Perquin

Beestjes

‘Kijk, er zitten beestjes in’, zegt de man blij. Hij steekt zijn krop sla uitnodigend in mijn richting. ‘Daar’, zegt hij. ‘In het midden.’ Ik kijk tussen de blaadjes. Er kruipen zwarte stipjes rond.

Alsof ze mijn blik voelen, bewegen ze zich dieper het hart van de krop in. ‘Dat is een goed teken’, zegt de man. 'Beestjes.’ Hij doet me aan Jan Wolkers denken - ook al vanwege zijn haar, dat helderwit is en alle kanten op staat. Ik heb evenmin moeite met beestjes in de sla, maar van rupsen moet ik niets hebben. Ooit sneed ik er per ongeluk één doormidden en vervolgens kronkelden er twee helften over mijn plank, hevig op zoek naar hun voor- of achterkant. Er zat misschien een gedicht in, maar ik schreef het nooit.
'Ik had eens een duizendpoot in de andijvie’, zegt de man, die bezig is een handje kersen af te wegen. 'Hij kwam pas bij het koken bovendrijven. Een joekel. Mijn vrouw vond het niet zo smakelijk.’ Hij glimlacht. Het is een verre glimlach, zie ik. Een glimlach die eigenlijk niet voor mij bedoeld is. Hij pakt een potje bieten van de plank. Ik plak een etiketje op mijn zak met appels. 'Weet je wanneer ik me pas zorgen ga maken?’ zegt de man. 'Als er helemaal níks meer in zit. Geen oorwurm, geen slak, geen torretje, niks. Ik zou geen hap meer hoeven.’
We lopen samen naar de kassa. De man legt zijn sla en kersen op de toonbank en zet het potje bietjes ernaast. 'Wilt u de sla in een zakje?’ vraagt de vrouw van de winkel. 'Och nee’, zegt de man. 'Dan krijgen ze ’t nog benauwd.’ De vrouw van de winkel lacht even, maar in haar ogen zie ik een vermoeid soort ergernis. Als de man de winkel verlaat kijkt ze hem na. 'Net weduwnaar geworden’, zegt ze. Op de stoep blijft hij nog even staan om het potje bietjes en de kersen in zijn jaszakken te stoppen. De sla legt hij voorzichtig in de holte van zijn gebogen arm, alsof het een bos rozen is.