interview met Liza Ferschtman

‘Beethoven is de testcase’

Ze is van Russische komaf. Geboren in 1979, een jaar nadat haar ouders – cellist Dmitri Ferschtman en pianiste Mila Baslavskaja – naar Nederland waren geëmigreerd. Vorig jaar won violiste Liza Ferschtman de Nederlandse Muziekprijs.

Liza Ferschtman is van de generatie Janine Jansen. Ze zijn als yin en yang. Heel goed zijn ze allebei. Maar waar Jansen vooral de perfecte violiste is, is Ferschtman in de eerste plaats de interessante musicienne: ontstellend muzikaal en de grootste persoonlijkheid van de twee. Dat bleek al uit haar eerste (dubbel)cd, geen obligate showcase met doodgespeeld debutantenrepertoire, maar een substantieel kamermuziekprogramma met onder meer vioolsonates van Franck, Poulenc en Debussy. Nog altijd voor een appel en een ei te koop bij het Kruidvat. Naar de drogist dus: prachtig.
Intussen begint haar loopbaan serieuze vormen aan te nemen. Tsjaikovski in Israël, Beethoven in Den Haag, Berg in Arnhem, Brahms in Amsterdam, kamermuziek in Londen en Berlijn. En worstelt ze met de gebruikelijke carrièredilemma’s. Moet je een kamermuziekavond in Zwitserland afzeggen voor een strategisch belangrijke invalbeurt met het orkest van Sleeswijk-Holstein onder aanvoering van Dohnányi, zo’n invitatie met een aureool van gouden kansen? Hoe voorkom je dat je concertagenda je muzikale ontplooiingsmogelijkheden in de weg gaat zitten? Wordt het niet allemaal te veel?

‘Het worden drukke maanden’, erkent ze als we elkaar eind januari in Amsterdam ontmoeten. ‘Straks Prokofjev met het Nederlands Studentenorkest, volgende week Beethoven met het Residentie Orkest. Allemaal nieuw repertoire.’ Bij alle druk komt nog de opspelende onrust over, om maar iets te noemen, de samenwerking met nieuwe muzikale partners: ‘Bij het Residentie Orkest zou Jaap van Zweden dirigeren, die nu heeft afgezegd en wordt vervangen door Marc Soustrot. Het klinkt gek, maar ik was er een beetje huiverig voor om met Jaap te werken. Ik dacht dat het niet helemaal zijn stiel zou zijn, mijn stijl van spelen, dat het niet perfect genoeg voor hem zou zijn. Ik moet het nu eenmaal niet hebben van volmaakt en loepzuiver spel, het gaat er bij mij om dat ik iets te vertellen heb. Het belangrijkste, vind ik, is dat de boodschap overkomt. Ik kan met stomme bewondering luisteren naar de virtuositeit van een violiste als Anne-Sofie Mutter, vind het ongelooflijk knap, maar tegelijkertijd vind ik het moeilijk te aanvaarden dat de wereld zo werkt: dat het grote publiek het verschil niet hoort tussen een grote klank en diepzinnigheid.’

En nu ga je ook nog Isabelle van Keulen opvolgen als artistiek leider van het kamermuziekfestival in Delft. Terwijl ik van jou dacht: die wil alleen maar spelen.

Liza Ferschtman: ‘Ja, en als ik eerlijk ben heb ik daar niet helemaal goed over nagedacht toen ik ja zei. Nu ik het eerste jaar aan het plannen ben valt me op hoe zwaar het is. Vooral omdat ik het goed wil doen. Ik weet ook nog niet precies wat ik kan delegeren zonder het overzicht te verliezen. Bepaalde dingen laat ik nu aan anderen over. De website, de kinderconcerten. Maar vanavond moet ik de laatste puntjes op de i zetten voor de festivalfolder. En er zijn kleine probleempjes. Eén violist bleek dubbel geboekt, bij een andere violiste bleek ik zelf een organisatorisch foutje te hebben gemaakt.

Tegelijkertijd heb ik veel te spelen, en ik moet hard werken om dat goed te doen. Ik heb bewondering voor Isabelle dat ze dat allemaal heeft kunnen combineren. Het is natuurlijk ook geweldig om in de luxepositie te zitten dat je mensen mag laten komen. Maar juist het feit dat dat in dit stadium van mijn loopbaan gebeurt maakt het lastig. Isabelle was al veel langer bezig dan ik.

Bij mij gaat het sowieso veel geleidelijker dan bij haar. Het ligt ook aan mij: ik heb tijd nodig om m’n draai te vinden. Elke dag opnieuw leer ik bij wat ik wel en niet aankan. Ik ben nu wel in staat te zeggen: dat doe ik niet. Als je jong bent voel je je nog niet bij machte nee te zeggen. Door alles wat er in mijn leven is gebeurd, bijvoorbeeld die Nederlandse Muziekprijs, wordt dat iets gemakkelijker. Maar ik merk nog steeds dat ik wakker word met de gedachte: heb ik nog wel het overzicht? Wat ik moeilijk vind is dat je jaren vooruit plant, en weet ik veel hoe ik me in november 2009 voel?

Delft vond ik een grote eer. Ik heb er in zoverre over nagedacht dat ik besefte dat ik ideeën heb, en dat ik wel een leider ben in die zin dat ik als musicus graag controle houd over hoe ik het wil hebben. De vraag is hoeveel ik daar in de praktijk van kwijt zal kunnen. Isabelle speelde in Delft zelf veel, best grote stukken. Maar dan hol je van repetitie naar repetitie, en ik had wel de wens het festival qua tijdsindeling zo aan te passen dat we voor de musici iets meer lucht kunnen creëren.

Er is in Delft altijd wel met thema’s gewerkt, maar de concerten zelf, daar zat niet zo veel lijn in. Dat wil ik veranderen. Ik vind dat elk concert een concept moet zijn, iets met kop en staart. Ik houd van een verhaal. Maar ik moet goed nadenken over wat mijn sterke kanten zijn. Nieuwe muziek, daar kan ik niet omheen. We hebben vier nieuwe opdrachtstukken uitgezet, onder meer van Theo Verbey en Hans Kox. Maar ik ben niet het type violiste dat met het Nieuw Ensemble speelt, er zijn mensen die veel beter op de hoogte zijn van de nieuwste ontwikkelingen. Alleen hoeven die wat mij betreft niet automatisch een plaats te krijgen in het festival, omdat ik vind dat ik niet per se het nieuwste van het nieuwste hoef te brengen. Ik heb besloten wat dat betreft wat dichter bij mezelf te blijven en te kiezen voor minder bekende stukken van grote namen met bewezen kwaliteit, zoals Ligeti en Kurtág. Bovendien denk ik dat het niet alleen om de programmering gaat. Het gaat erom dat muziek mooi wordt uitgevoerd en goed in het programma past. Het publiek heeft hoge verwachtingen en wil geprikkeld worden, maar het blijft kamermuziek. Ik hoop dat mensen me the benefit of the doubt zullen gunnen. Het is mijn eerste jaar.’

‘Een voor Delft belangrijke reden me te vragen was, denk ik, dat ik een goede gastvrouw ben. Ik vind het belangrijk bezoekers bij de concerten te betrekken. Zelf licht ik concerten vaak mondeling toe, dat wil ik in Delft ook gaan doen. Dat kan dan over de muziek gaan, maar je zou ook gedichten kunnen voordragen die iets met de muziek te maken hebben.

Tenslotte ben ik van de jongere generatie, en vinden ze het in Delft belangrijk jong publiek binnen te halen. Ik ben niet bezig met de vraag hoe ik Jan de slager de zaal binnenkrijg, maar ik geloof dat veel hoger opgeleide jongeren geen tijd hebben. Terwijl een fijngevoelige ziel altijd wordt geraakt door kamermuziek. Dus daar wil ik wat aan doen, alleen niet met Strauss-walsen of Jaargetijden.

Kamermuziek, ik weet niet of het waar is dat ik daar het meest over te zeggen heb. Wat ik wel weet: dat je als solist met orkest maar een beperkte invloed hebt op het eindresultaat. Bij kamermuziek kan ik aan elk detail frunniken. Dat heb ik ook gedaan, toen ik met Bas Verheijden voor het Kruidvat mijn kamermuziek-cd opnam. En dat doe ik weer met de nieuwe cd, die dit voorjaar bij Challenge zal verschijnen; met de Fantasie van Schubert en de laatste vioolsonate van Beethoven. Met Bas werk ik trouwens niet meer: de cd was de bekroning van onze samenwerking. We hadden als duo ons plafond bereikt. Inon Barnatan kende ik al. Juist het feit dat hij solopianist is maakt de samenwerking voor mij veel spannender. Ik moet echt mijn plaats bevechten. Zoals in elk goed huwelijk is er altijd ruzie, maar over de essentie zijn we het altijd eens. De samenwerking is intensief. Hij woont nu in de Verenigde Staten, dus we moeten echt periodes plannen, maar ook tijdens de cyclus met Beethovens vioolsonates die we vorig jaar hebben gedaan zagen we elkaar tussen de bedrijven door hooguit twee weken niet. Zeker in het begin voelde ik me in die Beethoven-sonates de begeleidende violist, wat je in die vroege stukken trouwens ook echt bent, maar we hebben er bewust voor gekozen in die vioolsonates de violist niet de solist te laten uithangen. Al wil ik na zo’n cyclus, na zo’n heel seizoen verantwoord bezig zijn, wel weer eens gewoon stompzinnig violiste zijn.’

‘Ik heb al jaren een goeie leraar, David Takeno in Londen, waar ik nog steeds kom. Met hem heb ik het Beethoven-concert gedaan. Ik heb het wel eens doorgespeeld, maar het is nieuw voor me, en dan heb je behoefte aan iemand die de goeie dingen zegt. Takeno zei: “Ysayë was al 32 toen hij eraan begon, dus you’re way ahead.” Hij zorgt goed voor zijn leerlingen, neemt ze in huis, kookt voor ze, geeft ze rust. Vroeger, tussen m’n dertiende en m’n achttiende, had ik een lerares, Alla Kim, die ook zo werkte. Dat heb ik nodig: dat er voor me gezorgd wordt. Het enige probleem bij Takeno was dat ik graag van hem wilde weten of hij me de moeite waard vond, en dat is bij een Japanner altijd wat moeilijk, zelfs als hij al veertig jaar in Europa woont, dus dat duurde even. Ik kreeg het een beetje door toen hij na ongeveer een jaar zei: “I’ll pay for your Wigmore Debut.” Dat gaf wel aan dat hij erin gelooft. Sinds vorig jaar betaal ik ook niet meer voor de lessen. Wat betekent dat je geen leerling meer bent, dat je alleen komt wanneer je het nodig hebt. Je komt op collegiale basis.

Beethoven is het allermooiste concert dat er is. Ik moet het gewoon maar toegeven: ik houd van Beethoven, van Bach, van Schubert. Dat zijn mijn basisvoorkeuren, plus een paar dingen van Mozart. Ik kende het Beethoven-concert wel, maar pas december afgelopen jaar had ik echt tijd om het grondig te studeren. Wat ik er mooi aan vind is dat het zo puur is. Je moet het niet hebben van je geluid, waar ik het eigenlijk juist wél van moet hebben. Dat betekent dat je je objectiviteit moet bewaken, wat heel goed voor me is. Wat ik veel heb gedaan: de partituur dirigeren. Juist omdat het zo’n groot stuk is, is dat erg belangrijk. Bij de grote concerten die ik heb gespeeld had ik vaak het gevoel dat me het overzicht ontbrak, terwijl ik altijd graag wil weten hoe zo’n vorm in elkaar zit. Vorig jaar had ik het ook bij Tsjaikovski. Maar Beethoven is een testcase. Ik heb het net in een try-out gespeeld, met een paar strijkers. Mijn ouders zeiden na afloop: je speelde een beetje te zacht. Maar die solopartij is ook bijna alleen maar dolce, piano, terwijl in het orkest heel harde dingen zitten. Het orkest gaat niet mee met je subtiliteiten. Ik dacht altijd: ik speel te subtiel om met orkest te werken. Maar nu ik Beethoven heb ingestudeerd denk ik: dit ligt me wel. Als ik me inhoud, en de objectiviteit weet te bewaken, is het minder ver van mijn bed dan ik dacht.’

www.lizaferschtman.com