Bejaarde bonbonniere

PAS EIND DEZE maand, om precies te zijn op maandag 28 oktober, is het driekwart eeuw geleden dat in Amsterdam Theater Tuschinski geopend werd. Maar al maanden lang verschijnen her en der jubileumstukken over de bijna 75-jarige bioscoop. Die nostalgische bedrijfsprofielen leunen zwaar op de feestbrochure 75 jaar Tuschinski, uitgegeven door de huidige eigenaar van Tuschinski, Pathé Cinemas.

En dat boekje is weer grotendeels gebaseerd op de memoires van Abram Icek Tuschinski (1886-1942) zoals hij die in de jaren twintig in het huisorgaan Tuschinski Nieuws met hulp van redacteur/musicus Max Tak publiceerde. Het aardigste artikel over Theater Tuschinski was tegelijkertijd het kortste: op 2 mei jongstleden werd ingenieur H.L. van Dijk uit Ulvenhout, kleinzoon van de architect van Theater Tuschinski, in de Volkskrant op de Forumpagina aan het woord gelaten. Van Dijk ergert zich aan het feit dat A.I. Tuschinski in de media steevast als schepper van het gelijknamige theater wordt beschouwd en niet zijn grootvader, wijlen Hijman Louis de Jong.
De Jongs vakgenoten waren destijds overigens niet unaniem enthousiast over Theater Tuschinski. Ze deden het minzaam af als een voorbeeld van ‘pruimentaartarchitectuur’, een 'wuft filmpaleis’ dat verrees op de plek van de Duvelshoek, een morose krottenwijk tussen de Vijzelstraat en het Rembrandtplein. Ook de overdadige decoraties van Jaap Giddings, Peter den Besten en Chris Bartels lieten zich niet gemakkelijk indelen: de al gauw Tuschinski-stijl genoemde aankleding zou bestaan uit een ratjetoe van Aziatische elementen, vermengd met voorbeelden uit de Amsterdamse School, Jugendstil, art nouveau en art déco.
Ing. Van Dijk roert in zijn ingezonden brief nog een overgevoelige kwestie aan: de betreurde Abram Tuschinski (in het Pools geschreven als Tuszynski) moet een 'moeilijke opdrachtgever’ zijn geweest. Ook dat zou kunnen kloppen, want gezellige meegaande types brengen over het algemeen weinig opzienbarends tot stand. De ex-kleermaker, ex-pensionhouder en latere Tuschinski-directeur was weliswaar een gevoelig man en een sociaal bewogen patroon (de Rotterdamse operateur Hannes Visser kreeg eens spontaan een kostuum plus een hoed van hem cadeau), maar hij moet tegelijkertijd een temperamentvolle megalomaan zijn geweest. Zijn bijnaam luidde niet voor niets 'Napoleon van de Duvelshoek’.
Toen begin juli dit jaar iets van deze strekking in Het Parool te lezen was, regende het brieven en telefoontjes met een hoog 'van de doden niets dan goeds’-gehalte. De lampjes in Theater Tuschinski waren immers zo mooi, werklozen kregen korting op de toegangsprijs, meneer Tuschinski stond nota bene altijd pal achter zijn ouvreuses, portiers, toneelknechten; een werkster met een ziek kind kon op zijn financiële steun rekenen; een chauffeur met een versleten overhemdsboord kreeg van hem een nieuw shirt of minstens een hemd met een gekeerd boord. Waar kom je tegenwoordig zoveel barmhartigheid tegen?
DAT ALLES neemt niet weg dat de sentimentele Tuschinski zich meer artiest en levenskunstenaar voelde dan zakenman. Nota’s betreffende voor hem uitgevoerde werkzaamheden werden niet altijd even vlot betaald. Men mocht blij zijn in 'Het Huis’ te hebben mogen werken. Bovendien was Tuschinski al snel van mening dat een opdracht niet was uitgevoerd zoals hem voor ogen had gestaan. Hij liet bijvoorbeeld rustig een muurtje wegbreken om vervolgens te besluiten dat het toch maar weer moest worden opgetrokken. En omdat het er dientengevolge uitzag alsof er niets was gebeurd, was hij ook serieus van mening dat er niet betaald hoefde te worden.
Aan de andere kant getuigen ex-personeelsleden tot op vandaag de dag dat meneer Tuschinski een prima patroon was die een goed weekloon betaalde en een eerlijk promotiebeleid voerde. Johan Stans werd voor negentig gulden per week door Tuschinski aangesteld als zaalchef. Chefoperateur Henri Lünow kreeg 85 gulden, meubelmaker Gerrit Vonk zeventig gulden, en portiers als Willem Schlebaum, Gerard Mosman en Roel de Jong vingen een basisloon van vijftien piek per week. En dat eind jaren twintig, begin jaren dertig.
AAN DE bouwvakkers, decorateurs, elektriciens, schrijnwerkers en stoffeerders die bij de bouw van Theater Tuschinski betrokken waren, stelde 'bouwheer’ Tuschinski echter steeds vaker onmogelijke eisen naarmate de openingsdatum naderde. Bij deze arbeiders, die twaalf uur per dag, de weekeinden meegerekend, aan Theater Tuschinski ploeterden en van hun respectievelijke bazen een schamel traktement ontvingen, was hij op den duur dan ook minder geliefd. Aan 'werkoverleg’ deed hij niet, met uitvoerder ir. Klapwijk en architect De Jong lag Abram Tuschinski om de haverklap overhoop. Deze twee verweten hun opdrachtgever waarschijnlijk niet helemaal onterechte vergaande eigenwijsheid. 'Als je het dan zo goed weet, ga je gang’, werd uiteindelijk hun repliek.
Omdat decoratieve luxe de atechnische Abram Tuschinski meer aansprak dan zuiver bouwkundige beslommeringen, kon het gebeuren dat hij bij de architectonische 'invulling’ van het pand de in een cinema niet onbelangrijke filmcabine over het hoofd zag. Vandaar dat pas een paar dagen voor de opening twee Duitse Ernemann-projectoren werden opgesteld, achter het projectiedoek, in een schakelkamer vol zekeringen, generatoren en volt- en ampèremeters.
Tuschinski begon dus noodgedwongen met het in die jaren al als gemankeerd ervaren achterprojectiesysteem: de openingsfilm Over the Hill met Mary Carr moest met vooraf 'omgeplakte’ tussentitels 'spiegelbeeldig’ in de toestellen worden gezet om, bekeken vanuit de zaal en vanaf de twee balkons, een normaal beeld te tonen. Vervolgens ontdekte men dat de bezoekers op het eerste balkon verblind werden doordat ze op die manier recht in de objectieven van de projectoren tuurden.
De sproeiers die tijdens deze achterprojectie-improvisatie boven het doek waren aangebracht om het scherm tijdens de voorstelling nat en dus transparant te kunnen houden, zitten er volgens de huidige chef Technische Dienst van Pathé, Ronald Rosbeek, nog steeds. Aan de achterprojectie zelf kwam echter snel een einde: in januari 1922 werd de timmerwerkplaats op de bovenste verdieping, die aan de achterzijde van de zaal boven het tweede balkon lag, ingericht als filmcabine. Een nooit herstelde noodoplossing, zodat in Tuschinski ook nu nog vanaf extreme hoogte wordt geprojecteerd op een manier die tegen alle opticawetten indruist. Bovendien is het (vervormde) beeld in verhouding tot de imposante toeschouwersruimte veel te klein. Toegegeven, in de afgelopen drie-kwart eeuw heeft niemand er z'n beklag over gedaan.
AMSTERDAMSE bioscoopgangers vonden het paleis dat tussen 1918 en 1921 voor ruim drie miljoen aan de Reguliersbreestraat was verrezen, wel mooi, maar massaal naar het theater gaan was er door de slechte economische en sociale omstandigheden niet bij. De goedkopere Tip-Topbioscoop in de Jodenbreestraat, Parisien in de bocht van de Nieuwendijk, De Munt (Cinema de la Monnaie) in de Kalverstraat en niet te vergeten 'de’ Royal aan de Nieuwendijk (geopend op 8 februari 1922) vielen eerder binnen de mogelijkheden.
De elite, die zich een bezoek aan 'Tussinskie’ wel kon permitteren, moest sowieso niets hebben van het theater; intellectuelen noemden de bioscoop 'een bonbonnière’ waar louter vluchtig Hollywoodvertier werd gedraaid. Polemist en criticus Menno ter Braak (1902-1940) constateerde naar aanleiding van het tienjarig bestaan van Tuschinski in november 1931 in het blad Filmliga dat het jubileum, anders dan Abram Tuschinski en Max Tak wilden doen geloven, het grote publiek koud liet: 'De grote zakenman suggereerde in zijn jubileumnummer dat Amsterdam hysterisch juichte, dat er een gezinsleven bloeit op het handgeknoopte Deventer tapijt van de beroemde voorhal. (…) Mocht men hem geloven dan zou de heer Tuschinski niet anders gedaan hebben dan zich permanent opofferen voor de mensheid, die naar goede films snakte. Nacht aan nacht doorwaakte hij, het kaf van koren scheidend, in één rusteloze angstpsychose om de schade die aan de ziel van het publiek zou kunnen worden toegebracht.’
VIJFTIEN JAAR na de opening van zijn theater verkeerde Abram Tuschinski in grote financiële problemen; aan het eind van de jaren dertig werd Theater Tuschinski het eigendom van dr. J.P. van Tienhoven van de Hollandsche Buitenlandbank (HBB) en een Haagse handelsonderneming waaraan namen verbonden waren van geldschieters als A.D. Chabot, A. van Santen en mr. K. Blom. Het 'trio Tuschinski’ - Abram Tuschinski en zijn zwagers Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz - bleef na die reddingsoperatie als bedrijfsdirecteuren op de loonlijst staan. Vervolgens werd Theater Tuschinski, nog vóór de Duitsers Nederland binnenvielen, via bemiddeling van dr. Max Winkler in Berlijn door Van Tienhoven overgedaan aan het Duitse film- en bioscoopbedrijf ToBis, die voor de bioscoop meteen een naamsverandering wilde doorvoeren maar daar van afzag. In het mooi geïllustreerde jubileumboekje 75 jaar Tuschinski (voor een tientje te koop aan de kassa) wordt gesproken over 'een machtswisseling die tamelijk ongemerkt verliep’.
Bekender is het verhaal dat in de nacht van 30 op 31 augustus 1940, op de verjaardag van koningin Wilhelmina, Nederlandse en Engelse vlaggen op het dak van Theater Tuschinski zouden hebben gewapperd. Foto’s daarvan ontbreken helaas en directe getuigenverslagen ontbraken tot nu toe ook. Pas nu treden de daders uit de anonimiteit: de Amsterdamse houtbewerker Cornelis Adrianus Bus, destijds negentien jaar oud en communist, zijn negentienjarige broer en een wederzijdse zestienjarige vriend (Joop de Jong). Vlak voor het ingaan van de spertijd op 30 augustus 1940 bevestigden zij gedrieën een oranje vlag met daarop in witte kalkletters Leve de Koningin! aan de voorgevel van Tuschinski. Ze deden het uit balorigheid, ze waren niet eens 'Oranjeklanten’. In hun jeugdige overmoed hadden ze het klaargespeeld ongezien via een brandtrap het theater binnen te klimmen. Cor Bus herinnert zich nog dat hij, eenmaal binnen, de projectoren kon horen ratelen - de avondvoorstelling was nog gaande. ’s Morgens vroeg, nog voor zonsopgang, werd de vlag helaas ontdekt. Ze werd weggehaald voordat de eerste arbeiders door de Reguliersbreestraat naar de pont over het IJ fietsten om naar hun werk bij de NDSM te gaan.
TWEE MAANDEN later, op 1 november 1940, veranderde ToBis de joodse naam Tuschinski in het 'Arische’ Tivoli. Een half jaar eerder, op 22 mei 1940, waren Tuschinski, Ehrlich en Gerschtanowitz al door ToBis ontslagen. In juli 1942 werden ze via Westerbork gedeporteerd om in Polen om het leven te worden gebracht.
Even 'geruisloos’ als de overname van Theater Tuschinski door ToBis, verliep de terugvordering ervan na de bevrijding in mei 1945 via het Nederlands Beheerinstituut (NBI) en de Raad voor Rechtsherstel. Mr. Blom dook weer op en de financiers F.L.D. Strengholt, mr. R.H. Dijkstra en K. Winckles (van de Britse bioscoopketen J. Arthur Rank) sloten zich bij hem aan. Het viertal vormde de Raad van Beheer van de Maatschappij Tuschinski; de zoon van Herman Gerschtanowitz, Max Gerschtanowitz, kreeg enige zeggenschap binnen het bedrijf als directeur 'in dienstverband’ en later had kleinzoon Ron Gerschtanowitz er nog staffuncties.
Voor de zoon en dochter van Herman Ehrlich, Tannie en Fifi, was geen plaats. Door de transactie met ToBis in 1939 waren de nabestaanden van Ehrlich en Gerschtanowitz officieel als erfgenamen onterfd. Max Gerschtanowitz en Tannie en Fifi Ehrlich overwogen alsnog een proces te beginnen tegen Blom en zijn companen, maar Max Gerschtanowitz was te bang voor zijn baantje en zag er uiteindelijk van af. De nu 77-jarige Fifi Ehrlich heeft in haar Amsterdamse woning nog steeds geen goed woord over voor de Blom-groep.
Uiteindelijk kwam Theater Tuschinski opnieuw in buitenlandse handen, achtereenvolgens in Britse (Rank), Israelische (Menachem Golan & Yoram Globus), Italiaanse (Giancario Parretti & Florio Fiorino) en Franse (Pathé/Chargeurs).
De constatering die Menno ter Braak in 1931 bij het tienjarig bestaan van Theater Tuschinski deed, gaat 65 jaar later nog steeds op: voor de jubilaris kan behoudens een paar cinefiele architectuurstudenten eigenlijk geen mens veel interesse opbrengen. Theater Tuschinski gaat gebukt onder achterstallig onderhoud; als de milde 'feestverlichting’ brandt gaat het nog, maar als het kille werklicht wordt onstoken, is de aftakeling goed te zien. Het al diverse malen vervangen tapijt ligt er futloos bij doordat bij het reinigen een verkeerd soort shampoo is gebruikt.
De al op 28 april jongstleden door Pathé begonnen viering van de vijfenzeventigste verjaardag van Theater Tuschinski heeft al met al de allure en de klank van een natte vuurpijl.
Abram Tuschinski en zijn partners Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz verdienen toch beter.