Beetje vrijen, beetje niks doen

Arno Geiger
Met ons gaat het goed
Uit het Duits vertaald door W. Hansen
De Bezige Bij, 397 blz., € 19,90

Philipp Gerlach heeft het goed voor elkaar. Hij ligt languit op de voortrap van de Weense villa die hij geërfd heeft en eet champagnebonbons. Het is april, de voorjaarszon schijnt op zijn gezicht – hij krijgt er sproetjes van – en hij kijkt hoe de duiven in en uit het gat in het dak vliegen. Zo nu en dan gaat hij met Johanna, zijn vriendin, naar bed. Johanna, een weervrouw, is met iemand anders getrouwd, maar dat maakt Philipp niet zo veel uit. Hij vindt het allemaal wel best zo. Beetje vrijen, beetje niks doen. Prima.
Veel meer dan dat doet Philipp, de hoofdpersoon van Arno Geigers Met ons gaat het goed, niet. Tijd verstrijkt onopgemerkt, Philipp heeft niet de ambitie meer uit het heden te halen dan wat zich binnen handbereik presenteert. En de ambitie iets uit het verleden te halen heeft hij al helemaal niet; hij wil niets te maken hebben met familieherinneringen en kijkt met genoegen hoe de twee ingehuurde bouwvakkers alle oude spullen van zijn grootouders in een vuilcontainer storten.

Met ons gaat het goed is een familiegeschiedenis, fragmenten van drie generaties Oostenrijkers door de twintigste eeuw heen. Geiger schippert heen en weer tussen het verre verleden en 2001 (wees gerust, dit boek gaat niet ook nog eens over 11 september). Vorig jaar won Arno Geiger (1968) voor Es geht uns gut de prestigieuze Deutscher Buchpreis, zo meldt de achterflap van het boek. Of, nou ja, hij won de Deutscher Buchpreis. Of dit ook een prestigieuze aangelegenheid is, is nog niet duidelijk; Geiger was de allereerste winnaar. Het is de bedoeling dat de prijs (25.000 euro) de Duitse literatuur een impuls geeft en in de toekomst vergeleken kan worden met de Booker Prize of de Prix Goncourt.

Het is het eerste boek van Geiger dat in het Nederlands verschijnt. Met ons gaat het goed gaat over grote thema’s. Tijd, in alle facetten, speelt een dominante rol, en tijd, zoals het liedje van de Everly Brothers gaat, kan veel uitrichten. Tijdgeest, geschiedenis, opgroeien, oud worden, herinneren, vergeten. Alle personages worden op een of andere manier getart door de tijd. Het zijn de heftige veranderingen in de tijdgeest die Philipps oom het leven kosten (gesneuveld voor Führer, volk en vaderland); door post-bellum momentum wordt zijn grootvader een prominent politicus, en wordt later weer afgeserveerd; door puberale recalcitrantie tegen haar familieverleden begint zijn moeder een relatie met een simpele arbeider.

En het product daarvan, Philipp Gerlach, staat in 2001, de nieuwe eeuw, in scherp contrast met de Gerlachs van de twintigste eeuw. Het leven van zijn bevlogen moeder was een gevecht tegen de klok; hijzelf lanterfant de hele dag. Zijn grootouders proberen zich alles te blijven herinneren; hij wil alleen maar vergeten. Als een van de bouwvakkers rommel van zijn oma’s zolder niet weggooit maar ergens wil verkopen, irriteert dat Philipp mateloos. De man snapt het niet: ‘Waarom niet? De tijd maakt alles waardevol.’

Philipp draait het om: ‘De tijd maakt alles zwak, kapot, overbodig, nutteloos.’

Weg met die troep! Philipp wil zich niets herinneren, niet zijn verdronken moeder, niet zijn vervreemde zus, niet zijn gebrouilleerde grootouders. Maar natuurlijk, zo werkt het niet. Al in de eerste regel – ‘Hij heeft er nooit over nagedacht wat het betekent dat de doden ons overleven’ – ligt het motief van het boek. Het verleden schuilt in alles en hoe hard hij het ook probeert, in het oude huis is geen ontsnappen aan het verleden mogelijk.

De stukken over het vasthouden van herinneringen zijn misschien de mooiste uit het boek. Met prachtige empathie beschrijft Geiger de dagen van Philipps bejaarde grootouders Alma en Richard, in 1982, terwijl de twee stapje voor stapje het verval van het oud worden meemaken. Het is even tragisch als komisch. Als Richards ogen achteruit gaan, is hij minuten bezig het groentemotief van het nieuwe servies op zijn vork te krijgen.

Geiger schrijft zelden mooi. Aan resonerende volzinnen heeft hij een broertje dood en slechts bij hoge uitzondering waagt hij zich aan een originele metafoor. Maar dat maakt eigenlijk niets uit; Geiger schrijft namelijk wel heel fijn. De korte scène waarin Philipps moeder verdrinkt is puntgaaf. Er staat geen woord te veel, nooit laat Geiger het emotioneel worden of hysterisch, hij schrijft het op als iets onwerkelijks, ongeloof dat te laat omslaat naar paniek, je voelt het water de longen in lopen. ‘Haar armband is blijven haken aan een fiets die half in het kielbodem vastzit, ze trekt in plaats van haar armband van haar pols te halen, hoe vaak heeft ze de band achteloos afgedaan voor het slapen gaan, hoe vaak heeft ze onderwijl op de rand van het bed gezeten en gepraat en niet eens gekeken, ze heeft een bloeduitstorting bij haar pols, de vingernagels van haar andere hand breken, de spiervezels in haar schouders scheuren, ze trekt, de armband raakt verbogen, maar hij breekt niet, hij breekt maar niet (…).’

De gecalculeerde stijl past perfect bij de manier waarop Geiger zijn thema’s aan elkaar weeft. Door de eerste Deutscher Buchpreis aan Geiger te geven heeft de jury de lat hoog gelegd. In welke taal de roman ook was verschenen – Frans, Engels – hij had zeker mee gedongen naar de grote prijzen. Ako-winnaar Hans Münstermann mag dan ook heel erg blij zijn dat Arno Geiger geboren is in Bregenz, Oostenrijk, en niet in Bergen, Nederland.