag, dag 1 van de hoorzittingen, is de mediabelangstelling aanzienlijk. Geen getuigenverhoor vandaag. Althans niet in de strikte zin van het woord, legt commissievoorzitter Versprick uit. Vandaag krijgen de kinderen van de drie in januari 1961 vermoorde politici het woord. «Vanaf volgende week komen de voor de historische reconstructie belangrijke ondervragingen. Dit is vooral een soort genoegdoening», verklaar de Versprick vooraf in de wandelgangen.

Maar daar wordt verschillend over gedacht. Als Lumumba’s oudste zoon François zijn levensverhaal verteld heeft en de Belgische staat beleefd bedankt voor het in gang gezette onderzoek naar de moord op zijn vader, volgt een heus debat waarbij opmerkelijk genoeg het Vlaams Blok de nuance representeert. Er zijn heus Belgen die hun beeld van Lumumba sinds de jaren vijftig/ zestig hebben bijgesteld, sust de ultrarechtse afgevaardigde een dispuut tussen, wederom, Jef Valkeniers en zoon Lumumba. Congo is veel te snel onafhankelijk geworden, zegt Valkeniers. «We hadden een voorbeeld aan Zuid-Afrika moeten nemen. Daar heeft de geschiedenis toch een beter verloop gekregen!» aldus de liberale volksvertegenwoordiger.

«Wij willen slechts dat zijn nagedachtenis in een juist daglicht wordt gesteld», zegt de zoon. «We willen waarheid en rechtvaardigheid. (…) Waarom heeft men zich zo gedragen tegen Lumumba? Omdat hij zwart is? (…) Waar is zijn lichaam? Als iemand een deel van het lichaam hier in België in huis heeft, waar is dan de rest? (…) Wij hebben recht op de herinnering, wij hebben het recht te weten in welke omstandigheden dit allemaal is gebeurd.»

Dat lichaam van Lumumba blijft inderdaad een hachelijke zaak, verzucht Versprick in de lunchpauze. «Het blijven natuurlijk Bantoes. En zolang een lijk er niet is, zal in zo'n cultuur een verlies nooit geaccepteerd worden. Het zou mooi geweest zijn als we bij Soete nog iets van dat lichaam hadden teruggevonden. Maar niets, ook geen tandjes. Hij zal ze inderdaad wel in zee gegooid hebben.»

Na de middag volgen nog de hoorzittingen van Robert Okito («Ik heb mijn hele leven lang gebeden om ooit, één dag, hier te mogen komen getuigen. Het is een mooi moment, nu het grote België ons hier ontvangt.») en Jacqueline Mpolo, die in een uiterst emotioneel en schokkend relaas haar levenslange vlucht uit de doeken doet. Haar vader Maurice was in de ogen van de nieuwe machthebbers in Congo fout geweest, de nabestaanden (de weduwe-Mpolo en haar kinderen) moesten het, tot in 1993, met terreur bekopen. «Ik smeek u, dames en heren, doe iets met dit dossier», zegt Mpolo.

Jef Valkeniers is al uren in geen velden of wegen meer te bekennen.