Ger Groot

Beheer

Na Nederland begint ook het Verenigd Koninkrijk zich zorgen te maken over het geringe aantal studenten dat een wetenschappelijke opleiding wil volgen. De animo voor de wis- en natuurkunde loopt zienderogen terug, terwijl die voor de businessvakken almaar toeneemt. Die beloven gouden bergen, waar het salaris van zelfs de meest geslaagde wetenschapper ver bij achterblijft.

In de Verenigde Staten is die tendens al langer merkbaar. Autochtone Amerikanen die nog de wetenschap in gaan zijn op de vingers van één hand te tellen. In plaats daarvan wordt het talent geïmporteerd uit Azië en tot voor kort ook uit Europa. Enkele jaren geleden zijn Europese landen een programma gestart om de braindrain te keren. De uitgeweken intelligentie werd teruggelokt met riante onderzoeksfaciliteiten en dat heeft redelijk gewerkt.

Opmerkelijk genoeg behoren topsalarissen niet tot de verleidingen waarmee wetenschappers zich laten terughalen. Persoonlijke rijkdom is kennelijk niet hun drijfveer, en dat maakt de invloed van lokkend kapitaal op aankomend wetenschappelijk toptalent minder waarschijnlijk. Vermoedelijk worden vooral de middelmatige studenten daardoor aangetrokken en ook al kan in de wetenschap het voetvolk niet worden gemist, het is de vraag of dat verlies catastrofaal is.

Er bestaat nog altijd een groot verschil tussen de beoefening van wetenschap als roeping of als beroep. Iets kloosterlijks is die eerste altijd blijven aankleven en dat plaatst haar op gespannen voet met de wereld van de beroepsmatigheid, waarin arbeid allereerst een middel tot iets anders is: het inkomen dat de schoorsteen doet roken, en liefst een beetje méér.

In de diensteneconomie waarin inmiddels het gros van de westerse werknemers zijn baan vindt, lijkt zich een tussenvorm te hebben binnengedrongen. De arbeid heet er zowel dienstig te zijn aan het salaris als aan de persoonlijke ontwikkeling. Van daaruit is dat ideaal gaandeweg deel gaan uitmaken van ons denken over arbeid in het algemeen. De populariteit van deeltijdarbeid wortelt in diezelfde gedachte, aangevuld met het besef dat werk niet de alleenzaligmakende levensverrijking is.

Hybridisch blijft deze verzoeningspoging van twee werelden wel. Ze stuit op haar grenzen wanneer ze ontdekt dat deeltijd en persoonlijke bevrediging slecht samengaan met de voorbeeldige carrière die de beroepsdrift voor ogen zweeft. Die eist een volledige en vooral zakelijke inzet, draaiend rond beheer en geld: de dubbelster waarvan in het management universum alle glans afstraalt.

Vreemd is het dan ook niet dat de beheerders klasse zich moeiteloos beweegt van de ene beroepssfeer naar de andere. Haar werkingssfeer is even abstract als die van het geld, dat zijn bestaansrecht ontleent aan zijn vermogen alles inwisselbaar te maken. In dit vermogen tot oneindige circulatie vinden de twee elkaar als natuurlijke bondgenoten en spiegelen zij elkaar als hun wederzijdse criterium.

Tegenover deze harde abstractie staat het naar beroepsvervulling strevende middenveld weerloos in zijn ambiguïteit. Het wil het één en het ander en legt het in beide gevallen af tegen de vastbeslotenheid van zowel roeping als beroep. Van de eerste heeft het weinig last; van de tweede des te meer, wanneer het geconfronteerd wordt met de eisen van rentabiliteit en flexibiliteit waarmee deze zo goed weg weet.

Dat betekent niet dat de voltijds roeping van de wetenschap gevrijwaard is van de eisen van het beheer. Ook hier treedt die klasse op als de macht van geld en regelgeving. Vrij is het wetenschappelijk onderzoek al lang niet meer. Buiten de universitaire muren is het schatplichtig aan zijn technische en industriële bruikbaarheid; daarbinnen aan een reglementering die de financierbaarheid ervan afmeet aan de protocollen van citatie-index en peer-reviewed publicaties.

Dankzij die laatste hoeft geen bestuurder meer kennis te nemen van de inhoud waarover hij budgettair beschikt. Voor de industriële zeggingsmacht ligt dat anders, maar de uitwerking ervan is even pervers. Niet van de voortreffelijkheid van het onderzoek en de technische toepassing daarvan is het succes afhankelijk, maar van de gewiekstheid van management en marketing.

Een dramatisch voorbeeld daarvan is het Natuurkundig Laboratorium van Philips, dat decennialang getuigde van een subliem technisch vernuft, maar dat pas commercieel beloond zag toen het bedrijf ging samenwerken met Sony om de cd-speler tot een wereldhit te maken. Het omgekeerde gebeurde bij Microsoft, dat een inferieur product dankzij uitgekiende verkoopstrategieën, financiële macht en een competente juridische divisie kon laten triomferen over het superieure, maar minder gewiekste Apple.

Microsoft lijkt de levende weerlegging te vormen van het marktfundamentalistische dogma dat in een vrije wedijver de beste zal triomferen – maar bevestigt dat zodra we niet naar het product maar naar het beheer daarvan kijken. Anders dan de ideologie wil, is dat niet in het voordeel van de consument, noch van de technicus of wetenschapper achter het product. Wel bevestigt het de doorslaggevende rol van deze nieuwe niet-producerende klasse, wier rondcirkelende beschikkingsmacht voor de realiteitszin van de cultuur verontrustender is dan de verlokkingen van het bijbehorende salaris.