Begeerte heeft ons aangeraakt

Tommy Wieringa is inmiddels een uitmuntende, fijne schrijver geworden. Tegelijkertijd is hij een crowd pleaser. In zijn nieuwe roman wreekt die combinatie zich.

TOMMY WIERINGA
CAESARION
De Bezige Bij, 366 blz., € 19,90

Het zijn begerenswaardige kerels, die hoofdpersonen van Tommy Wieringa. Door zijn hele werk is het een constante, iets dat opgevoerd wordt met een schijnbare vanzelfsprekendheid, dat amper uitleg krijgt. Wieringa geeft zelden een beschrijving van hun fysieke gestalte, maar aan het gemak waarmee vrouwen zich aan hen schenken kunnen we opmaken dat het bijzondere figuren zijn. In Amok (1997) heeft rouwtransporteur Léon Fisher een exotische, succesvolle vriendin, Zahira, maar tijdens zijn werkreizen als hij de stoffelijke resten van omgekomen Nederlanders moet ophalen, heeft hij zijn avontuurtjes. Als Léon in een hotellobby in Mekele, Ethiopië, wat op een piano pingelt, drentelt een vrouw naar hem toe (‘Ze was Deens, ergens in de dertig en heette Suzanne’ – weer dat onderkoelde) en zonder dat er te veel woorden aan worden vuilgemaakt vertrekken ze samen naar zijn kamer: ‘“Ga op handen en knieën zitten,” gebood ze wat later. Léon deed wat er van hem werd verlangd en voelde zijn achterste beschamend naakt achteruit steken. Haar gezicht naderde zijn aars.’
De hoofdpersoon in Alles over Tristan (2000) reist af naar de geboorteplaats van de ooit visionaire dichter Viktor Tristan, wiens biografie hij hoopt te schrijven, en wordt de minnaar van de lokale bibliothecaresse. ‘We sliepen weinig. We sliepen niet. We waren niet moe. We waren bloeddronken van elkaar in het schemerdonker van haar slaapkamer.’ De biograaf in spe is steriel en schuw, net als de bibliothecaresse, maar toch vinden ze elkaar als een motje en een lichtbron.
Natuurlijk is de legendarische Joe Speedboot onweerstaanbaar; een rebel, een alleskunner, minnaar van de door allen begeerde Picolien Jane, ‘PJ’ – de roman is niet voor niets naar hem vernoemd (2005). Maar doorgaans ligt de sympathie van de lezer bij de ik-figuur, in dit geval de stomme, aan een rolstoel gekluisterde Fransje Hermans. Fransje de Arm. Hij is weliswaar stom, maar toch is hij de stem van het boek, tegelijk ironisch en warm. En hoe mismaakt dan ook, uiteindelijk klimt PJ op zijn schoot: ‘Ik ben zo hard als een fles, ze vraagt “ben je schoon?” en ik knik. (…) ze lacht naar me, het is te veel. Krachtig slingert het zaad op haar gezicht. Sorry, sorry.’
Het is een wetmatigheid die we vooral kennen uit dertien in een dozijn actiefilms: aan het einde van de rit valt de te redden schoonheid altijd in de armen van haar reddende spierbundel. Het is een beloningsmechanisme; de kijker kan niet anders dan sympathie voelen voor de held – zo werken we nu eenmaal – en de romantische beloning die hem ten deel valt, valt daarmee ook ons ten deel. Daarom zijn we zulke suckers for happy endings. In literatuur werkt dit nog sterker. Hoe grotesk de ik-persoon ook is, hij is jouw enige toegang tot het verhaal. Max Aue uit De welwillenden en Patrick Bateman uit American Psycho zijn monsters, maar doordat je door hun ogen kijkt, worden het mensen en leef je met ze mee.
Natuurlijk mag het in de literatuur niet zo makkelijk zijn. Een boek eindigen met twee kussende gestalten voor een ondergaande zon is not done. Seks krijgt vaak iets moeilijks, vaak wordt het onpersoonlijk opgevoerd, voor een vervreemdend effect. Schrijvers laten het ook graag mislukken. Het is bijna een cliché om impotentie te doen toeslaan, net als de man zich opmaakt voor de boezem van zijn droomvrouw. Maar wie zijn lezer een goed gevoel wil geven, en hem wil laten doorlezen, moet hem af en toe belonen. Please the crowd. Dus niet alleen met fraaie zinnen of spannende plots, maar ook met een zacht strelende hand op de schouder van een hoofdpersoon die het moeilijk heeft. Er zijn meer van dat soort trucjes om het de lezer naar zijn zin te maken. Laat het permanent lekker weer zijn, laat de personages zich niet om zoiets banaals druk hoeven maken als hypotheken en banksaldo’s.
Tommy Wieringa snapt dat heel goed. Joe Speedboot speelt zich af in een eeuwige zomer. Hij doorspekt zijn romans met seksscènes, hoe weinig die ook toevoegen aan het verhaal (zoals in Amok) of hoe onwaarschijnlijk of gewild ze ook zijn (Alles over Tristan en Joe Speedboot). In Caesarion, zijn nieuwste roman, ben ik de tel kwijtgeraakt met hoeveel vrouwen hoofdpersoon Ludwig Unger naar bed gaat, maar al na een aantal pagina’s weet Wieringa de rücksichtsloze aantrekkingskracht van Ludwig duidelijk te maken: ‘Ik opende een sms-envelopje. Mi amor. Waar ben je? Ik verdien dit niet. F.’
Het is een fijn detail. Ludwig vertelt het en passant, terwijl hij controleert hoeveel streepjes de batterij van zijn telefoon nog aangeeft. Hij geeft de lezer niet de kans om zich af te vragen of ‘F.’ dit verdient, wie F. überhaupt is, en wat ‘dit’ is.
Ludwig zit uitsluitend in zijn eigen hoofd, en Caesarion vertelt het verhaal zoals hij het zich herinnert. Door zijn moeder is hij met de koosnaam ‘Caesarion’ toebedeeld, naar het kind van Julius Caesar en Cleopatra. Ludwig reist wat rond, speelt piano in hotels, laat zich door oudere vrouwen verleiden – dit alles met in zijn bagage de urn met de as van zijn overleden moeder. Zijn vader is niet in the picture, nooit geweest ook; als getergde, briljante kunstenaar ontvluchtte hij vrouw en pasgeboren kind, the old ball and chain, en liet ze achter in Alexandrië waar ze konden uitkijken op de onvoltooide zwarte vuurtoren die hij in de haven aan het bouwen was. Zijn moeder nam hem op sleeptouw, eerst naar Nederland, daarna naar Oost-Engeland, waar moeder en zoon samen een huis op een klif bewonen. Voor het eerst heeft Ludwig met zijn excentrieke moeder een écht huis, maar elke winter slaat de zee een stuk van de klif weg, en komt het huis dichter bij de afgrond. Het is ook de afgrond van het huiselijk geluk, als zoon op een dag na rugbytraining een videoband in zijn handen krijgt gestopt; het is een pornotape en moeder speelt de hoofdrol.
Ergens herinnerde Ludwig zich ook wel zoiets, schetsen in moeders slaapkamer, van de hand van vaderlief, iets voor een kristallen beeldengroep, waarin vader en moeder levensgroot zouden worden afgebeeld, ‘verenigd in de paringsdaad’. Wieringa’s knipoog naar popkunstenaar Jeff Koons en het Italiaanse pornosterretje Cicciolina kan niet over het hoofd worden gezien.
Vanaf dat moment reist Ludwig zijn moeder achterna, tegelijk liefkozend en walgend, terwijl zij haar oude carrière weer oppakt en hem op afstand houdt. Het verhaal dat volgt is dat van vergankelijkheid. Zoals de eroderende klif in Oost-Engeland hun huis doet instorten, zo dooft de carrière van moeder, zo vreet de kanker aan haar lichaam.

In een interview in de Volkskrant, daags voor het verschijnen van Caesarion, vertelde Wieringa dat hij ‘als een sneeuwschuiver’ over het manuscript is gegaan, ‘om het kaler en strakker te maken. (…) Er gingen 25.000 woorden uit. Vaak bleek ik met suggestie te kunnen volstaan.’
Wat zijn stijl betreft klopt dat helemaal, want wat is Tommy Wieringa een uitmuntende, fijne schrijver geworden. Waren zijn eerste twee romans, Dormantique’s manco (1995) en Amok nog geschreven in een wat uitgebeende stijl, was Alles over Tristan nog een halfslachtige poging romantischer te schrijven, met meer barok, met Joe Speedboot vond hij zijn stem, en dat hoge niveau herhaalt hij moeiteloos in Caesarion. Je merkt het aan de eerste vijftig pagina’s, voordat het verhaal echt op gang komt. Ludwig is naar Oost-Engeland teruggekeerd, waar hij ooit met zijn moeder woonde, voor de begrafenis van de buurman die voor hun huis zorgde. Er overkomt Ludwig weinig. Hij praat met wat oude bekenden, speelt piano in het hotel. Maar het verveelt geen bladzijde; het proza is ritmisch, gecontroleerd, en wordt onderbroken door de juiste metafoor en de juiste observatie op het juiste moment.
‘Op Flint Road kwamen ze me tegemoet, de dochters. Russische boerinnen. Ze hadden boodschappen gedaan bij de Somerfield in Alburgh. Ik stak mijn hand op. Ze reageerden niet, hun armen hingen vol tassen. Ik had te vroeg gegroet, er moesten nog veel meters wegkijkend worden overbrugd. Het duurde heel lang voor we elkaar bereikten.’
Dit is heel goed schrijven. Aan de ene kant is hier iemand aan het woord die zich thuis waant – Flint Road, de Somerfield in Alburgh; hij weet de weg –, aan de andere kant is er afstand, weet hij dat hij niet echt thuis is. Zenuwachtig omdat hij koel over wil komen groet hij te vroeg. Wieringa melkt het ongemak niet uit, maar constateert hoe pijnlijk het is: ‘Het duurde nog heel lang voor we elkaar bereikten.’
Wat dat betreft, zo is die terloopse vraag van PJ in Joe Speedboot – ‘ben je schoon?’ – voordat ze Fransje in haar mond neemt, kortweg geniaal. Er zit zo veel onuitgesproken warmte in. Het idee dat het Zuid-Afrikaanse mooiste-meisje-van-de-klas deze gehandicapte een pleziertje wil doen, en het pas op het allerlaatste moment in haar opkomt dat hij misschien wel niet gewassen is; daar is liefde.
Het merkwaardige is dat Caesarion toch leest alsof er 25.000 woorden ontbreken. En daaruit blijkt dat de crowd pleaser die Tommy Wieringa werkelijk is zijn schrijven in de weg zit. Ik wil zeker niet de puritein uithangen en doen alsof schrijvers niet aan het plezier van hun lezers mogen denken – graag zelfs – maar ze moeten er ook weer niet te veel aan denken, ze moeten ook hun eigen verhaal vertellen. Dat is het gekke aan Caesarion. Door het hele boek heen lijkt Wieringa haast te hebben, wil hij van hoogtepunt naar hoogtepunt schieten, zijn lezer bedienen. Ludwig reist naar Groningen, naar Los Angeles, naar de binnenlanden van Zuid-Amerika, waar zijn vader als kunstproject een berg opblaast. Wieringa staat te weinig stil bij de dingen om ze echt voelbaar te maken. Neem het huis op de klif. Op bladzijde 64 wordt het gekocht; op bladzijde 125 stort het in zee. Het is te kort om de lezer ervan te overtuigen dat dit nu het enige huis was waar Ludwig zich ooit veilig voelde. Wieringa wil te snel verder – waardoor het afbrokkelende huis niets meer is dan een opzichtig symbool.
Steeds valt op: de scènes zijn ontzettend knap geschreven. Die waarin de moeder het eerste echte vriendinnetje van Ludwig ontmoet, in een hotel in Los Angeles, en haar totaal inpalmt is goud. Ludwigs frustratie over zijn moeder, en het besef dat hij zelfs in liefde niet van haar kan ontsnappen, voel je in elke zin. Maar: dit is zo ongeveer de enige scène waarin de moeder als een aimabel, aantrekkelijk figuur wordt gepresenteerd.
En dat is het manco. De moeder-zoonrelatie waar het boek om draait wordt maar voor de helft ingevuld. Ludwig is een mens van vlees en bloed; de moeder wordt dat niet. Ook dat komt doordat Wieringa te snel door zijn jeugd heen schiet; de liefde tussen moeder en zoon heeft zijn fundamenten in de vroege jeugd, daar wordt de onbreekbare band gesmeed, daar zit het oedipuscomplex. Wieringa schiet er doorheen in een paar dozijn pagina’s. Hij geeft ons nog wat filmische scènes uit de pubertijd, waarin moeder haar zoon opmaakt als een prinsesje, maar daar moeten we het zo ongeveer mee doen. Op naar het volgende hoogtepunt.
Het probleem is dat we ons alleen maar gaan ergeren aan het excentrieke gedrag van de moeder, en aan Ludwig die slaafs achter haar aan loopt – waarom? Laat dat mens. Bij de clou van het boek wreekt dat zich. Moeder lijdt aan borstkanker, maar weigert behandeling; ze zoekt het in de alternatieve geneesmiddelen. Tevergeefs, zoals we al weten. Wieringa beschrijft haar dood uitgebreid, kaal, in your face, met oog voor detail (het etterende wondje in haar tepel, dat maar niet dicht wil gaan). Het is feilloos; het doet iets met je maag. Maar dan haar laatste woorden. Ludwig zegt dat het met hem ‘wel gaat, mamma’, waarop moeder mompelt, terwijl ze haar ogen sluit: ‘Je hebt me nog nooit mamma genoemd.’
Zulke pathetiek is niet gerechtvaardigd. Uiteindelijk komt er in Caesarion heel veel liefde en begeerte kijken, maar meer tussen de schrijver en zijn lezers dan tussen de personages onderling.