Bekakt dwarsliggen

Willem Oltmans, Memoires 1961-1963. Uitg. Papieren Tijger, 333 blz., 345,-
EEN INTERVIEW met Willem Oltmans sla ik nooit over. Zijn memoires lees ik met een gretigheid waar ik zelf soms van sta te kijken. Het is die grillige, speelse geest van hem. Ik erger me aan de ene kant dood aan zijn mateloze ijdelheid, zijn niet te stuiten arrogantie, zijn geflirt met alles wat naar elite riekt. Want alleen een Willem Oltmans is in staat om als serieus punt van kritiek tegen Luns op te werpen dat hij ooit slechts ‘seiner derde klasse van de marine’ was. Maar er is ook een andere kant. De snob Oltmans zit zichzelf voortdurend dwars in een niet te stuiten, destructieve drang tot eerlijkheid. Zijn naïviteit kent daarbij geen grenzen en zijn meningsvorming is haast zo onvoorspelbaar als de bijbehorende argumentatie.

De weinige keren dat Oltmans op de televisie verschijnt, kijk je trouwens ook je ogen uit: die zeldzame combinatie van dat bekakte praten en die absolute impertinentie. Cynisch en kwetsbaar tegelijk. Alleen een Oltmans kan midden in een tv-uitzending op z'n Baarns ‘gelul’ roepen en er nog respect mee afdwingen ook. Al is het maar omdat die onmiskenbare, 'natuurlijke’ allure door zijn hogere afkomst (in het eerste deel van zijn memoires valt alles te lezen over de zeer bevoorrechte kringen waarvan Oltmans als kind deel uitmaakte) plus een nogal agressief uitgedragen homoseksualiteit de mensen angst aanjaagt. Oltmans begaf zich in zijn hoogtijdagen het liefst tussen de machtigsten der aarde: politici, diplomaten, grootfabrikanten, opinieleiders. Soms speelt hij daarin de rol van freelance journalist, soms die van tijdelijk aangesteld, of zichzelf aanstellend onderhandelaar, vaker tracht hij beide rollen op uiteraard ongehoorde wijze te combineren.
OLTMANS IS ZICH van de onmogelijkheid van dit merkwaardige dubbelspel natuurlijk bewust. Zo noteert hij in het zesde deel van zijn memoires uit de mond van Zairin Zain, de toenmalige Indonesisch ambassadeur in Washington, wijze uitspraken als: 'Je probleem is dat je zogenaamd met ons bent, maar je speelt altijd weer je eigen spel.’ En: 'Don’t mix politics with journalism. Stick to the latter.’ Oltmans sloeg die goede raad altijd in de wind. Hij moet trots geweest zijn op zijn adembenemende dubbelrol. Hij schiep er een mythe mee, met een romantische impact die hij altijd belangrijker gevonden moet hebben dan een succesvolle carrière in de journalistiek. Anders valt toch moeilijk de verschijning te verklaren, in 1986, van een curieus werkje als Zaken doen, waarin Oltmans zichzelf aanprijst als internationaal contactenlegger. Ik hoef alleen al de ongetwijfeld door hemzelf geschreven flaptekst te citeren: 'In dit boek beschrijft hij hoe hij de afgelopen jaren in deze hoedanigheid Philips heeft geholpen bij het vestigen van een kantoor in Moskou, de KLM bij het herstel van de lijn op Suriname, Van Eeghen & Co bij het bemiddelen inzake de kwestie van de kruisraketten en Frans Lurvink aan de idee een denkfabriek voor Oost-West-journalisten te vestigen op diens Kasteel Den Alerdinck.’ Het ontroerende is dan dat hij van die activiteiten kennelijk geen cent wijzer is geworden, getuige zijn huidige status als uitkeringsgerechtigde.
Die explosieve mix waar ambassadeur Zain hem op wees, maakt Oltmans zowel tot een journalist met een dubbele agenda als tot een onbetrouwbare onderhandelaar die elk moment zomaar uit de school kan klappen. En je weet nooit goed met welke van de twee je te maken hebt. Niet in het minst omdat Oltmans dit zèlf niet meer weet. Met een natuurlijk bij voorbaat mislukte geniale draai tracht Oltmans dit in zijn voordeel uit te buiten. Daarbij kan je bek alleen maar openvallen.
Soms kijk je bij Oltmans ineens recht in de keuken van het internationale onderhandelen. Je krijgt het gesjoemel te zien dat meer praktisch ingestelde politieke correspondenten met veel omhaal vooral verdoezelen. Zijn even geliefde als gehate jeugdvriend H.J.A. Hofland, die wèl koos voor een reguliere carrière in de journalistiek, publiceerde ooit een genuanceerd, 'literair’ geschreven essaybundel met de titel Tegels lichten. Maar Oltmans zelf trapt eerst per ongeluk tegels om en legt al struikelend van alles bloot wat helemaal niet bloot moest komen te liggen.
Het is dan ook een verwarrende chaos in de memoires van Oltmans. De journalist Hofland, die hij al vanaf het eerste dagboekdeel (uit de tijd dat Hofland en Oltmans gezworen vrienden waren op Nijenrode) zijn niet-aflatende liefde betuigt, wordt daarbij het meest onbarmhartig aangevallen. Uit dit dagboekdeel blijkt dat de rol van Hofland in de onderhandelingen tussen Indonesië en Nederland veel groter is geweest dan hij zelf schetste. Oltmans geeft zoveel voorbeelden van Hofland in de rol van participant achter de schermen, middels lunchafspraakjes met hooggeplaatsten en komplotachtige deals waarover je niets in de krant leest, dat er wel een kern van waarheid moet zitten in Oltmans openlijk afgunstige analyse van zijn vriend: 'Waarom verschool hij zich in Podium - en later in Tegels lichten - voortdurend achter mij en anderen? Om zijn zogenaamde journalistieke objectiviteit veilig te stellen? Is daarom zijn boek een bestseller?’
OLTMANS mag dan soms een naïeve indruk maken, hij weet ook weer regelmatig met onthutsende voorbeelden aan te komen van het cynische spel dat tussen de hogere politiek, de media en het onwetende publiek wordt gespeeld. Hofland speelt hierin een allerminst objectieve rol, wat des te meer op straat komt te liggen doordat Hofland letterlijk wordt geciteerd uit zijn privé-correspondentie met Oltmans. Niet erg netjes, maar wel erg leerzaam. Zo ging het er in die dagen (1962) kennelijk aan toe tussen de heren van de internationale politiek en de heren van de pers. Hofland, ongewild geciteerd door Oltmans:
'Wel heb ik op het binnenlandse front een en ander gedaan. Ujeng Suwargana belde mij ongeveer tien dagen geleden op, met het verzoek of ik kon zorgen dat in de Nederlandse pers zou worden gepleit voor meer contact tussen “Nederlandse” Papoea’s en Indonesiërs. Ik heb hem toen voorgesteld Frits Kirihio naar Nederland te laten komen, althans dat te bevorderen. Ik beloofde hem dat ik dan zou zorgen, dat hij hier met de nuttigste tekst op de televisie zou komen. Maandag, dus drie dagen geleden, belde Ujeng weer op. Kirihio was in Bonn. Ik ben erheen gegaan en heb gezorgd dat hij bij de Vara komt, vragen opgesteld en voorstellen gedaan voor de bijbehorende antwoorden, die later in samenwerking met kolonel Pandjaitan hun definitieve vorm hebben gekregen. Morgen wordt het programma in Duitsland opgenomen. Zaterdag wordt het uitgezonden. Vrijdag komen in een paar kranten, Vrije Volk, NRC Handelsblad en De Tijd, artikelen over Kirihio om het ijs te breken. Zondag komt hij dan zelf naar Nederland om hier zijn mede-Papoea’s ervan te overtuigen, dat ze er verstandig aan doen ook zo vlug mogelijk een reis naar Jakarta te maken, of in ieder geval hun mening over de toekomst van Nieuw-Guinea te herzien.’
Let wel: hier is dus de journalist Hofland zelf aan het woord! Ik vond dat nogal schokkend. Maar misschien is de naïviteit over wat de taak van een journalist zou horen te zijn, in dezen wel geheel aan mijn kant. In elk geval blijkt uit een citaat als dit dat Hofland beslist net zo'n onderhandelaars-journalist was als Oltmans. Alleen Hofland speelde het spel slimmer.
OLTMANS is in de Nederlandse media volkomen gemarginaliseerd geraakt. Het zesde deel van zijn memoires, de periode 1961-1963, verscheen enkele maanden geleden bij de kleine, dappere uitgeverij Papieren Tijger en werd, voor zover ik kan overzien, nergens besproken. Zelf gaf Oltmans, op 31 juli 1962, al aan wat zijn probleem was: 'Ik heb gewoon te veel vijanden tegelijk.’ Anno nu heeft Oltmans nog steeds met alles en iedereen ruzie. In Nederland gaat men dan niet meer het debat met je aan, maar word je doodgezwegen. Een typisch voorbeeld van repressieve tolerantie. De mediastilte die er hangt om ook weer dit dagboekdeel is echt een schande, want Oltmans schreef in zijn dagboeken een onofficiële geschiedenis van de wereldgeschiedenis die op zijn minst publieke tegenspraak verdient. Niet vastzittend aan de bedrijfspolitiek van kranten en omroepen maar wel aan zijn zelfgekozen, puur romantische en niet politiek gemotiveerde idolatrie voor specifieke hooggeplaatste personen die hij in zijn hart gesloten heeft - eigenlijk vooral Soekarno, maar ook een beetje Castro, bijvoorbeeld - zigzagt Oltmans als een losgeslagen projectiel door allerlei porseleinkasten.
Een voorbeeldje van de onnavolgbare wereld van Oltmans door Oltmans zelf, uit de Memoires 1961-1963: '16 januari 1962, American Airlines, Astrojet, flight 25 Idlewild-Dallas (Texas). In de UNO ontmoette ik de ambassadeur van Ethiopië, die van mening was dat Indonesië met Nederland diende te gaan onderhandelen. “Wanneer je hem weer spreekt”, zei ambassadeur Sukardjo Wirjopranoto later, “moet je hem zeggen dat Nederland de voorwaarde van zelfbeschikking voor de Papoea’s helemaal niet heeft laten vallen. Integendeel, zelfbeschikking zal het eerste agendapunt zijn wanneer we zouden gaan praten. Nederland zit gewoon, zoals bij Ethiopië, verdeeldheid te zaaien. Er zullen met Luns geen onderhandelingen te voeren zijn. En dat is wat wij willen: geen talk for the sake of talking.”
Dallas is een stad voor geprivilegieerden. Overal worden nieuwe gebouwen neergezet. Het kan niet duur genoeg zijn. Luxe alom. Ik nam een taxi naar de YMCA, als gewoonlijk eigenlijk een gesanctioneerde hoerenkast voor boys. Ze waren dan ook overal, op de gangen, in de douches en de toiletten. Alle muren waren volgekladderd met namen en adressen en op welk telefoonnummer men iemand kon oproepen voor een blow job. Werd zelf tweemaal doorgeblazen.’
EEN KARIG seksleven zal Oltmans in de periode 1961-63 niet gehad hebben. Het schijnt dat hij zich vooral passief liet bedienen en dit wordt met boekhoudkundige precisie bijgehouden. Op 6 februari 1963: 'Achtste blow job sinds 1 januari.’ Als er een penis bij zijn mond gehouden wordt, duwt hij die liever van zich af. En dan is het weer op naar de damesclub Mary K. Craig Class om voor de noodzakelijke 250 dollar een lezing te houden. Die abrupte overgangen in leefmilieus, voortkomend uit een hang om op de bergtoppen van de politieke macht te verkeren, deels uit relationele eenzaamheid seksuele kicks te zoeken in de maatschappelijke onderbuik en puur uit geldgebrek een inkomen te verwerven uit de meest burgerlijke dameskransjes. Zo'n bestaan, daar lees je toch graag een dagboek over.
Van enige bescheidenheid van de kant van Oltmans is ook in dit dagboekdeel uiteraard geen sprake: 'Dat ik eindelijk in de zeventiger jaren een publiekelijk offensief tegen Luns ontketende, die het koninkrijk meer kwaad heeft gedaan dan enig ander, vond bijvoorbeeld hier in New York de aanloop.’ Door Oltmans’ onhandige formulering wordt niet duidelijk of zijn publieke offensief het koninkrijk zoveel kwaad deed, of Luns zelf, maar je mag toch aannemen dat hij het laatste bedoelt. Het is zo al arrogant genoeg. Maar Luns krijgt nog een kans van Oltmans, getuige een als bijlage afgedrukte, uiterst curieuze, brief aan Luns, waarin Oltmans eerst ronduit bedreigend stelt dat 'enkele der hoogste Indonesische functionarissen’ alleen met Nederland over de kwestie Nieuw-Guinea zouden willen onderhandelen als Luns gevallen zou zijn, en anderzijds Luns gewaarschuwd wordt voor lekken in de Nederlandse diplomatie in Washington 'zoals steeds opnieuw blijkt uit gesprekken met Indonesische topfunctionarissen’. Waarom schrijft hij dit allemaal aan Luns? Wil hij Luns helpen of juist bedreigen? Wil hij met hem in discussie treden? Je komt er niet achter. In het dagboek staat helaas slechts cryptisch: 'Schreef aan minister Luns. Deze brief geeft exact mijn analyse van de gebeurtenissen en gesprekken van die dagen weer.’ Het is typisch zo'n voorbeeld waarin Oltmans, als een weggekeilde kiezel door de politieke wereld schietend, niet meer lijkt te weten wat zijn eigen positie is.
Bij vlagen dringt dit tot Oltmans zelf door. Dan kan hij ook heel openhartig schrijven over zijn eigen verwarring, ziet hij zich verstrengeld in andermans spelen en weet niet meer hoe daar nog uit te komen: 'Ambassadeur Lambertus Palar voegde me toe: “Je doet goed werk voor Holland.” Toch, wanneer ik dr. Zain knipsels en informatie verstrek die Indonesische argumenten in het gevecht om de Papoea’s moesten versterken, kruist het wel eens mijn gedachten of ik niet tegen Nederland bezig ben.’
Ondertussen is het duidelijk dat de Nederlandse regering met haar halsstarrige Nieuw-Guinea-beleid, dwars tegen de antikoloniale trend van die dagen in, nog veel meer verwarring stichtte en uiteindelijk vooral economische mogelijkheiden voor zichzelf verstierde. Want de opleving van de handel met Indonesië had al veel eerder kunnen plaatsvinden. Net dat beetje extra aan pragmatisme waar Nederland groot mee werd, ontbrak juist hier. Het historisch gelijk lag natuurlijk bij de kritische dwarsligger Oltmans en niet bij de in zijn koloniale trots gekrenkte Luns.
Dat Indonesië op zijn beurt ten opzichte van de Papoea’s weer een koloniaal beleid ging voeren en dat niet alleen Suharto, maar ook de door Oltmans zo aanbeden Soekarno hierop afgerekend moet worden, doet aan dat historisch gelijk van Oltmans wel af, maar dat was natuurlijk niet waar het bij Luns werkelijk om draaide wanneer die het zo schijnheilige pro-Papoea-standpunt van de Nederlandse regering verwoordde. Als één land in die dagen zijn mond moest houden over de uitbuiting van de Papoea’s, dan was het Nederland wel. Dat is inmiddels voor iedereen duidelijk, maar van meer belang is wie het toen wist aan te kaarten. Oltmans, die om verschillende redenen (ook eigenbelang, gezien de familiare zakenbelangen die er nog in Indonesië lagen) de communicatie tussen een gekrenkt Nederland en een zelfstandig Indonesië wilde versoepelen (zoals hij dat later, nogal onhandig, ook tussen Nederland en Suriname wilde doen) komt die eer toe. Natuurlijk; samen met anderen. Maar hierin mag die eeuwig eigenwijze Oltmans dan toch wel eens geprezen worden. Zeker als de prijs blijkt te zijn dat je in je journalistieke werk voor de rest van je leven wordt dwarsgezeten door de Nederlandse regering, en vervolgens door de zeker toen nog zo volgzame Nederlandse media persona non grata wordt verklaard. Dat had natuurlijk nooit mogen gebeuren.