Interview met Yakov Kreizberg

‘Beethoven begreep ik meteen’

Vier jaar geleden debuteerde de Russisch-Amerikaanse dirigent Yakov Kreizberg (47) als chef van het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest. Zijn aanstelling was een gouden greep. Deze week vervolgt hij met dé Vijfde symfonie een Beethoven-cyclus die veel meer dan een routineoefening lijkt te worden: ‘Die symfonieën zijn het fundament voor mijn samenwerking met het NedPhO.’

Een interessant fenomeen, Yakov Kreizberg. Niet alleen omdat hij het orkestrepertoire verrijkte met Franse en Russische muziek, die zijn voorganger Hartmut Haenchen liever uitbesteedde, of omdat hij óók een geweldige operadirigent is; vooral zijn uitstralende werking op beide orkesten is imposant. Al ontbeert hij de despotische lichtgeraaktheid die zijn genre aankleeft – de man is low profile en de charme zelve – hij is een ouderwets muziekbeest in een tijd die ook zijn dirigenten liever maat ziet houden. Wat hij ook dirigeert – Dvorák, Beethoven, Strawinsky of Tsjaikovski – academisch is het nooit, en altijd manifesteert zich de atletische beweeglijkheid die ook in ruststand van zijn jongensachtige gestalte afstraalt, hoewel hij alweer 47 is. In Duitsland heette zo iemand vroeger een Pultvirtuose, en de classificatie past hem als een handschoen. Kreizberg is het soort dompteur dat er gelukkig niet voor terugdeinst om de blits te maken. Zo dirigeert hij ook: grote stok, grote gebaren, expressieve linkerhand, fysieke inzet van het hele lijf. Rus natuurlijk, met dien verstande dat hij in 1976 als zestienjarige naar de Verenigde Staten emigreerde, waar de oud-leerling van de fameuze Petersburgse muziekpedagoog Ilya Musin – ook kneder van dirigeerkader als Valeri Gergjev en Mariss Jansons – in de juiste kringen snel de aandacht trok.

Als twintigjarige ontmoette hij tijdens een masterclass in Tanglewood Leonard Bernstein. In Kreizbergs eigen woorden ging dat zo: ‘Ik beklim de heuvel naar het Koussevitzky House, waar de lessen zullen plaatsvinden. Halverwege word ik aangehouden door een auto. Het is een gigantische Mercedes, de grootste en mooiste cabriolet die ik ooit gezien heb, speciaal voor hem gebouwd. Bernstein laat zijn chauffeur stoppen en vraagt: “May I give you a ride?” Denk je eens in: ik ben twintig, ik zie er niet uit, en in die auto zit een wereldberoemde dirigent die me een lift wil geven. Ik voel me hoogst ongemakkelijk, maar hij is zo charmant dat ik instap. In het Koussevitzky House dirigeer ik vervolgens de Vijfde symfonie van Tsjaikovski, uitgevoerd door twee piano’s. En na afloop zegt hij: jongen, jij hebt veel talent. Een paar kanttekeningen, en dat was het.’

Zo begon het.

Carrière maakte Kreizberg na zijn opleiding in de VS in Duitsland, waar hij zich in de trainingshonken van het Duitse theaterwezen naar de A-status sloeg: bij de opera van Krefeld en de Komische Oper van Berlijn, die hij – eenmaal gearriveerd en genezen van de dodelijke verlegenheid die hem in zijn eerste jaren parten speelde – in 2001 met slaande deuren weer achter zich liet, toen hij voorgoed genoeg had van de janboel die de artistieke leiding in dat ooit fameuze huis had aangericht.

Inmiddels vliegt Kreizberg als gastdirigent de hele wereld over, is hij vaste gastdirigent bij de Wiener Symphoniker en verkeert hij halverwege zijn vierde seizoen als chef-dirigent van de tandem Nederlands Philharmonisch Orkest/ Nederlands Kamerorkest. Daar wordt door Kreizberg straf geschaafd aan een doelstelling die voor zijn voorganger Hartmut Haenchen niet de hoogste prioriteit had: een virtuoze speelstijl. Partituurtrouw – uiteraard. Maar een orkest moet glanzen. Dat is iets anders dan sneller of luider spelen dan anderen. Het is een zaak van klank en ritme, van glanzen en bruisen, van fijnslijpen en onverbiddelijke inzet.

Dat is waar Kreizberg bij zijn aantreden aan beloofde te zullen werken. Als leerstof dient in het bijzonder het Franse en Russische repertoire dat Hartmut Haenchen in de meeste gevallen delegeerde, Strawinsky, Debussy, Ravel.

Heeft hij zijn doel bereikt? Yakov Kreizberg: ‘Er is grote vooruitgang geboekt op diverse terreinen. De klank van het symfonieorkest is groter geworden, intenser, directer, flexibeler. De flexibiliteit was voor het symfonieorkest overigens een groter probleem dan voor het kamerorkest, dat van nature vertrouwd is met een grote variëteit aan repertoire. Verder is de houding veranderd. Toen ik kwam, waren de musici van het NedPho vooral afwachtend, ze boden een dirigent niets waarmee hij aan de slag kon. Ik denk dat ze te veel repeteerden. Ten slotte speelden ze oké, maar alleen omdat ze eindeloos hadden geoefend. Met orkesten die zo werken krijg je op den duur de situatie dat ze hun verantwoordelijkheden niet meer nemen. Bij de Münchner Philharmoniker ging het ten tijde van Celibidache net zo: daar speelden ze met het gevoel dat het na zestien repetities allemaal wel goed zou komen, ook omdat de maestro toch precies vertelde hoe hij het wilde hebben. Vergelijk dat eens met het London Symphony Orchestra. Die zijn in dat keiharde Londense muziekleven zo getraind dat ze alles meteen van blad spelen. Repeteren hoeft nauwelijks meer, je zou meteen met opnemen kunnen beginnen.’

Terwijl Schönberg een keer zei: de grote dirigent is hij die na de negende repetitie nog genoeg stof over heeft voor een tiende.

‘Zo zit ik niet in elkaar. Als ik na drieënhalve repetitie klaar ben en ik heb nog een uur, dan laat ik de musici rustig gaan. Als zij genoeg vertrouwen in me hebben, en als ze hebben gezien dat ik als dirigent mijn tijd niet verspil, dan lukt het. Het is in wezen ook zo simpel. We hebben iets heel belangrijks met elkaar gemeen. We zijn allemaal musicus geworden omdat we van muziek hielden. En wat daar ook aan complicerende factoren tussen mag zijn gekomen, dat is en blijft de basis voor wat we doen. Ik sta altijd met een glimlach te dirigeren. Waarom? Omdat ik het leuk vind wat ik doe. En dat is wat ik overbreng, als het goed is. Ik merk het ook in Amsterdam. Eerst vonden ze het shocking zoals ik ze de bal toespeelde, nu durven ze het spel mee te spelen. Inmiddels reageren ze sneller, de speelconcentratie is enorm toegenomen; ze spelen echt in een andere divisie nu. Keerzijde is dat die kwaliteiten beter moeten worden gepromoot, want het orkest heeft nog niet de erkenning waarop het recht heeft. We moeten dus meer op tournee, ondanks de financiële barrières. Dat het loont, bewezen de fantastische recensies die we afgelopen herfst in Salzburg kregen.’

Morgen keert u terug naar de VS voor gastdirecties bij het Minnesota Orchestra en het Philadelphia Orchestra. Wat krijgt u daar dat u van het NedPho niet krijgt?

‘Verkijk je daar niet op. Dat zijn weliswaar geweldige orkesten met een enorme reputatie, ze maken allebei een moeilijke periode door. Bij zulke ensembles krijgen de musici snel het idee dat ze de besten van de wereld zijn, wat altijd een risico inhoudt. Terwijl het NedPho beter is dan zijn reputatie.’

Hoe bereidt u het orkest op repetities voor? Bent u een uitlegger?

‘Ik heb voor de eerste repetitie van Beethovens Tweede symfonie maar één ding gezegd: “Dames en heren, ik ga straks dit stuk met jullie spelen en ik wil dat jullie héél goed beseffen wat een onvoorstelbare wilskracht het van deze componist heeft gevergd om zo’n stuk te schrijven in de zwartste periode van zijn leven, de tijd waarin hij zijn Heiligenstädter testament schreef.” Daar hecht ik namelijk aan, dat dat overkomt. Vervolgens ben ik aan de slag gegaan.’

Die ‘Tweede symfonie’ is onderdeel van de Beethoven-cyclus in wording die u bij het NedPho en het Nederlands Kamerorkest dirigeert, repertoire dat sommige collega’s liever aan specialisten overlaten.

‘Maar dat moet je als chef-dirigent dus nooit doen, vind ik. In dat soort delegeren geloof ik niet. Natuurlijk is Beethoven in de eerste plaats heel goed voor het orkest, maar het is meer. Beethovens symfonieën zijn niet alleen de basis voor je repertoire, ook in de zin dat het muziek is waarin het orkest zich het voorspoedigst kan ontwikkelen; dit moet ik uitvechten met mijn musici.’

De ‘Tweede’ speelt u met het kamerorkest, de ‘Vijfde’ met het symfonieorkest. Hoe verdeelt u de symfonieën over beide orkesten?

‘Voor een deel is het een kwestie van beschikbaarheid. De Eroïca had ook met het symfonieorkest gekund, maar met het kamerorkest gaat het ook. Misschien met drie bassen in plaats van twee, maar daar houdt het mee op. Verder selecteer je op karakter. De Vijfde heeft één sfeer, dat is meer iets voor het symfonieorkest. Maar al die stemmingsnuances van de Tweede gaan verloren als je hem door een groot orkest laat spelen. De gelijkwaardigheid van strijkers en blazers die je in de Tweede hoorde ben je kwijt als de bezetting te fors wordt.’

Ik vond die ‘Tweede’ heel goed. Een interessante combinatie van stijlgetrouw en ouderwetse bravoure. Hij klonk vrij.

‘Ik vind het moeilijk te zeggen. Voor mij is Beethoven namelijk zo larger than life dat het me zwaar valt er iets zinnigs over te zeggen. Hij vertelt niet zomaar, hij schreeuwt. Het is zo veel tegelijk. Die totale… wildheid, de revolutie die hij met zijn symfonieën teweegbracht, het intimiderende effect van deze muziek op al zijn erfgenamen, van Schubert tot Brahms. Zelfs in die Tweede. Het is niet de Eroïca, maar hij heeft dezelfde grandeur, en in bepaalde opzichten is hij net zo grootschalig: de coda’s van openingsdeel en finale zijn reusachtig. Alleen in het tweede deel is hij niet heroïsch. Zonder dat allegretto is Schubert ondenkbaar. Hetzelfde wandeltempo als je bij Schubert vaak aantreft, het tempo van iemand die de wereld aan het ontdekken is.

Tegelijkertijd is Beethoven voor mij iets heel natuurlijks. Ik heb er nooit voor hoeven knokken. Misschien dat je die Tweede daarom zo vrij vond klinken, al kan die vrijheid alleen bestaan bij de gratie van de zelfdiscipline die we allemaal moeten hebben om recht te doen aan de ongelooflijk heldere structuren van het stuk. Dan kan hij komen, namelijk van binnenuit, vanuit de maagstreek. Dan is het simpel. Terwijl je, zoals ik altijd zeg, voor Schubert en Mozart een leerproces moet doorlopen. Je begint niet aan Schubert zonder zijn liederen te kennen; je begint niet aan Mozarts symfonieën zonder zijn opera’s te hebben gedirigeerd. Maar Beethoven, die begreep ik meteen. Zijn emotionele taal is, anders dan bij Schubert en Mozart, steeds klaarhelder. Het begin van de Vijfde zegt alles. Pápápápaaaa! Het is the knock on the door, zwart-wit. Zelfs als er meer opties zijn is het makkelijk kiezen. Het tweede deel van de Tweede, is dat bespiegeling, droom of the real thing? Zeg het maar. De keus bepaalt je klank, je tempo, enzovoort. Dat moet je weten. Maar dan ben je klaar.’

Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Yakov Kreizberg. Beethoven, Symfonie Nr. 5/ Nielsen, Vijfde symfonie: 28 en 29 april, 1 mei, Concertgebouw Amsterdam.

Beethoven, Symfonie Nr. 8/ Adams, Short Ride in a Fast Machine/ Haydn, Symfonie Nr. 101 (De Klok)/ Ravel, Boléro: 12, 13, 14 en 15 mei, Concertgebouw Amsterdam.

www.orkest.nl