‘Jouw moeder is lelijk.’ Zelf hoorde ik de uitspraak niet – die was ook helemaal niet voor mij bedoeld. Mijn eigen moeder is, zoals de meeste moeders, verheven boven alle categorieën en is bovendien niet vatbaar voor gangbare beledigingen, integendeel. Toen ik veertien was en haar hoopte te raken met de opmerking dat ze een dikke kont had antwoordde ze zonder van de krant op te kijken: ‘Niet alleen dik, lieverd. Vooral ontzettend erfelijk.’

Ik had gedag gezegd en stond mijn fiets van het slot te halen toen ik omkeek en ze op het schoolplein naast elkaar zag staan: mijn achtjarige zoon en zijn klasgenoot, een stille jongen met een broeierige blik, die ik niet goed ken. Hij heeft een oudere zus die hem wel eens uit school komt halen. Een mooi meisje om te zien, met lang, zwart haar en precies dezelfde broeierige blik. Zijn ouders heb ik nooit gesproken. Ik manoeuvreerde mijn fiets tussen de auto’s door en ving een laatste glimp op van de, op het oog, betekenisloze scène. Twee jongens, wachtend in de lange rij kinderen die naar de gymzaal zou vertrekken, kleumend in de ochtendkou. Mijn zoon had de capuchon van zijn jas om zijn hoofd getrokken. Zijn klasgenoot ook. Ze keken allebei strak een andere kant uit.

Pas nu, terwijl ik pompoensoep maak en mijn zoon bereid is om kort verslag te doen van zijn dag, wordt duidelijk dat ik, buiten gehoorsafstand, volstrekt onwetend, getuige ben geweest van het moment waarop de uitspraak werd gedaan. Ergens tussen het plaatsnemen in de rij en het wederzijdse strakke wegkijken had de jongen met de broeierige blik tegen mijn zoon gezegd: ‘Jouw moeder is lelijk.’ Mijn zoon laat na het citaat een stilte vallen, alsof hij, nu hij de uitspraak voor mij herhaalt, nu die vier woorden nog eens hardop klinken, pas werkelijk hoort wat er is bedoeld.

Terwijl hij me aankijkt schieten er, met terugwerkende kracht misschien, verschillende uitdrukkingen over zijn gezicht, vluchtig als opgeschrokken vogels: schaamte, ongemak, woede zelfs. Maar ook iets anders, dat lastig te benoemen is, maar goed te herkennen. Iets dat rond zijn mond blijft sluimeren: een vorm van geamuseerd zijn, van geïnteresseerd zijn. ‘Ik denk’, zegt hij, ‘dat hij me boos wilde krijgen.’ Ik antwoord dat ik dat eigenlijk ook denk. Dat ‘je moeder’ een klassieker is die heel vaak werkt, ook bij volwassenen. Dat mensen zoeken naar waar het pijn doet, bij zichzelf en bij anderen, dat ze dat graag willen weten. En dat ik, trouwens, voor alle duidelijkheid, ondraaglijk en onophoudelijk knap ben.

‘Tuurlijk’, zegt mijn zoon, die niet meer luistert. ‘Snap ik.’ Hij heeft de nieuwe Donald Duck opengeslagen; zo belangrijk is dit allemaal ook weer niet. Ik snij gember fijn. De stille triomf, denk ik, die je kunt voelen wanneer iemand probeert je te raken en jij de truc begrijpt; de aangename sensatie van het doorzien, van het weigeren mee te spelen, van niet eens uit de krant opkijken. Het genot van de beheersing. Wat heb ik mijn moeder erom gehaat, destijds. Wat heb ik haar erom bewonderd.

Het is lang niet gezegd
dat de twee mooiste mensen ter wereld
het meest van elkaar houden,
het meest of het best.

Zoals het even onbewezen is
dat de twee lelijkste mensen ter wereld
het minst van elkaar houden,
het minst of het slechtst.

Het donker gehoorzaamt
aan andere spelregels dan het licht.

Wat onze vingers voelen
wordt niet door onze ogen weerlegd.

Wie bewonderend zegt:
‘Lieveling, wat ben je lelijk!’
zegt het terecht.

ARS AMANDI
Adriaan Morriën
Uit: Het gebruik van eenwandspiegel
Uitgeverij Van Oorschot, 1968