Befehle van een jongen van drie

In de biografie Jaap en Ischa Meijer verbindt Evelien Gans de persoonlijke ontwikkeling van een gezin met de geschiedenis van de Nederlandse joden in de vorige eeuw. Het wachten is op deel twee, Ischa en Jaap Meijer.
Evelien Gans
JAAP EN ISCHA MEIJER: EEN JOODSE GESCHIEDENIS, 1912-1956
Bert Bakker, 709 blz., € 39,95

Jaap Meijer was een productief en erudiet historicus en zijn zoon Ischa Meijer was een opmerkelijk journalist, die zelfs uitgroeide tot een ‘fenomeen’, maar of het nu nodig was zo’n uitgebreide biografie van beiden te schrijven, waarvan dit dikke boek nog maar de helft is? Dat ik na een aarzelend begin toch bleef lezen in Evelien Gans’ Jaap en Ischa Meijer en steeds meer gefascineerd raakte door deze merkwaardige geschiedenis is volledig de verdienste van de biografe. Het boek is vooral zo dik doordat Gans alle ruimte neemt om de context van deze levens te schilderen. Op deze manier maakte ze de ondertitel, ‘een joodse geschiedenis’, geheel waar en biedt ze de lezer een verhaal dat niet alleen over een vader en een zoon gaat, maar waarin beiden als het ware het begin en eindpunt vormen van een uitgebreide wandeling door de geschiedenis van het Nederlandse jodendom in de twintigste eeuw. De gegevens over de jeugd van de in 1912 in Winschoten geboren Jaap Meijer zijn betrekkelijk spaarzaam, maar het feit dat hij in 1926 in zijn eentje naar Amsterdam verhuist, om op het Nederlandsch Israëlitisch Seminarium te gaan studeren, biedt Gans de gelegenheid een uitgebreid en kleurrijk beeld te schetsen van de joodse gemeenschap in Amsterdam. Niet alleen beschrijft ze de religieuze tegenstellingen en moeizame ontwikkeling van het seminarium, maar ook de harde realiteit van de oude Amsterdamse jodenhoek, waarin de veertienjarige scholier moederziel alleen zijn weg moest zien te vinden. De armlastige jongen – zijn vader was al vroeg gestorven – bewoonde een onverwarmde kamer en was voor zijn warme maaltijden aangewezen op de liefdadigheid van de joodse gemeente. Als zogenaamde Täg-esser at hij, volgens een vast rooster, elke dag bij een ander gezin.

Ook besteedt Gans veel aandacht aan de heftige debatten en controverses binnen de zionistische beweging, waarin Jaap Meijer zich in de jaren dertig begon te manifesteren. Beklemmend is het contrast dat ze schildert tussen de jonge, uitzonderlijk ambitieuze zionist en aankomend historicus, die in juni 1940 trouwde met de dochter van een van de voormannen van de diamantbewerkersbond, en de steeds bedreigender wordende buitenwereld. Bijzonder veel ruimte wijdt Gans aan de beschrijving van het onwezenlijke universum waarin Jaap en Liesje Meijer, samen met hun vier maanden oude zoontje Ischa, in juni 1943 belandden. Eerst was dat het doorgangskamp Westerbork en vanaf februari 1944 het ‘Sternlager’ van Bergen-Belsen, een speciale afdeling van dit concentratiekamp waar joden waren opgesloten die de nazi’s mogelijkerwijs wilden ruilen tegen elders geïnterneerde Duitsers.

Omdat tegen het eind van dat jaar de Duitsers andere, meer oostelijk gelegen kampen moesten ontruimen, nam het aantal gevangenen in Bergen-Belsen explosief toe, zodat de infrastructuur bezweek, er verschrikkelijke epidemieën uitbraken en de honger zulke vormen aannam dat diefstal en zelfs kannibalisme aan de orde van de dag waren. In deze infernale omgeving speelde de tweejarige Ischa tussen de lijken, die hij aanzag voor bossen brandhout. Ook in dit hoofdstuk weet Gans de lotgevallen van het gezin Meijer op voorbeeldige wijze te verbinden met de gruwelijke werkelijkheid om hen heen, en met vraagstukken als de kracht van ethiek in dergelijke omstandigheden en de psychische gevolgen van extreme ervaringen.

Het risico van een dergelijke aanpak is natuurlijk dat de hoofdpersonen kunnen verdwijnen achter het decor, dat de ‘context’ allesoverheersend wordt. In dit boek is daar geen sprake van. Gans schildert bijzonder aangrijpende portretten van Jaap, Liesje en Ischa Meijer, waarbij ook de minder aantrekkelijke kanten van hun persoonlijkheden volop aandacht krijgen. Duidelijk wordt dat de botheid, het tomeloze egocentrisme en de megalomanie die zo kenmerkend waren voor Ischa Meijer al voor de oorlog zichtbaar waren bij zijn vader. Jaap Meijer was een bijzonder ongemakkelijk heerschap, dat vroeg of laat met iedereen ruzie kreeg. Hij was razend ambitieus en bezat een welhaast manische werkdrift, die ertoe leidde dat hij stelselmatig te veel hooi op zijn vork nam en, ondanks zijn enorme productiviteit, toch vaak niet aan de door hemzelf opgeroepen verwachtingen kon voldoen. Om die reden kwam er ook niets terecht van de opdracht van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie om de geschiedenis van de vervolging van de Nederlandse joden te schrijven. Uiteindelijk deed zijn leermeester en vriend Jacques Presser dat.

Alles draaide om Jaap Meijer en hij identificeerde zich zo sterk met zijn roeping – het conserveren en boekstaven van het joodse verleden – dat hij bijvoorbeeld de bibliotheken waar hij werkte ging beschouwen als privé-bezit en ook bij andere instellingen boeken stal. Boeken die hij als docent van zijn leerlingen leende, gaf hij nooit terug.

Tegelijkertijd was hij een charismatische persoonlijkheid, met veel gevoel voor humor, die vooral met zijn enorme eruditie en energie op veel mensen een grote indruk maakte. Voor een deel was dit natuurlijk een kwestie van genetische aanleg, maar ook zijn moeilijke jeugd zal een belangrijke rol hebben gespeeld. Daarna was het uiteraard de hogedrukpan die het verblijf in Westerbork en Bergen-Belsen vormde die peilloos diepe sporen naliet. Sporen die ook in Ischa zichtbaar waren.

Gruwelijk is bijvoorbeeld het verhaal van een oud-leerlinge van Jaap, die het gezin kort na de bevrijding bezocht. Terwijl zij de hele middag met haar voormalige docent sprak, zat de bijna driejarige Ischa urenlang voor het raam. Roerloos staarde hij zwijgend voor zich uit, om af en toe iets te schreeuwen. Het duurde even voordat ze begreep wat de peuter riep, maar toen besefte ze dat het Duitse bevelen waren. Het meest schokkende was echter dat Jaap dit gedrag volkomen negeerde en deed alsof er niets aan de hand was.

De immense schade die Ischa tijdens de eerste twee jaar van zijn leven moet hebben opgelopen, kon door zijn zwaar beschadigde en getraumatiseerde ouders niet worden verzacht. Van beiden ontving Ischa regelmatig rake klappen en hoewel zijn vader in correspondentie altijd heel trots schreef over zijn oudste zoon – na de oorlog werden er nog twee kinderen geboren – was hij meestal afwezig en besteedde hij bitter weinig aandacht aan hem. Toen Liesje en de kinderen in 1955, na een tweejarig verblijf in Suriname, naar Nederland terugkeerden en Jaap voorlopig nog in Paramaribo bleef, waren de kinderen opgelucht. Na een paar maanden ging ook hun vader terug naar Nederland, waar hij nog net op tijd was om aanwezig te zijn bij Ischa’s bar mitswa, het ritueel waarbij hij volgens de joodse wet volwassen werd. Hoewel naar buiten toe werd volgehouden dat het een geweldig feest was geweest, waren in werkelijkheid de spanningen enorm. Er waren weinig vrienden of familieleden uitgenodigd – zo was Presser diep bedroefd dat hij van niets had geweten – en tijdens het voorlezen van zijn bar mitswa droshe in de sjoel maakte Ischa een paar foutjes. Dat dit voor joden zo belangrijke feest in zeer besloten kring werd gevierd, was veelzeggend. Ischa Meijer zou de onverwachte terugkeer van zijn vader uit Suriname en de hereniging van zijn ouders altijd blijven beschouwen als een ‘draaipunt’ in zijn persoonlijke geschiedenis. Na de oorlog was het huwelijk van Jaap en Liesje heel moeizaam, hadden ze beiden buitenechtelijke relaties, maar vanaf 1956 leken ze zich zo krampachtig aan elkaar vast te klampen dat alle anderen werden buitengesloten. Ook voor hun kinderen was er nog nauwelijks ruimte.

Dat is het moment waarop Evelien Gans haar eerste deel afsluit, en door deze cliffhanger, én door de fantastische manier waarop ze de persoonlijke ontwikkeling van een gezin heeft verbonden met de geschiedenis van de Nederlandse joden in de vorige eeuw, zie ik nu al uit naar deel twee, dat Ischa en Jaap Meijer zal heten.