Beetje fout

Soms is lezen als een frikadel uit de muur trekken. Vies vlees, gemaakt op een manier die je niet wilt weten, waarvan je aan derden verzwijgt dat je er überhaupt één euro twintig aan besteed hebt. Je weet dat het geen enkele bevrediging geeft, en toch kun je er geweldig van genieten.
Nu wil ik hier niet de literaire status van de recensent bij zijn vrienden en omgeving bezingen (die valt op z’n zachtst gezegd tegen, en wordt door genoemde vrienden en omgeving vooral opgevoerd om de draak mee te steken), maar doorgaans heeft deze de reputatie dat hij een fijnproever is, die weet met welke ingrediënten gekookt dient te worden (ik zit hier nog steeds in de frikadel-metafoor, héél ingewikkeld allemaal) en om advies kan worden gevraagd. Om die reputatie hoog te houden dienen frikadellen ontweken te worden, en zeer zeker niet publiekelijk genuttigd te worden.
Dat lukt niet altijd. Lance Armstrong, zevenvoudig Tour de France-winnaar, schreef ooit een boek. Beetje een fout mannetje. Arrogant, bevriend met president Bush. Lekker slechte naam ook, Lance Armstrong. Elke lettergreep doet individueel zijn werk, als je ze door elkaar husselt klinkt het nog net zo stoer. Lance Strongarm, Strong Lancearm, Arm Stronglance. Klinkt als zo’n foute Amerikaanse tv-presentator, in de lijn van Wolf Blitzer en Stryker McGuire.
In 2000 publiceerde hij zijn memoires, It’s Not about the Bike. Het is een verhandeling over Armstrongs strijd tegen kanker, hoe hij revalideerde en uiteindelijk de Tour won. Natuurlijk kun je je voorstellen dat het verhaal inspirerend bedoeld is, maar dan nog: dit is het type boek waar je doorheen zou moeten kijken – geschreven door een ghostwriter, vol borstklopperij en chauvinisme, waar Armstrongs kanker wel heel handig naar een zo groot mogelijke markt gepresenteerd wordt.
De eerste zin: ‘Ik wil sterven als ik honderd ben, met de Amerikaanse vlag op mijn rug en de Texaanse ster op mijn rennershelm.’ Ja hoor, denk je, wat fout. Maar dan lees je verder en tweehonderd bladzijden later nemen de beschadigde bloedcellen af, neemt hij zijn droomvrouw in zijn armen (terwijl je bovendien weet dat ze inmiddels al uit elkaar zijn) en dan ineens: hé, waarom branden mijn ogen zo? En waarom voelt mijn keel zo zwaar?
Opeens is er het frikadel-besef: ben ik zo makkelijk in te pakken? Maar nog steeds die brok in je keel. Kunnen hysterie en zelfreflectie op hetzelfde moment aanwezig zijn?

Lance Armstrong, Door de pijngrens. Spectrum 2001, 304 blz., € 17,95